Jesaja 10:24-34
In zijn prediking onderscheidt de profeet tussen het kostelijke en het snode, want God doet dit in Zijn voorzienigheid: in Sanheribs inval spreekt Hij verschrikking tot de huichelaars, die het volk van Gods toorn zijn vers 6. Maar hier spreekt Hij van vertroosting tot de oprechten, die het volk zijn van Gods liefde. Het oordeel werd gezonden ter wille van de eersten, de verlossing werd gewrocht ter wille van de laatsten. Wij hebben hier:
I. Een vermaning aan Gods volk om niet te vrezen voor de dreigende ramp, er niet door in verwarring of ontsteltenis te komen, vers 24. Laat de zondaren in Zion verschrikt zijn, Hoofdstuk 33:14. Vrees niet, gij Mijn volk, dat te Zion woont, voor Assur. Het is tegen de wil en de bedoeling van God dat Zijn volk in enigerlei omstandigheid zich door vrees zal laten beheersen, onder de macht zal komen van de vrees, waarin pijn is, zij, die wonen in Zion, waar God woont, en waar Zijn volk gebruikt wordt in Zijn dienst, dat onder de bescherming is van de muren en bolwerken, die rondom Zion zijn, Psalm 48:13, behoeven voor generlei vijand te vrezen. Laat hun zielen gerust zijn in God.
II. Overwegingen aangeboden, om hun vrees tot zwijgen te brengen.
1. De Assyriër zal niets tegen hen doen, dan wat God bepaald en verordineerd heeft. Er wordt hun van tevoren gezegd wat hij doen zal opdat het hun geen verrassing zal zijn. Hij zal u onder Gods toelating slaan, doch het zal slechts met een roede wezen om u te tuchtigen, niet met een zwaard om u te woeden en te doden, ja hij zal zijn staf slechts tegen u opheffen, u dreigen en verschrikken, de roede tegen u schudden naar de wijze van Egypte, zoals de Egyptenaren hun staf tegen uw vaderen geschud hebben aan de Rode Zee toen zij zeiden: Wij zullen vervolgen, wij zullen achterhalen, Exodus 15:9, maar hen niet konden bereiken om hun enigerlei kwaad te doen. Wij moeten niet bevreesd zijn voor vijanden, die niets anders kunnen doen dan ons schrik aanjagen.
2. De storm zal spoedig voorbij zijn, vers 25 Nog een klein weinig-een klein, klein weinig, zo luidt het Hebreeuws, -zo zal volbracht worden de gramschap-de gramschap zal ophouden, namelijk Mijn toorn, die de stok in hun hand is, vers 5, zodat als deze ophoudt, zij ontwapend zijn en geen kwaad meer kunnen doen. Gods toorn tegen Zijn volk is slechts voor een ogenblik, Psalm 30:6, en als deze ophoudt en van ons afgekeerd is, dan behoeven wij de grimmigheid des mensen niet te vrezen, want zij is slechts machteloze hartstocht.
3. Met de vijand, die hen dreigt, zal zelf afgerekend worden. Gods toorn tegen Zijn volk zal eindigen in de vernieling van hun vijanden. Als Hij Zijn toorn afkeert van Israël, zal Hij hem wenden tegen de Assyriër, en de roede, waarmee Hij Zijn volk kastijdt, zal niet slechte ter zijde gelegd worden, maar in het vuur worden geworpen. Hij hief zijn staf op tegen Zion, maar God zal tegen hem een gesel verwekken, vers 26, hij is een verschrikking voor Gods volk, maar God zal een verschrikking voor hem wezen, de verderfengel zal deze gesel zijn, die hij niet kan ontwijken, en tegen welke hij niet kan strijden. De profeet herinnert hen aan hetgeen God in vroegere tijden gedaan heeft tegen de vijanden van Zijn kerk, die zeer sterk en geducht waren, maar ten verderve werden gebracht. Het verderf van de Assyriër zal wezen:
a. Naar de slachting Midians, die geschied is door een onzichtbare macht, maar plotseling geschied is, en het was een volkomen, een algeheel verderf. En als de rots Orebs, waar een van de vorsten van Midian na de veldslag gedood werd, zo zal Sanherib gedood worden in de tempel van zijn god Nisroch, na de nederlaag van zijn leger, als hij denkt dat de bitterheid des doods is geweken. Vergelijk hiermede Psalm 83:12. Maak hen en hun prinsen als Oreb en als Zeeb, en zie hoe Gods beloften en de gebeden Zijns volks overeenkomen.
