2 Koningen 18:1-8
Wij hebben hier een algemeen bericht van de regering van Hizkia. Hier is:
I. Zijn grote Godsvrucht, die des te meer verwonderlijk is, omdat zijn vader uiterst snood en goddeloos was, een van de slechtsten van de koningen, en toch is hij-Hizkia-een van de besten, hetgeen ons te kennen kan geven,
1. Dat het goed, hetwelk in iemand gevonden wordt, niet van de natuur is, maar door genade gewerkt is, door vrije en vrijmachtige genade, die tegen nature in de goeden olijfboom inent wat van nature wild was, Romeinen 11:24.
2. Dat die genade over de grootste moeilijkheden zegeviert, Achaz heeft zijn zoon waarschijnlijk een slechte opvoeding gegeven zowel als een slecht voorbeeld. Aan Uria, de priester, was misschien opgedragen hem te onderwijzen, wij kunnen veronderstellen dat zijn dienaren en metgezellen aan afgoderij waren overgegeven, en toch werd Hizkia uitnemend goed en Godvruchtig, als Gods genade wil werken wie of wat zal het dan keren?
A. Hij was een echte zoon van David, die zeer veel ontaarde zonen had, vers 3. Hij deed wat recht was in de ogen des Heeren, naar alles dat zijn vader David gedaan had, met wie het verbond was gemaakt, en daarom had hij ook recht op de weldaden en voordelen ervan. Wij hebben gelezen van sommigen van hen, die deden wat recht was, maar niet gelijk David, Hoofdstuk 14:3. Zij hadden Gods inzettingen niet lief zoals hij, en hebben er zich niet zo aan gehouden, maar Hizkia was een tweede David, had dezelfde liefde voor Gods woord en Gods huis als hij er voor gehad heeft. Laat ons niet verschrikt worden door de vrees voor een toenemend verval van deugd en Godsvrucht alsof, wanneer de tijden en de mensen slecht zijn, zij als vanzelf al slechter en slechter moeten worden dat is volstrekt niet gezegd, want na veel slechte koningen heeft God er een verwekt, die als David zelf was.
B. Hij was een ijverig hervormer van zijn rijk, en, zoals wij bevinden in 2 Kronieken 29:3, hij begon er bijtijds mede, toog aan het werk zodra hij de troon had beklommen, en liet geen tijd verloren gaan. Hij vond zijn koninkrijk zeer verdorven, het volk zeer bijgelovig, het is dit altijd geweest, maar onder de laatste regering erger dan ooit. Door de invloed van zijn goddeloze vader was het land overstroomd van afgoderij. Wij kunnen veronderstellen dat zijn geest in hem ontstoken was, terwijl zijn vader leefde, zoals Paulus' geest in hem ontstoken was te Athene, en daarom, zodra hij de macht in handen had, begaf hij er zich toe om haar uit te roeien, vers 4, hoewel hij, in aanmerking genomen hoezeer het volk er aan verknocht was, wel kon denken dat het niet zonder tegenstand zou geschieden.
a. De beelden en de bossen waren bepaald afgodisch en van heidense oorsprong, deze verbrak en vernietigde hij, hoewel zijn eigen vader ze had opgericht en er genegenheid voor had betoond, zal dit ze toch niet beschermen. Wij moeten, om onze aardse ouders te eren, nooit God onteren.
b. De hoogten zijn bij bijzondere gelegenheden gebruikt door de profeten, en waren totnutoe door de goede koningen oogluikend toegelaten, maar zij waren een belediging voor de tempel, en in strijd met de wet, die gebood dat zij daar alleen moesten aanbidden, en daar zij niet onder het toezicht waren van de priesters, gaven zij gelegenheid voor de invoering van afgodische gebruiken. Daarom heeft Hizkia, die zich Gods woord, niet het voorbeeld van zijn voorgangers, als regel stelde, een wet gemaakt om ze weg te nemen, de kapellen, tabernakelen en altaren, die er waren opgericht, af te breken, en het gebruik er van te verbieden, welke wet met kracht in werking werd gesteld, en het is waarschijnlijk, dat het ontzettend oordeel, dat nu over het rijk van Israël was gekomen vanwege hun afgoderij, Hizkia nog te meer ijverig deed zijn, en het volk nog te meer gewillig heeft gemaakt om zich naar hem te voegen. Het is wel, als het ongeluk van onze naburen ons ter waarschuwing is.
