Psalm 8:1-3
De psalmist begeeft er zich toe om Gode de eer te geven van Zijn naam. Dr. Hammond grondt op het opschrift van deze psalm een gissing nopens de gelegenheid waarbij hij geschreven werd. Hij wordt gezegd te zijn op de gittith, dat algemeen genomen wordt voor de melodie, of het muziekinstrument, in begeleiding waarvan deze psalm gezongen moest worden, maar hij vertaalt het woord door Gittiet, dat is: Goliath de Gittiet, die hij overwonnen en gedood heeft, 1 Samuël 17. Hij, die vergelijkenderwijs slechts een kindeke, een zuigeling, was, heeft die vijand doen ophouden. De gissing zou wel zeer waarschijnlijk zijn, indien het niet was dat wij nog twee psalmen vinden met hetzelfde opschrift, Psalm 81 en 84.
David bewondert hier twee dingen.
I. Hoe duidelijk God zelf Zijn heerlijkheid tentoonspreidt, vers 1. Hij richt zich tot God met alle ootmoed en eerbied, als de Heere en de Heere zijns volks: O Heere, onze Heere! Als wij geloven, dat God de Heere is, dan moeten wij Hem erkennen als onze Heere. Hij is de onze, want Hij heeft ons gemaakt Hij beschermt ons en zorgt voor ons. Hij moet de onze zijn, want we zijn gehouden en verplicht Hem te gehoorzamen en ons aan Hem te onderwerpen. Wij moeten die betrekking erkennen, niet alleen als wij er toe komen om tot God te bidden, als een pleitgrond bij Hem om ons genade te betonen, maar ook als wij er toe komen om Hem te loven, als een argument bij onszelf om Hem eer te geven, en wij dit met liefde genoeg doen kunnen, als wij bedenken:
1. Met hoeveel glans Gods heerlijkheid schittert zelfs in deze lage wereld: Hoe voortreffelijk is Zijn naam op de gehele aarde! De werken van de schepping en van de voorzienigheid getuigen en verkondigen aan geheel de wereld, dat er een oneindig Wezen is, de bron en oorsprong van alle bestaan, van alle macht en volkomenheid, de soevereine regeerder, de machtige beschermer, de milddadige weldoener van alle schepselen. Hoe groot, hoe doorluchtig, hoe heerlijk is zijn naam op de gehele aarde! Het licht daarvan schittert overal in het gelaat van de mensen, Romeinen 1:20, als zij er hun ogen voor sluiten, dan is dit hun eigen schuld. Er is geen spraak en er zijn geen woorden of de klank van Godsnaam wordt erin gehoord of kan er in gehoord worden. Maar dit ziet verder, namelijk naar het Evangelie van Christus door hetwelk de naam van God gelijk hij bekend gemaakt is door Goddelijke openbaring en te voren alleen groot was in Israël, dit is geworden op de gehele aarde, de uiterste einden waarvan aldus het grote heil Gods hebben gezien. Markus 16:15, 16.
2. Hoeveel helderder hij schittert in de bovenwereld. Gij hebt uw majesteit gesteld boven de hemelen.
a. God is oneindig heerlijker en voortreffelijker dan de edelste schepselen en die het glansrijkst zijn.
b. Terwijl wij op aarde alleen Gods heerlijke naam horen en hem loven, zien de zalige geesten hier boven Zijn heerlijkheid en loven deze, en toch is Hij ver verheven zelfs boven hun lof.