b. Gelijk zijn staf was over de zee, de Rode Zee, gelijk Mozes staf daarop was om haar te verdelen, eerst ter ontkoming van Israël, om haar weer te sluiten tot verderf van hun vervolgers, zo zal Zijn staf thans opgeheven worden naar de wijze van de Egyptenaren tot verlossing van Jeruzalem en tot verderf van de Assyriërs. Het is goed om een overeenkomst op te merken tussen Gods laatste en vorige verschijningen voor Zijn volk, en tegen Zijn en hun vijanden.
4. Zij zullen volkomen verlost worden uit de macht van de Assyriër en van de vrees er voor, vers 27. Zij zullen niet slechte bevrijd worden van het Assyrische leger, dat nu bij hen ingelegerd was, en een zwaar juk en een last voor hen was, maar zij zullen de koning van Assyrië ook niet langer de schatting betalen, die hij voor deze inval van hen geëist had, 2 Koningen 18:14, zij zullen niet langer tot zijn dienst zijn, zich niet langer in zijn macht bevinden. Ook zal hij nooit weer het land een schatting opleggen. Sommigen denken dat het nog verder ziet, namelijk op de verlossing van de Joden uit hun gevangenschap in Babel, en zelfs nog verder, namelijk op de verlossing van gelovigen van de tirannie van de zonde en van Satan. Het juk zal niet slechts afgenomen worden, maar het zal worden vernietigd-de vijand zal zijn kracht niet weer herkrijgen om wederom het kwaad te doen, dat hij gedaan heeft, en dat wel ter wille van de zalving, vers 27, en ter wille van hen die deelden in de zalving.
a. Om Hizkia's wil, die de gezalfde van de Heer was, een ijverig hervormer is geweest, en dierbaar was aan God.
b. Om Davids wil, dat is hun zeer bijzonder als reden opgegeven, waarom God Jeruzalem zal beschermen tegen Sanherib, Hoofdstuk 37:35. Om Mijnentwil, en om Davids Mijns knechts wil.
c. Om Zijns volks Israëls wil, de godvruchtigen onder hen, die de zalving van de goddelijke genade hebben ontvangen.
d. Om de wille van de Messias, de Gezalfde Gods, op wie God het oog had in al de verlossingen van de oud-testamentische kerk, en op wie Hij nog het oog heeft in de gunsten die Hij betoont aan Zijn volk, het is om Zijnentwil, dat het juk verbroken is en dat wij in waarheid vrij zijn gemaakt.
III. Een beschrijving beide van de verschrikking des vijands en de verschrikking, die velen er door aangegrepen had, en de dwaasheid van beide tentoongesteld in het einde, waar we hebben op te merken:
1. Hoe geducht de Assyriërs waren, en hoe stoutmoedig en dreigend zij optraden. Hier is een nauwkeurige beschrijving van zijn opmars, in welke richting hij ging, welke snelle vorderingen hij maakte: hij komt te Ajath, enz. Van deze en van de andere plaatsen heeft hij zich meester gemaakt zonder tegenstand te ontmoeten. Te Michmas legt hij zijn gereedschap af, alsof hij zijn zwaar geschut nu niet meer nodig had, zo gemakkelijk werd iedere plaats waar hij kwam tenonder gebracht, of wel de voorraadsteden van Juda, die tot dat doeleinde versterkt waren, waren nu zijn magazijnen geworden. De een of andere merkwaardige en gewichtige pas had hij genomen. Zij trekken door.
