Jeremia 10:1-16
Toen de profeet Jesaja de gevangenschap in Babylon profeteerde, waarschuwde hij meteen tegen afgoderij en weidde breed uit over de dwaasheid van de afgodendienaars, niet alleen omdat er gevaar bestond, dat de verzoekingen in Babylon de Joden daar tot afgoderij zouden verlokken, maar omdat de bezoekingen in Babylon bestemd waren om hen van hun afgoderij te genezen. Aldus wapent Jeremia hier het volk tegen de afgodische gebruiken en gewoonten van de heidenen, niet alleen ten dienste van hen die naar Babylon waren gegaan, maar ook van hen, die achtergebleven waren, opdat, wanneer zij overtuigd en teruggebracht waren, door het woord van God, de roede mocht ingehouden worden, en het is "geschreven tot onze onderwijzing."
Merk hier op:
I. Een plechtige last, aan het volk van God gegeven om zich niet te voegen naar de wegen en gewoonten van de heidenen. Het huis van Israël hore en ontvange dit woord van der. God van Israël: "Leert de weg van de heidenen niet," geeft er geen goedkeuring aan, en denkt er niet onverschillig over, volgt hem nog minder na, gewent er u ook niet aan. Laat geen van hun gewoonten onder u insluipen (zoals ze licht onmerkbaar doen) of zich onder uw godsdienst mengen.
Merk op, het past dengenen, die in Gods woord onderwezen zijn, volstrekt niet, "de weg van de heidenen te leren," en er aan te denken de ware God te aanbidden met de plechtigheden en ceremoniën, die zij gebruikten bij de aanbidding van hun valse goden. Zie Deuteronomium 12:29, 31. Het was de weg van de heidenen om het heir des hemels te aanbidden, de zon, de maan en de sterren, hun gaven zij goddelijke eer en van hen verwachtten zij goddelijke gunsten, en daarom, naar "de tekenen des hemels" waren, gunstig of ongunstig, meenden zij begunstigd of aan hun lot overgelaten te worden door hun godheden, waarom zij letten op die tekenen, zons- en maansverduistering, en alle ongewone verschijnselen van de hemelbol, met vrees en beven. De zaken werden opgeschort wanneer er iets voorviel, dat men voor een slecht voorteken hield, als het onweerde aan hun linkerhand, waren zij als van de donder getroffen. God wilde, dat Zijn volk zich niet zou "ontzetten voor de tekenen des hemels," dat zij tegen de sterren niet zouden opzien als tegen godheden, noch zichzelf schrik aanjagen met voorspellingen daarop gegrond. Laat ze de God des hemels vrezen, en Zijn voorzienigheid eren, dan behoeven zij zich niet te "ontzetten voor de tekenen des hemels," want de sterren in haar loopbaan strijden niet tegen hen, die in vrede zijn met God.
De heidenen zijn ontzet voor deze tekenen, want zij weten niet beter, "maar het huis Israels," dat door God onderricht is, moet dat niet doen.
