Exodus 23:20-33
Drie genaderijke beloften worden hier aan Israël gedaan om hen aan te sporen tot hun plicht en er hen in aan te moedigen, en aan iedere belofte zijn enige noodzakelijke bevelen en waarschuwingen toegevoegd.
I. Er wordt hier beloofd, dat zij geleid en bewaard zullen worden op hun weg door de woestijn naar het land van de belofte: Ziet Ik zend een engel voor uw aangezicht, vers 20, Mijn engel, vers 23, een geschapen engel, zeggen sommigen, een dienaar van Gods voorzienigheid, gebruikt voor de leiding en bescherming van het kamp van Israël. Opdat het zou blijken, dat God zeer bijzonder zorg voor hen droeg, droeg Hij aan een van Zijn voornaamste dienaren op om hen te begeleiden en te zorgen, dat hun niets ontbrak. Anderen zijn van mening, dat het de Zoon van God was, de Engel des verbonds, want van de Israëlieten in de woestijn wordt gezegd, dat zij Christus veracht hebben, en wij kunnen Hem even goed Gods boodschapper onderstellen en de Verlosser van de kerk vóór Zijn menswording, als "het Lam, geslacht van voor de grondlegging van de wereld." En wij kunnen te eerder denken dat het Hem behaagd heeft om de verlossing en leiding van Israël op zich te nemen daar deze typen waren van Zijn grote onderneming. Er wordt beloofd, dat deze gezegende Engel hen zal behoeden op deze weg, hoewel die eerst door de woestijn en later door des vijands land liep. Aldus zal Gods geestelijk Israël behoed worden in de woestijn van deze aarde, en tegen de aanvallen van de poorten van de hel. Er wordt ook beloofd, dat Hij hen brengen zal naar de plaats, die God niet alleen voor hen bestemd, maar bereid heeft, en aldus heeft Christus een plaats bereid voor Zijn volgelingen, en zal hen er voor bewaren, want Hij is getrouw aan Hem, die Hem gesteld heeft.
II. Het gebod, toegevoegd aan deze belofte, is, dat zij moeten achtgeven op, en gehoorzaam zijn aan, deze Engel, die God voor hun aangezicht zou zenden, vers 21. "Hoed u voor zijn aangezicht, en wees van zijn stem gehoorzaam in alles, verbitter hem niet, in iets, het is op uw gevaar zo gij het doet, want hij zal ulieder overtredingen niet vergeven." Christus is de oorzaak van de zaligheid alleen van hen, die Hem gehoorzamen. Het woord van bevel luidt: Hoort Hem, Mattheus 17:5. Onderhoud wat Hij heeft geboden, Mattheus 28:19. Onze noodzakelijke afhankelijkheid van de Goddelijke macht en goedheid moet ons tot gehoorzaamheid bewegen. Wij doen wel ons er voor te wachten onze beschermer en weldoener te verbitteren, want als onze schaduw van ons is geweken en de stromen van Zijn goedertierenheid afgesneden worden, dan is het met ons gedaan, dan zijn wij verloren. Daarom: "Hoedt u voor zijn aangezicht en gedraag u jegens hem met allen mogelijke eerbied en voorzichtigheid. Vreest de Heere en Zijn goedheid." Christus zal getrouw zijn aan hen, die Hem getrouw zijn, en de zaak omhelzen van hen, die Hem aanhangen, vers 22. Ik zal uwer wederpartijders wederpartij zijn. Het zal een aanvallend en verdedigend verbond zijn, zoals dat met Abraham, "Ik zal zegenen die u zegenen, en vervloeken die u vloekt." Aldus behaagt het God om Zijn belangen en Zijn vriendschap ineen te strengelen met die van Zijn volk.
Er is beloofd dat zij een goede vestiging zullen hebben in het land Kanaän, dat zij nu hoopten (hoewel het anders uitkwam) binnen weinige maanden in hun bezit te zullen hebben, vers 24-26
Merk op:
1. Hoe redelijk de voorwaarden zijn van deze belofte-alleen dat zij hun eigen God zullen dienen, die ook de enige ware God is, en niet de goden van de volken, die geen goden waren, en die zij ook hoegenaamd geen reden hadden te eren. Zij moeten niet alleen hun goden niet aanbidden, maar die geheel afbreken ten teken van hun afschuw voor afgoderij, hun vast besluit om zelf nimmer afgoden te aanbidden, en hun zorg om te beletten dat anderen ze zullen aanbidden, zoals de bekeerde toverkunstenaars "hun boeken verbrand hebben," Handelingen 19:19.