c. De koperen slang was oorspronkelijk op Gods bevel opgericht, maar omdat zij tot afgoderij misbruikt was, verbrijzelde hij haar. De kinderen Israëls hadden haar meegebracht naar Kanaän, waar zij haar hebben opgericht wordt ons niet gezegd, maar zij schijnen haar zorgvuldig bewaard te hebben als een gedachtenis aan Gods goedheid jegens hun vaderen in de woestijn, en als een overgeleverd bewijs van de waarheid van dat verhaal, Numeri 21:9, ter bemoediging van de zieken om zich tot God te wenden om genezing, en van boetvaardige zondaren om zich tot Hem te wenden om genade. Maar toen zij, in verloop van tijd, begonnen het schepsel meer te aanbidden dan de Schepper, werden zij die geen beelden wilden aanbidden, ontleend aan de heidenen, zoals sommigen van hun naburen gedaan hebben, door de verzoeker er toe gebracht om wierook te branden voor de koperen slang, omdat deze op bevel van God zelf gemaakt was, en een werktuig ten goede voor hen is geweest. Maar in zijn vrome ijver voor Gods eer heeft Hizkia het volk niet slechts verboden haar te aanbidden, maar opdat zij nooit meer aldus misbruikt zou worden, toonde hij het volk dat het Nehustan, niets anders dan een stuk koper was, en dat het daarom ijdel en goddeloos was om er wierook voor te branden. Toen verbrijzelde hij haar, dat is, gelijk bisschop Patrick het verklaart, hij vergruisde haar tot stof, dat hij in de lucht strooide opdat er niets van zou overblijven. Indien iemand mocht denken dat de eer, die aan deze koperen slang toekwam, verminderd werd, dan zal hij haar volkomen hersteld zien in Johannes 3:14, waar onze Heiland haar tot een type verklaart van Hemzelf. Als goede dingen vergood worden, dan is het beter ze weg te doen dan ze te houden.
C. Hierin was hij ongeëvenaard, vers 5, na hem was zijns gelijke niet onder alle koningen van Juda, noch onder degenen, die voor hem geweest waren. Voor twee dingen was hij uitnemend in zijn reformatie.
a. Voor moed en betrouwen op God. In die afschaffing van de afgoderij was gevaar het misnoegen van zijn onderdanen gaande te maken en hen tot rebellie tegen hem te brengen, maar hij vertrouwde op de Heere, de God Israëls, dat Hij hem steunen zou in hetgeen hij deed en hem zou behoeden voor kwaad. Een vast geloof in de algenoegzaamheid Gods om ons te beschermen en te belonen zal er veel toe bijdragen, om ons oprecht, stoutmoedig en krachtig te maken in de weg van onze plicht, zoals Hizkia geweest is. Toen hij tot de troon kwam, vond hij zijn koninkrijk omringd door vijanden, maar hij heeft geen vreemde hulp tegen hen gezocht, zoals zijn vader gedaan heeft, maar vertrouwde op de God van Israël om de bewaarder van Israël te zien.
b. Voor standvastigheid en volharding in zijn plichtsbetrachting, hierin was niemand hem gelijk, dat hij met een vast besluit de Heere aanhing, niet afweek van Hem na te volgen, vers 6. Sommigen van zijn voorgangers zijn goed begonnen, doch vielen af, maar evenals Kaleb heeft hij volhard de Heere na te volgen. Hij heeft niet slechts alle afgodische gebruiken afgeschaft, maar hield Gods geboden en heeft in alles nauwgezet zijn plicht betracht. II. Zijn grote voorspoed, vers 7, 8. Hij was met God, en toen was God met hem, en daar God zo bijzonder met hem was, handelde hij kloekelijk overal waarheen hij uittrok. Hij had verwonderlijker voorspoed in al zijn ondernemingen, in zijn oorlogen, zijn gebouwen, en in het bijzonder in zijn reformatie, want dat goede werk werd met minder moeilijkheid voortgezet, dan hij zich heeft kunnen voorstellen. Zij, die Gods werk doen met het oog op Zijn eer en heerlijkheid en met vertrouwen op Zijn kracht, kunnen verwachten er voorspoedig in te zullen wezen, groot is de waarheid, en zij zal overmogen. Bemerkende, dat hij voorspoed had:
1. Wierp hij het juk af van de koning van Assyrië, waaraan zijn vader zich laaghartig had onderworpen. Dit wordt genoemd: van hem af te vallen of tegen hem te rebelleren, omdat de koning van Assyrië het zo noemde, maar het was in werkelijkheid een handhaven van de rechtmatige rechten van zijn kroon, die Achaz niet had mogen vervreemden. Indien het al onvoorzichtig was om die stoute worsteling nu reeds te beginnen, zie ik toch niet in dat het, zoals sommigen denken, onrechtvaardig was. Toen hij de afgoderij van de volken had uitgeworpen, kon hij ook wel het juk van hun verdrukking afwerpen. De zekerste weg tot de vrijheid is God te dienen.
2. Hij deed een krachtige aanval op de Filistijnen, en sloeg hen tot Gaza toe, zowel de landelijke dorpen als de vaste steden, van de wachttoren af tot de vaste steden toe, die plaatsen weer in zijn rijk terugbrengende, waarvan zij zich in zijns vaders tijd hadden meester gemaakt, 2 Kronieken 28:18. Toen hij het bederf had uitgezuiverd, dat zijn vader had ingevoerd, kon hij verwachten de bezittingen te herwinnen, die zijn vader verloren had. Zijn overwinningen over de Filistijnen had Jesaja geprofeteerd, Hoofdstuk 14:28 en verv.