II. Verschillende goede redenen, gegeven om deze last kracht bij te zetten.
1. De weg van de heidenen is zeer bespottelijk en ongerijmd, en wordt zelfs door de inspraak van `t gezond verstand veroordeeld, vers 3. De inzettingen en rechten van de heidenen zijn ijdelheid, zij kunnen de proef van een rationeel onderzoek niet doorstaan. Hierop wordt telkens en telkens aangedrongen, zoals bij Jesaja. De Chaldeën stoften op hun wijsheid, waarin zij al hun naburen meenden te overtreffen, maar de profeet toont hier, dat zij, en alle anderen, die de afgoden aanbaden en hulp en uitkomst van hen verwachtten, verstandeloos en dwaas waren en geen gezond verstand hadden. a. Denk eens aan, wat de afgod is, die aangebeden wordt. Het was oorspronkelijk "een hout, dat men uit het woud gehouwen" had. Het was "een werk van des werkmeesters handen," afgemeten, en gezaagd, en tot een bepaalde gedaante gevormd, zie Jesaja 44:12 enz. Maar tenslotte is het toch niets dan de stam van een boom, meer geschikt om er een hekkepost van te maken dan iets anders. Maar, om het hout te verbergen, "pronkt men het op met zilver en met goud," men verguldt of lakt het, of bedekt het met geplet goud en zilver, of doek van goudlaken. Zij hechten het aan de plaats, die zij zelf er voor bestemd hebben, met nagelen en met hameren, opdat het niet waggele, of omgeworpen of gestolen worde, vers 4. Het beeld is mooi genoeg gemaakt, en het kan niet ontkend worden, dat de werkmeester zijn best gedaan heeft, want zij zijn gelijk een palmboom, vers 5, het ziet er statig uit, en staat recht overeind alsof het zou gaan spreken, maar het kan niet spreken, het is een arm stom schepsel, ook kan het geen stap doen, om u bij te staan. Als er een aanleiding is om het een andere plaats te geven moet het in optocht gedragen worden, "want zij kunnen niet gaan." Zeer gepast komt hier de vermaning: "Vreest niet voor hen," zomin als voor de tekenen des hemels, vreest niet voor hun misnoegen, want zij kunnen geen kwaad doen, vreest niet hun gunst te verliezen, "want ook is er geen goeddoen bij hen." Indien gij meent de zaken beter te maken door betere materialen te nemen voor de afgod, bedriegt gij u zelf. Afgoden van goud en zilver zijn evenmin waard vereerd te worden als houten goden. Een hout is een onderwijs van de ijdelheden, vers 8. Het leert leugens, leert leugens aangaande God. Het is een lering van de ijdelheden, het is hout. Het is waarschijnlijk, dat de gouden en zilveren afgoden van hout gemaakt werden en dan "wordt uitgerekt zilver van Tarsis gebracht," van over zee aangevoerd, "en goud van Ufaz, of Phaz", wat soms overgezet wordt als "fijn of zuiver goud," Psalm 21:3. Grote kunst wordt er bij gebruikt, en grote moeite voor gedaan. Het zijn maar geen gewone werklieden, die voor deze houten goden gebezigd worden, vers 3. Het zijn wijzen, het is een werk des werkmeesters, als het uit handen van de timmerman komt, moet de beeldhouwer er het zijne aan doen. Gene werden maar hier en daar met goud en zilver bedekt, deze zijn zilver en goud van boven tot beneden. En, opdat deze goden als koningen vereerd mogen worden is hemelsblauw en purper hun kleding, de kleur van de koninklijke kleding, vers 9, die onwetende vereerders aangenaam aandoet, maar de zaak niet beter maakt. Want wat is de afgod, als hij gemaakt is en wel zo goed als zij het kunnen? Hij zegt ons, vers 14 :zijn gegoten beeld is leugen, het is niet, wat het moet voorstellen, maar een groot wereldbedrog. Zij worden aangebeden als de goden, die ons adem en leven en verstand geven, terwijl zij zelf zonder leven en verstand zijn, en "er is geen geest in hen," zij zijn niet bezield, of bewoond, zoals men veronderstelt, door een "goddelijken geest of namen-godheid." Zij zijn er zover vandaan godheden te zijn, dat zij nog niet "de adem van de beesten hebben, die nederwaarts vaart in de aarde". IJdelheid zijn zij, een werk van verleidingen, vers l 5. Vraag naar hun nut en gij zult bevinden dat zij ijdelheid zijn, zij zijn nergens goed voor, er is geen hulp van hen te verwachten en geen vertrouwen in hen te stellen. "Zij zijn een bedrieglijk werk, een werk van hersenschimmen, of enkel bespotting," zo lezen sommigen dit vers. Zij misleiden hen, die op hen vertrouwen, ze maken hen bespottelijk, of liever, zij maken zichzelf bespottelijk. Vraag naar hun ontstaan en gij zult bevinden, dat zij "een werk van de verleidingen zijn," gegrond op de grofste fouten, waar ooit iemand, die aanspraak maakte op verstand, schuldig aan was. Zij zijn de schepselen van een misleide verbeelding, en de dwalingen, waarvan zij de voortbrengselen zijn, verbreiden zij onder hun vereerders.