2. Hoe rijk de bijzonderheden zijn van deze belofte.
a. Het aangename van hun spijze: Hij zal uw brood en uw water zegenen, en Gods zegen zal brood en water meer verkwikkend en voedzaam maken dan een vette maaltijd van reine wijnen, die gezuiverd zijn, zonder die zegen.
b. Het voortduren van hun gezondheid, Ik zal de krankheden uit het midden van u weren, ze of voorkomen, of wegnemen. Het land zal niet bezocht worden door epidemische ziekten, die zeer vreeslijk zijn en soms landen verwoest hebben.
c. Het toenemen van hun welvaart, hun vee zal niet onvruchtbaar zijn en niet misdrachtig, hetgeen als een bewijs van voorspoed genoemd wordt, Job 21:10.
d. Het verlengen van hun leven tot aan een hoge ouderdom: "Ik zal het getal uwer dagen verruimen, en zij zullen niet door een ontijdige dood in het midden worden afgesneden". Aldus heeft de Godzaligheid de belofte des tegenwoordigen levens.
III. Er wordt hun beloofd dat zij hun vijanden zullen overwinnen en tenonder brengen, namelijk de tegenwoordige bezitters van het land Kanaän, die uitgedreven moeten worden om plaats te maken voor hen. Dit zal God doen:
1. Krachtdadig, door Zijn macht, vers 27, 28, niet zozeer door het zwaard en de boog van Israël, als wel door de verschrikking, die Hij over de Kanaänieten zal doen komen. Ofschoon zij zo hardnekkig waren, dat zij zich aan Israël niet wilden onderwerpen, hun land niet aan hen wilden overlaten en zelf elders heengaan, hetgeen zij hadden kunnen doen, waren zij toch zó ontmoedigd, dat zij niet tegen hen bestand waren. Dit voltooide hun verderf, de duivel had zo grote macht in hen, dat zij wilden weerstaan, maar God had zo grote macht over hen, dat zij het niet konden. Ik zal Mijn schrik voor uw aangezicht zenden, en zij die geschrikt zijn, vrezen en zullen spoedig vlieden. Heirscharen van horzelen baanden de weg voor de heirscharen Israëls, van zo geringe, nietige schepselen kan God gebruik maken om de vijanden Zijns volks te kastijden, zoals in de plagen van Egypte. Als het God behaagt, kunnen horzelen evengoed als leeuwen Kanaänieten uitdrijven, Jozua 24:12.
2. Hij wilde het trapsgewijze doen, met wijsheid, vers 29, 30, niet terstond en op eenmaal, maar langzamerhand. Gelijk de Kanaänieten in het bezit bleven totdat Israël een volk was geworden, zo moet er ook nog een overblijfsel van hen zijn totdat Israël zo talrijk was geworden, dat zij het gehele land konden vervullen. De wijsheid Gods wordt opgemerkt in de trapsgewijze voortgang van de belangen van de kerk. Het is in wezenlijke goedertierenheid jegens de kerk, dat haar vijanden slechts langzamerhand tenonder worden gebracht, want aldus blijven wij op onze hoede en in voortdurende afhankelijkheid van God. Zo wordt ook het bederf uit het hart van Gods volk verdreven, niet tegelijk en op eenmaal, maar langzamerhand, de oude mens is gekruisigd en sterft dus langzaam. In Zijn voorzienigheid stelt God het dikwijls uit om genade te geven, omdat wij er nog niet rijp voor zijn. Kanaän heeft ruimte genoeg om Israël te ontvangen, maar Israël is niet talrijk genoeg om Kanaän te bezetten, wij zijn niet nauw in God, als wij nauw zijn, zijn wij het in onszelf. Het land Kanaän is hun beloofd in zijn volle uitgestrektheid, vers 31, dat zij echter niet in bezit kregen voor de tijd van David en zij hebben het door hun zonden spoedig weer verloren.
Het gebod, toegevoegd aan deze belofte, is dat zij geen vriendschap moeten sluiten of gemeenzame omgang hebben met de afgodendienaars, vers 32, 33. Afgodendienaars mogen niet eens in hun land verblijf houden, tenzij dan dat zij hun afgoderij verzaken. Aldus moeten zij de smaad vermijden van gemeenzaam te zijn met aanbidders van valse goden en het gevaar van er toe te komen om die met hen te aanbidden. Door gemeenzame omgang met afgodendienaars zal de vrees voor en de afschuw van de zonde verminderen en langzamerhand uitslijten, zij zullen er geen kwaad in zien om, uit beleefdheid voor hun vrienden, enige eerbied te betonen voor hun goden, en aldus trapsgewijze in de noodlottige strik geraken. Zij, die voor slechte handelingen bewaard willen blijven, moeten verre blijven van slecht gezelschap: het is gevaarlijk om in een slechte buurt te wonen, anderer zonden zullen, zo wij niet goed toezien, strikken voor ons worden. Wij moeten altijd denken dat ons grootste gevaar komt van hen, die ons tegen God willen doen zondigen. Welke vriendschap ook voorgewend worde, toch is datgene onze ergste vijand, dat ons van onze plicht afhoudt.