Psalm 86:8-17
David gaat hier voort met bidden.
I. Hij geeft eer aan God, want wij behoren Hem te loven in onze gebeden, Hem toeschrijvende het koninkrijk, de kracht en de heerlijkheid in ootmoedige en eerbiedige aanbidding.
1. Als een wezen van ongeëvenaarde volkomenheid, zodat niemand is gelijk Hij, niemand bij Hem vergeleken kan worden vers 8. Onder de goden, de valse goden, die de heidenen aanbaden, de engelen, de koningen van de aarde onder die allen is niemand U gelijk, Heere niemand is zo wijs, zo machtig, zo goed, en er zijn geen gelijk Uwe werken hetgeen een onwederlegbaar bewijs is dat niemand Hem gelijk is, Zijn eigen werken loven Hem, en onze beste manier van Hem te loven is te erkennen, dat niemand Hem gelijk is.
2. Als de bron van alle bestaan en het middelpunt van alle lof, vers 9. "Al de heidenen, Heere, die Gij gemaakt hebt, allen uit een bloede hebt gemaakt, hebben hun bestaan, hun aanzijn van U, en daarom zullen zij komen, en zullen zich voor Uw aanschijn nederbuigen en Uwen naam eren." Dit werd ten dele vervuld in de menigte van proselieten tot de Joodse Godsdienst in de dagen van David en Salomo, maar zou zijn volkomen vervulling hebben in de dagen van de Messias, toen sommigen uit alle koninkrijk en volk krachtdadig toegebracht zouden worden om God te loven, Openbaring 7:9. Het was door Christus dat God alle volken gemaakt heeft, want zonder Hem is geen ding gemaakt, dat gemaakt is, en daarom zullen door Christus en door de kracht van Zijn Evangelie en genade alle volken toegebracht worden om voor Gods aangezicht te aanbidden. Jesaja 66:23.
3. Als een wezen, dat oneindig groot is, vers 10. "Alle volken zullen U aanbidden, omdat Gij als Koning van de volken groot zijt, Uwe soevereiniteit is volstrekt en onbetwistbaar, Uw majesteit ontzaglijk en ondraaglijk, Uw macht algemeen en onweerstaanbaar, Uw rijkdom groot en onuitputtelijk, Uw heerschappij grenzeloos en onbetwistbaar, en ten bewijze van dit alles doet Gij wonderwerken, welke alle volken bewonderen, en waarvan zij gemakkelijk kunnen afleiden dat Gij, alleen God zijt, dat niet slechts niemand is als Gij, maar dat er niemand is buiten U." Laat ons altijd grote gedachten koesteren van deze grote God en vervuld zijn van heilige bewondering voor die God, die wonderen doet, en laat Hem alleen ons hart hebben die alleen God is.
4. Als een wezen, dat oneindig goed is. De mens is slecht, zeer goddeloos en snood, vers 14, van hem is geen barmhartigheid te wachten, maar Gij, Heere, zijt een barmhartig en genadig God, vers 15, dit is de eigenschap, waardoor Hij Zijn naam bekend heeft gemaakt, Exodus 34:6, 7, en door welke ook wij Hem bekend moeten maken. Het is Zijn goedheid, die over al Zijn werken is en daarom moet zij door ons geprezen worden, en dit is onze troost met betrekking tot de boosheid van de wereld, waarin wij leven, dat hoe slecht deze ook zij, God toch goed is. De mensen zijn wreed, maar God is genadig, de mensen zijn vals, maar God is getrouw. God is niet alleen goedertieren, maar groot van goedertierenheid, en in Hem roemt de barmhartigheid tegen het oordeel. Hij is lankmoedig jegens ons, hoewel wij Zijn gunst verbeuren en Hem tot toorn verwekken, en Hij is groot van goedertierenheid en waarheid, even getrouw in het volbrengen als Hij vrij was in het beloven. 5. Als een liefderijke vriend en milddadige weldoener. Wij moeten God loven als goed in zichzelf, maar wij doen dit met het meeste gevoel, als wij bemerken hoe goed Hij geweest is jegens ons. Daarbij verwijlt de psalmist met het meeste welbehagen, vers 12, 13.. In vers 9 had hij gezegd: Al de heidenen, Heere, zullen zich voor Uw aanschijn nederbuigen en Uwen naam eren. Het is voor een Godvruchtige een blijdschap om te denken dat anderen God zullen loven en verheerlijken, maar het is zijn grootste zorg en zijn lieflijkst genot om dit zelf te doen, Wat anderen ook mogen doen," zegt David "Heere, mijn God, ik zal U loven, niet alleen als de Heere, maar als mijn God, en ik zal het doen met mijn gehele hart, ik zal bereid zijn om het te doen, er hartelijk in zijn, ik zal het doen met blijmoedigheid en opgewektheid, in oprechtheid Uw eer er mee op het oog hebbende, want ik zal Uwen naam eren, niet maar voor een tijd, maar in eeuwigheid. Ik zal het doen zolang als ik leef, en hoop het te doen tot in eeuwigheid." Met goede redenen besluit hij om aldus ijverig te zijn in het loven van God, daar God hem zeer bijzondere gunsten had betoond. Want Uwe goedertierenheid is groot over mij.