b. Leid daar uit af, wat de afgodendienaars zijn, die deze afgoden aanbidden, vers 8. Zij zijn onvernuftig en zot. Zij, die ze maken, zijn hun gelijk, verstandeloos en dom, en er is geen geest in hen-zij gebruiken hun verstand niet, anders zouden ze niet in zulke goden geloven-geen eergevoel, anders zouden ze nooit voor hen buigen, vers 14. Iedereen, die afgoden maakt of dient, is "dierlijk geworden in zijn kennis," dat wil zeggen dierlijk om zijn gebrek aan kennis, of dierlijk daarin, waarmee men denken zou, dat ze volkomen bekend waren, vergelijk Judas 10. "Hetgeen zij natuurlijk weten" wat zij alleen weten kunnen bij het licht van de natuur, hierin verderven zij zich. Schoon zij in de werken van de schepping niets kunnen zien dan de eeuwige macht en godheid van de Schepper, zijn zij toch "verijdeld geworden in hun overleggingen, daar het hun niet goed gedacht heeft God in erkentenis te houden." Zie Romeinen 1:21, 28. Ja, terwijl zij het een wijs iets vonden aldus de goden te vermenigvuldigen, was het in werkelijkheid de grootste dwaasheid, waaraan zij zich schuldig konden maken. De wereld heeft God in de wijsheid Gods niet gekend, 1 Corinthiers.1:21, Romeinen 1:22. "Een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld, " als hij het in dwaling gemaakt heeft, wordt hij daardoor meer en meer in zijn dwaling bevestigd, hij is bedwelmd, betoverd, en kan zich aan de strik niet ontworstelen, of hij zal er zich bij gelegenheid over schamen.
2. De God van Israël is de enige levende en ware God, en die Hem tot een God hebben, behoeven zich niet tot een anderen te wenden, ja, een andere naast Hem te stellen is de grootste belediging en onrechtvaardigheid, die Hem aangedaan kan worden. Dat het huis van Israël de God van Israël aanhange, en Hem alleen diene en aanbidde, want,
A. Hij heeft Zijns gelijke niet. Wat mensen ook naast Hem mogen stellen, er is niemand met Hem te vergelijken. De profeet heeft eerst met de uiterste minachting van de heidenen gesproken (waar hij wel reden toe had) nu begint hij met het diepst en eerbiedigst ontzag van de God van Israël te spreken, vers 6, 7:"Omdat niemand U gelijk is, Heere! geen van al de helden, die de heidenen vergoden, en waar ze zoveel over te doen gehad hebben", de gestorven mensen, van wie zij dode beelden hebben gemaakt, en die zij vereerden. Sommigen werden vergood en vereerd om hun wijsheid, maar onder al de wijzen van de heidenen, de grootste wijsgeren of staatslieden, als Apollo of Hermes, is "niemand U gelijk." Anderen werden vergood en vereerd om hun heerschappij, "maar in hun gehele koninkrijk," onder al hun koningen als Saturnus en Jupiter, is niemand U gelijk. Wat is de roem van een man, die een nuttige kunst uitvindt of een bloeiend koninkrijk stichtte (en dit waren toereikende gronden onder de heidenen om iemand recht te geven op een verheerlijking) vergeleken met de heerlijkheid van Hem, die de Schepper van de wereld is, en "des mensen geest in zijn binnenste formeert?" Wat is de roem van de grootste vorst of potentaat, wiens koninkrijk over alles heerst. Hij erkent, vers 6 :O Heere, Gij zijt groot, oneindig en onmetelijk, en groot is Uw naam in mogendheid, Gij hebt alle macht en het is bekend, dat Gij ze hebt. De naam van mensen is dikwijls groter de hun macht, men houdt ze voor groter dan zij zijn, maar "Gods naam is groot" en niet groter dan Hij werkelijk is. En daarom, "wie zou u niet vrezen, Gij koning van de heidenen?" Wie zou niet verkiezen zo'n God te dienen, die alles kan, liever dan zulke dode afgoden als de heidenen aanbidden, die niets kunnen doen? Wie zou niet vrezen een God te beledigen of te verlaten, "Wiens naam zo groot is in mogendheid?" Welk volk zou Hem niet vrezen, die de Koning van de volken is, als zij hun belangen goed begrepen?