c. In de verhoging van de Heere Jezus aan de rechterhand Gods die het afschijnsel is van des Vaders heerlijkheid en het uitgedrukte van Zijn zelfstandigheid, heeft God Zijn heerlijkheid gesteld boven de hemelen, ver boven alle overheden en machten. II. Hoe krachtdadig Hij haar ontdekt door de zwaksten van Zijn schepselen, vers 3. Uit de mond van de kinderkens en van de zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, of lof toebereid, Mattheus 21:16, de lof Uwer sterkte. Dit wijst op de heerlijkheid Gods:
1. In het rijk van de natuur. De zorg, die God draagt voor de kleine kinderen, (als zij in de wereld komen zijn zij de meest hulpeloze van alle dieren) de bijzondere bescherming waaronder zij zich bevinden, en de voorziening die de natuur voor hen gemaakt heeft, moeten door een ieder van ons worden erkend tot heerlijkheid Gods, als een groot bewijs en voorbeeld van Zijn macht en goedheid, en dit temeer, dewijl wij er allen de weldaden van genoten hebben, want daaraan hebben wij het te danken dat wij niet gestorven zijn van de baarmoeder af, dat de knieën ons toen voorkomen zijn, daaraan hebben wij de borsten te danken, die ons gezoogd hebben. "Dat is zo'n bewijs van Uw goedheid dat de vijanden Uwer heerlijkheid er door voor altijd tot zwijgen gebracht kunnen worden, die zeggen: Er is geen God."
2. In het rijk van de voorzienigheid. In de regering van deze lagere wereld maakt Hij gebruik van de kinderen van de mensen, van sommigen die Hem kennen, en van anderen die Hem niet kennen, Jesaja 45:4, en deze waren als kinderkens en zuigelingen, ja soms behaagde het Hem, om Zijn doeleinden tot stand te brengen door de dienst van hen, die in wijsheid en kracht weinig meer waren dan kinderkens en zuigelingen.
3. In het rijk van de genade, het koninkrijk van de Messias. Hier wordt voorzegd dat door de apostelen, die beschouwd werden als niets meer dan kinderkens, ongeleerde en eenvoudige mensen waren, Handelingen 4:13, en door de dwaasheid van hun prediking het rijk des duivels omvergeworpen zou worden, zoals de muren van Jericho door het geklank van de ramshoorn werden neergeworpen. Het Evangelie wordt de arm des Heeren genoemd en de scepter van Zijn sterkte, dit was verordineerd om wonderen te werken, niet uit de mond van wijsgeren, of redenaars, of staatslieden, maar van arme vissers, wier uitwendige omstandigheden zeer in hun nadeel waren. Ja wij horen kinderen "Hosanna de Zone Davids!" roepen, toen de overpriesters en Farizeen Hem niet erkenden, maar Hem verachtten en verwierpen. Daarop dus past onze Heiland dit toe, Mattheus 21:16, en daarmee heeft Hij de vijand doen ophouden. Gods genade blijkt soms op verwonderlijke wijze in jonge kinderen, en Hij leert kennis en geeft het gehoorde te verstaan de gespeenden van de melk, de afgetrokkenen van de borsten, Jesaja 28:9. Soms brengt God grote dingen tot stand in Zijn kerk door zeer zwakke werktuigen, en beschaamt Hij de edelen, de wijzen en machtigen door het geringe en zwakke en dwaze van de wereld, opdat geen vlees voor Zijn aangezicht zou roemen en de uitnemendheid van de kracht blijke van God te zijn en niet van de mens. Dit doet Hij vanwege Zijn vijanden, omdat zij hoogmoedig en beledigend zijn, teneinde hen te doen ophouden, hen tot zwijgen te brengen, en aldus rechtvaardiglijk op de wraakgierigen gewroken te worden, zie Hand 4:14, 6:10. De duivel is de grote vijand en wraakgierige, en de prediking van het Evangelie heeft hem in grote mate doen ophouden, zijn orakelen werden tot zwijgen gebracht, de pleitbezorgers van zijn zaak werden beschaamd, en aan de onreine geesten werd niet toegelaten te spreken.
Laat ons, als wij dit zingen, Gode de eer geven van Zijn naam en van de grote dingen die Hij gedaan heeft door de kracht van Zijn Evangelie, in welks zegewagen de verhoogde Verlosser uitgaat overwinnende en opdat Hij overwinne, en die niet alleen onze lof, maar ook onze beste wensen moet ontvangen. Die lof is toebereid, God wordt in de hoogste mate verheerlijkt als uit de mond van kinderkens en zuigelingen sterkte wordt gegrondvest.