De bron van de genade is onuitputtelijk, de stromen van de genade zijn onnoemelijk rijk, als wij van Gods goedertierenheid jegens ons spreken, dan voegt het ons haar aldus groot te maken. Uwe goedertierenheid is groot over mij. Van de grootheid van Gods goedertierenheid geeft hij dit voorbeeld: Gij hebt mijne ziel uit het onderste des grafs uitgerukt, verlost uit de dood, uit zo grote dood, zoals Paulus 2 Corinthiers 1:10, uit de eeuwige dood, zoals zelfs sommigen van de Joodse schrijvers het verstaan David wist verdiend te hebben om vanwege zijn zonde in de zaak van Uria voor eeuwig in de diepste hel te worden geworpen, maar Nathan verzekerde hem dat "de Heere zijn zonde heeft weggenomen," en door dat woord was hij uitgerukt uit de diepste hel, en hierin was Gods goedertierenheid groot over hem. Zelfs de beste heiligen hebben het te danken niet aan hun eigen verdienste maar aan de genade van God, dat zij uit de diepste hel verlost zijn, en de gedachte daaraan behoort hun hart grotelijks te verruimen in het loven van Gods goedertierenheid, die zij verplicht zijn voor altijd te verheerlijken. Zo heerlijk, zo genadig een verlossing van eeuwige rampzaligheid, eist met volle recht de vergelding van eeuwige lof.
II. Hij bidt vuriglijk om genade en barmhartigheid van God. Hij klaagt over de rusteloze, ingewortelde boosaardigheid van zijn vijanden tegen hem, vers 14. "Heere, wees Gij voor mij, want er zijn velen tegen mij." Dan neemt hij nota van hun aard en karakter, het waren hovaardigen, die met minachting op de arme David nederzagen. (Velen worden door hun hoogmoed tot vervolgers gemaakt.) Het waren mannen des gewelds, die terecht of te onrecht zich met geweld van alles meester maakten. Het waren schrikwekkende, geduchte mannen (aldus sommigen, die alles deden wat zij konden om allen rondom hen te verschrikken. Hij neemt nota van hun aantal, er zijn vergaderingen van hen, het waren mannen, die macht hadden, in hoven en raadsvergaderingen bijeenkwamen, of mannen van veel omgang, die in clubs vergaderden. Maar, vergaderd zijnde, waren zij het meest in staat om kwaad te doen. Hij neemt nota van hun vijandschap tegen David: zij staan tegen mij op in openbare rebellie, zij komplotteren niets slechts, maar, zoveel zij kunnen, brengen zij hun komplotten ten uitvoer, en het plan is niet slechts David te onttronen, maar hem te vernietigen, zij zoeken mijn leven, willen mij doden zij zoeken mijne ziel, om mij te verdoemen, indien dit in hun macht ware."
Eindelijk. Hij neemt nota van hun vervreemding, hun verre zijn van God, dat op de bodem was van hun vijandschap tegen David. Zij stellen U niet voor hun ogen, en welk goed kan men verwachten van hen, die geen vreze Gods voor hun ogen hebben? "Heere, verschijn tegen hen, want het zijn Uw vijanden, zowel als de mijne."