Merk op, er is een verwonderlijke gepastheid en logica in de aanbidding van God alleen. Het is gepast, dat Hij, die alleen God is, ook alleen gediend wordt, dat Hij, die de Heer van allen is, ook door allen gediend wordt, dat Hij, die groot is, grotelijks gevreesd en geprezen wordt.
B. Zijn waarachtigheid is even duidelijk als hun ijdelheid, vers 10. Zij zijn het werk van mensen handen, en daarom is niets eenvoudiger dan dat het dwaasheid is hen te aanbidden, als men dwaasheid mag noemen, wat zo'n grote oneer is voor Hem, die ons gemaakt heeft: "Maar de Heere God is de waarheid," de God van de waarheid, Hij is in waarheid God. God Jahweh is waarheid, Hij is geen namaaksel en pretendent, zoals zij zijn, maar werkelijk zoals Hij Zich geopenbaard heeft, Hij is iemand op Wien wij ons kunnen verlaten, in Wien en door Wien wij niet bedrogen kunnen worden.
a. Zie op Hem zoals Hij in Zichzelf is, en Hij is "de levende God." Hij is het leven zelf, heeft het leven in Zichzelf en is de fontein des levens voor alle schepselen. De goden van de heidenen zijn dode voorwerpen, waardeloos en onbruikbaar, maar onze God is een levend God, en heeft de onsterfelijkheid.
b. Zie op Hem, met betrekking tot Zijn schepselen, Hij is een Koning, en een absoluut monarch, over hen allen, is hun eigenaar en heerser, en heeft een onbetwistbaar recht om beide over het schepsel te bevelen en te beschikken. Als Koning beschermt Hij de schepselen, zorgt voor hun welzijn, en bewaart de vrede onder hen. "Hij is een eeuwig koning." De raadsbesluiten van Zijn koninkrijk waren van eeuwigheid en zijn voortzetting zal zijn tot in eeuwigheid. Hij is een koning van de eeuwigheid. De afgoden, die zij hun koningen noemen, zijn maar van gisteren, en zullen spoedig uitgeroeid worden, en de koningen van de aarde, die zich laten aanbidden, zullen binnenkort in `t stof liggen, maar "de Heere zal in eeuwigheid regeren, uw God, o Zion, is van geslachte tot geslachte."
C. Niemand kent de geweldigheid van Zijn toorn. Laat ons vol ontzag zijn, en het niet wagen Hem te tergen, door een ander de eer te geven, die Hem alleen toekomt, want "van Zijn verbolgenheid beeft de aarde," ook de sterkste en vermetelste van de koningen van de aarde, ja de aarde, hoe vast ook gefundeerd, doet Hij schudden, en de rotsen beven, als het Hem behaagt, Psalm 104:32, Habakuk 3:6, 10. Al verenigden de volken zich om tegen Hem te strijden, en al voegden zij hun krachten tezamen, toch zouden zij ten enenmale buiten staaf zijn Hem te weerstaan niet alleen, maar zelfs "Zijn gramschap te verdragen." Niet alleen kunnen zij er het hoofd niet aan bieden, want zij zouden overmeesterd worden, maar zij kunnen er ook niet onder bestaan, want zij zouden er onder bezwijken, Psalm 126:7, 8, Nahum 1:6.
D. Hij is de God van de natuur, de bron van al wat is, en alle machten van de natuur staan onder Zijn bevel, en tot Zijn beschikking, vers 12,13. De God, die wij aanbidden, is Hij, die de hemelen en de aarde gemaakt heeft, en souvereine heerschappij heeft over beide, zodat Zijn onzienlijke dingen openbaar en bewezen worden door de dingen die gezien worden.
a. Als wij terug zien, bevinden wij, dat de hele wereld haar oorsprong te danken heeft aan Hem als eerste oorzaak. Het was een gewoon zeggen, zelfs onder de Grieken: "Wie zichzelf tot een nieuwen God maakt, moet eerst een nieuwe wereld maken." Terwijl de heidenen goden aanbidden, die zij gemaakt hebben, aanbidden wij de God, die ons en alle dingen gemaakt heeft.