2. Hoe lafhartig de mannen van Juda waren, het ontaarde zaad van dat leeuwenwelp, zij zijn bang, op het eerste alarmsein zijn zij al gevlucht, en zij beproefden het niet eens om de vijand het hoofd te bieden, hun afval van God had hun alle moed en geestkracht benomen, zodat één duizend van hen jaagt. In plaats van een kloekmoedig juichen om elkaar aan te moedigen werd er niets gehoord dan weeklagen om elkaar te ontmoedigen en te verzwakken, en het ellendige Anatoth, een priesterstad, die vol moed behoorde te wezen, schreeuwt luider dan al de anderen, vers 30. Dit is bedoeld, hetzij:
a. Om aan te tonen, hoe snel de tijding van de voortgang van de vijand zich door het land verspreidde. Hij komt te Ajath, zegt de één, ja, zegt een ander, en hij trekt door Migron, enz. En toch was het alles misschien niet zo erg als het algemeen gerucht het voorstelde. Maar wij moeten waken tegen de vrees, niet alleen voor boze zaken, maar ook voor boze tijdingen, die de dingen dikwijls veel erger voorstellen dan zij werkelijk zijn, Psalm 112:7. Of,
b. Om aan te tonen in welk naderend gevaar Jeruzalem was, toen haar vijanden zo stoutmoedig tegen haar oprukten en zo grote vorderingen maakten, en haar vrienden geen enkele poging konden doen om haar te verdedigen. Hoe stoutmoediger de vijanden van de kerk zijn, en hoe lafhartiger zij zijn, die voor haar behoorden op te komen, hoe meer God verhoogd zal worden in Zijn eigen kracht als Hij desniettemin verlossing voor haar werkt.
3. Hoe machteloos zijn aanval op Jeruzalem zal zijn. Hij blijft te Nob, waar hij de berg Zion kan zien, en daar zal hij zijn hand er tegen bewegen, vers 32, hij zal hem dreigen, dat zal alles wezen, hij zal veilig wezen en hem trotseren. Om hem met gelijke munt te betalen zal de dochter Jeruzalems haar hoofd achter hem schudden, Hoofdstuk 37:22.
4. Hoe noodlottig het in de uitkomst voor hem zelf zal blijken te zijn, als hij zijn hand tegen Jeruzalem beweegt, en op het punt is er de handen aan te slaan, dan is het Gods tijd, om tegen hem te verschijnen want Zion is de plaats, waarvan God gezegd heeft: Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, weshalve zij, die haar dreigen, God zelf beledigen. Dan zal de Heer met geweld de takken afkappen, en de verwarde struiken des wouds omhouwen, vers 33, 34.
a.De hoogmoed van de vijand zal vernederd worden, en de takken, die hoog opgeheven zijn, zullen afgekapt worden, de hoge en statige bomen zullen omgehouwen worden de hovaardigen zullen vernederd worden, zij die zich verheffen in mededinging met God, of om Hem tegen te staan, zullen vernederd worden.
b. De macht des vijands zal verbroken worden, de verwarde struiken van het woud zal Hij omhouwen. Als de Assyrische soldaten onder de wapens waren en hun lansen omhoog hielden dan hadden zij het aanzien van een woud, zoals de Libanon, maar toen zij in één nacht allen dode lichamen waren geworden, waren de pieken op de grond gelegd, en de Libanon was plotseling neergeworpen door een machtige of een sterke, namelijk de verderfengel die in luttel tijds zovele duizenden van hen doodde. En als dat het einde zal wezen van de trotse aanvaller, zo laat Gods volk dan niet bevreesd voor hem wezen. Wie zijt gij, dat gij vreest voor de mens, die sterven zal?