Zijn beden zijn:
1. Om de werkingen van Gods genade in hem, vers 11. Hij bidt dat God hem zal geven:
a. Een verstandig hart, dat Hij hem nopens zijn plicht zal inlichten en onderwijzen," leer mij, Heere, Uwen weg, de weg, waarin Gij wilt dat ik zal wandelen. Als ik er in twijfel over ben, maak mij dan duidelijk wat ik doen moet laat mij Uwe stem horen, zeggende: Dit is de weg." Jesaja 30:21. David was wel onderwezen in de dingen Gods, en toch was hij zich bewust meerder onderricht van node te hebben en menigmaal kon hij op zijn eigen oordeel niet vertrouwen. Leer mij, Heere, Uwen weg ik zal in Uwe waarheid. wandelen. Men zou denken dat het zou wezen: Leer mij Uwe waarheid, dan zal ik in Uwen weg wandelen, maar het komt op hetzelfde neer, het is de weg van de waarheid, die God onderwijst, en die weg moeten wij kiezen in die weg moeten wij wandelen. Christus is de weg en de waarheid, en wij moeten beide van Christus leren en in Hem wandelen. Wij kunnen in Gods weg en waarheid niet wandelen, tenzij Hij ons leert, en zo wij verwachten dat Hij ons zal leren, dan moeten wij besluiten om ons door Zijn onderricht te laten leiden, Jesaja 2:3.
b. Een oprecht hart, "Verenig mijn hart tot de vreze Uws naams, maak mij oprecht in de Godsdienst, een geveinsde heeft een dubbel hart, laat het mijne eenvoudig zijn, en geheel voor God, niet verdeeld tussen Hem en de wereld, niet van Hem afdwalende." Ons hart is geneigd tot afdwalen, zijn gaven en krachten gaan uit naar duizend vreemde dingen, daarom hebben wij Gods genade van node om het te verenigen, ten einde God te dienen met alles wat in ons is, en dat alles is nog weinig genoeg om in Zijn dienst te worden gebruikt. "Laat mijn hart vast zijn voor God, bestendig en trouw naar Hem, en ijverig om Hem te dienen, dat is een verenigd hart."
2. Om de tekenen van Gods gunst jegens hem, vers 16, 17. Hij bidt hier om drie dingen.
a. Dat God van vrede en vertroosting tot hem zal spreken. "Wend U tot mij, als tot een, die Gij liefhebt, en voor wie Gij tedere vriendelijke zorg hebt. Mijn vijanden keren zich tegen mij, mijn vrienden wenden zich van mij af. Heere, wend Gij U tot mij, en ontferm U over mij, wees mij genadig, het zal een troost voor mij zijn om te weten dat Gij medelijden met mij hebt."
b. Dat God verlossing voor hem zal werken en hem in veiligheid zal stellen: "geef Uwen knecht Uwe sterkte, leg kracht in mij, opdat ik mijzelf helpe, en wend Uw sterkte voor mij aan, opdat ik verlost worde uit de handen van hen, die mijn verderf zoeken." Hij pleit op de betrekking, waarin hij tot Hem staat. "Ik ben Uw knecht, ik ben dit door geboorte, als de zoon Uwer dienstmaagd, geboren in Uw huis, en daarom zijt Gij mijn rechtmatige eigenaar en bezitter, van wie ik bescherming kan verwachten. Ik ben de Uwe, verlos mij." De kinderen van Godvruchtige ouders, die reeds vroeg de Heere waren opgedragen en toegewijd, kunnen hier bij Hem op pleiten, als zij onder de tucht komen van Zijn gezin, dan hebben zij recht op de voorrechten ervan.
c. Dat God hem eer zal aandoen. "Doe aan mij een teken ten goede, doe het blijken voor anderen, zowel als voor mijzelf, dat Gij mij goed doet, en nog meer goed voor mij bestemd hebt. Schenk mij enige ontwijfelbare, heerlijke voorbeelden van Uwe gunst jegens mij, opdat het mijne haters zien en beschaamd worden over hun vijandschap jegens mij, waartoe zij wel reden zullen hebben als zij bemerken, dat Gij, Heere, mij geholpen en getroost zult hebben, en dat zij dus gestreden hebben tegen God in hun tegenstaan van een man, die Hij erkent en zegent, en dat zij tevergeefs gepoogd hebben hem te verderven en te kwellen, die door God zelf geholpen en getroost wordt." De blijdschap van de heiligen zal de schande wezen hunner vervolgers.