Ten eerste, de aarde is een lichaam van grote massa, heeft kostbare schatten in haar ingewanden en meer kostbare vruchten aan haar oppervlak. De een en de andere "heeft Hij gemaakt door Zijn kracht, " en het is door niets minder dan een oneindige macht, dat zij "aan een niet hangt," zoals zij doet, Job 26:7, "ponderibus librata suis-door haar eigen gewicht in evenwicht.
Ten tweede, de wereld, het bewoonbare deel van de aarde, is bewonderenswaardig geschikt voor het gebruik en de dienst van de mensen, en "Hij heeft ze zo bereid door Zijn wijsheid," zodat ze dienstbaar blijft in standvastige wisseling en toch voortdurende standvastigheid van het een geslacht tot het andere. Daarom, beide aarde en wereld zijn Zijne, Psalm 24:1. Ten derde, de hemel is wonderlijk uitgebreid door Zijn verstand tot een ongelooflijke uitgestrektheid, en door Hem worden de bewegingen van de hemellichamen bestuurd ten bate van deze lagere wereld. "Deze verkondigen Zijn eer," Psalm 19:1, en dwingen ons die te verkondigen, en ze niet te geven aan de hemelen, daar ze Hem toekomt, die hen gemaakt heeft.
b. Als wij opzien, bemerken wij, dat Zijn voorzienigheid een voortgezette schepping is, vers 13, als Hij Zijn stemme geeft (beveelt), zo is er een gedruis van wateren in de hemel, die op de aarde uitgegoten worden, `t zij tot oordeel of tot zegen, zoals Hij wil. Als Hij Zijn stem geeft in de donder, volgen er onmiddellijk donderbuien, waarbij een gedruis van wateren is, ook lezen wij van "een geruis van een overvloedigen regen," 1 Koningen 18:41. Ja, er hebben dagelijks wonderen plaats zonder geluid in het koninkrijk van de natuur. "Hij doet de dampen opklimmen van het einde van de aarde," van alle delen van de aarde, zelfs de verst verwijderde, en hoofdzakelijk van die dicht bij de zee liggen. De hele aarde betaalt haar schatting van dampen, omdat de heere aarde de zegen van de regen ontvangt. En aldus circuleert de vochtigheid van het heelal ten bate van het geheel, als het geld in een koninkrijk en het bloed in het lichaam. Die dampen brengen wonderen voort, want daaruit ontstaan de "bliksemen met de regen, en de wind, die God van tijd tot tijd doet voortkomen uit Zijn schatkameren," naar dat er aanleiding toe is, en Hij beschikt ze in de mate en voor het doel, die Hij gepast oordeelt, zoals betalingen uit de schatkist gedaan worden. Alle luchtverschijnselen zijn zozeer gereed voor Gods doeleinden dat Hij er schatten van schijnt te hebben, die onuitputtelijk zijn en waaruit ten allen tijde genomen kan worden, Psalm 135:7. God roemt in de schatten, die Hij er van heeft, Job 38:22, 23. God kan dat doen, maar welke van de afgoden van de heidenen kan desgelijks?
Merk op, er is geen soort van weer, dat ons niet een bewijs en voorbeeld levert van de wijsheid en de macht van de groten Schepper.
E. Deze God is Israëls God naar het verbond, en inderdaad het geluk van iedere Israëliet. Dat daarom het huis van Israël Hem aanhange, en Hem niet verlate om afgoden te omhelzen, want, als zij dat doen, zal hun verandering zeker ten kwade zijn, want, vers 16, "Jakobs deel is niet gelijk die, hun rotssteen is niet gelijk onze rotssteen," Deuteronomium 32:37, noch de onze als hun molshopen.
Merk op,
a. zij die de Heere tot hun God hebben, hebben een volledig en volkomen geluk in Hem. De God van Jakob is "Jakobs deel," Hij is zijn alles, en in Hem heeft hij genoeg en heeft niets anders nodig in deze noch in de toekomende wereld. In Hem hebben wij een waardig deel, Psalm 16:5.
b. Als wij een volkomen voldoening en genot in God als ons deel hebben, zal Hij een genadig behagen hebben in ons, als Zijn volk, dat Hem behoort als de "roede van Zijn erfenis" Zijn bezitting en schat, met wie Hij woont en door wie Hij gediend en geëerd wordt.
c. Het is de onuitsprekelijke troost van al het volk des Heeren, dat Hij, die hun God is, "de Formeerder is van alles", en daarom in staat is dat alles voor hen te doen, en hun dat alles te geven, wat zij nodig hebben. "Hun hulpe is in de naam des Heeren, die de hemelen de aarde gemaakt heeft." En Hij is de "Heer van de heirscharen" van alle heirscharen in de hemel en op aarde, ze staan alle onder Zijn bevel, en Hij zal ze bevelen tot de dienst van Zijn volk, als er aanleiding toe is. Dit is de naam, waarbij zij Hem kennen, waarvan zij Hem eerst de eer geven en dan zelf de troost nemen.
d. Hierin is Gods volk gelukkig boven elk ander volk, inderdaad gelukkig, "bona si sua norint- als zij hun gezegenden toestand maar kenden." De goden waarop de heidenen roemen en die ze believen, en aldus zichzelf een deel geven, zijn ijdelheid en leugen, maar "Jakobs deel is niet als die."
3. Nadat de profeet aldus de goden van de heidenen met de God van Israël vergeleken heeft (hoewel zij niet vergeleken kunnen worden), leest hij het vonnis af, het zekere vonnis, van al die pretendenten, en beveelt de Joden, in Gods naam, het voor te lezen aan de aanbidders van de afgoden, schoon ze hun heren en meesters waren, vers 11. Aldus zult gijlieden tot hen zeggen (en de God, die gij dient, zal u ondersteunen, terwijl gij het zegt): "De goden, die de hemel en de aarde niet gemaakt hebben" (en daarom geen goden zijn, maar overweldigers van de eer, die Hem alleen toekomt, die hemel en aarde gemaakt heeft) zullen vergaan, natuurlijk vergaan, omdat zij ijdelheid zijn, vergaan door Zijn rechtvaardig vonnis, omdat zij Zijn mededingers zijn. Als goden zullen zij vergaan van de aarde (zelfs al die dingen "onder op de aarde", waarvan zij goden maken) "en van onder deze hemel," zelfs al die dingen aan het firmament, onder de hoogste hemelen, die vergood worden, naar de verdeling in het tweede gebod. De woorden in het oorspronkelijke zijn niet in `t Hebreeuws, zoals al de andere, maar in `t Chaldeeuws dialekt, opdat de Joden in de gevangenschap gereed mochten zijn, als de Chaldeën hen verleidden tot afgoderij, in hun eigen taal antwoord te geven: "Dringt gij ons om uw goden te aanbidden?" Wij zullen dat nooit doen, want:
a. Het zijn nagemaakte goden, het zijn geen goden, want zij "hebben de hemel en de aarde niet gemaakt", en hebben daarin geen recht op onze hulde, ook zijn zij hun niets verschuldigd voor de voortbrengselen van de aarde noch voor de invloeden des hemels, zoals aan de God van Israël. De eerste christenen zeiden, als zij gedrongen werden zo'n god te vereren: "LaaT hem een wereld maken, en hij zal mijn god zijn." Zolang wij Hem hebben te aanbidden, die hemel en aarde gemaakt heeft, is het zeer ongerijmd om iemand anders te aanbidden.
b. Zij zijn veroordeelde godheden. Zij zullen vergaan de tijd zal komen, dat zij niet meer vereerd zullen worden, als nu, meer in vergetelheid begraven, en zij en hun vereerders zullen tezamen wegzinken. De aarde zal hen niet langer dragen, de hemel zal hen niet langer bedekken, maar beide zullen hen verlaten." Het wordt herhaald, vers 15. "Ten tijde hunner bezoeking zullen zij vergaan." Als God er toe overgaat af te rekenen met de afgodendienaars zal Hij ze moede maken van hun afgoden, en blij ze kwijt te zijn. Zij zullen ze "voor de mollen en de vledermuizen wegwerpen," Jesaja 2:20. Wat tegen God ingaat, zal ten laatste weggedaan worden.