Jeremia 16:14-21
Er is een vermenging van genade en oordeel in deze verzen, en het is moeilijk te weten, waarop men sommige passages er van moet toepassen, zij zijn zo dooreen gestrengeld, en sommige schijnen tot de tijd van het Evangelie vooruit te zien.
I. God zal zeker het oordeel over hen uitvoeren om hun afgoderijen. Zij moeten het verwachten, want het besluit is uitgevaardigd.
1. God ziet al hun zonden, al begaan zij die nog zo heimelijk en al bemantelen zij die nog zo listig, vers 17 :Want Mijn ogen zijn op al hun wegen. Zij hebben het oog niet op God geslagen, geven geen acht op Hem, hebben geen ontzag voor Hem, maar Hij heeft het oog op hen, zij zelf noch hun zonden "zijn verborgen voor Mijn aangezicht, voor Mijn ogen." Geen enkele zonde kan voor God verborgen worden, of zal door Hem over het hoofd worden gezien, Spreuken 5:21, Psalm 90:8, Job 34:21.
2. God is ten zeerste misnoegd, in `t bijzonder over hun afgoderijen, vers 18. Gelijk Zijn alwetendheid hen overtuigt, aldus veroordeelt hen Zijn rechtvaardigheid: "Ik zal hun ongerechtigheid en hun zonde dubbel vergelden," niet dubbel naar wat zij verdienen, maar dubbel naar wat zij verwachten en naar hetgeen Ik vroeger gedaan heb. "Ik zal ze overvloedig vergelden, nu zullen ze betalen voor het lange uitstel en hun misbruik van het goddelijk geduld". De zonde, waarover God een twisting met hen heeft is, "dat zij Mijn land ontheiligd hebben met hun afgoderijen, en niet alleen datgene vervreemd, waarop Hij een recht had als op Zijn erfenis, maar ook met de dode lichamen hunner verfoeiselen en hunner gruwelen vervuld," het land waarin Hij met vreugde woonde, als Zijn erfenis, de goden zelf, die zij dienden, en hun beelden al waren zij dan ook van goud of zilver, waren voor God even walgelijk als de vergane lijken van mensen en dieren voor ons zijn. "Afgoden zijn dode lichamen van verfoeiselen." God haat ze en dat behoren zij ook te doen. Misschien zinspeelt hij ook op de offers, die zij aan deze afgoden brachten, waarmee het land vervuld was, want zij hadden hoogten in alle hoeken en gaten. Dat was de zonde, die meer dan alle andere zonden God tegen hen deed ontsteken.
3. Hij zal instrumenten van Zijn toorn vinden en opwekken, die hen uit dit land zullen werpen, naar het vonnis, dat over hen geveld is, vers 16 :Ik zal zenden tot vele vissers en tot vele jagers -het Chaldeeuwse leger, dat vele middelen zal hebben om hen in de val te lokken en te vernietigen, door list als vissers, door geweld als jagers. Zij zullen hen vinden, waar zij ook zijn, en zullen hen jagen en van nabij achtervolgen, tot hun verderf. Zij zullen het ontdekken, waar zij ook verborgen zijn, "op iedere berg en elke heuvel, ja in de kloven van de steenrotsen, en zullen ze er uit drijven". God heeft verschillende wijzen om een volk met Zijn oordelen te vervolgen, dat voor de overtuiging van Zijn woord niet toegankelijk is. Hij beveelt over mensen, voor Zijn doel geschikt, zij zijn binnen Zijn bereik, en Hij kan tot hen zenden, als het Hem behaagt.
4. Hun slavernij in Babylon zal pijnlijker en veel smartelijker zijn dan die van Egypte, hun meesters zullen wreder zijn en hun leven meer verbitterd worden. Dat ligt in de belofte vers 14, 15, dat hun verlossing uit Babylon luisterrijker en welkomer zal zijn dan die uit Egypte. De slavernij in Egypte kwam over hen trapsgewijze en bijna onmerkbaar, die in Babylon kwam over hen plotseling en met al de verzwarende omstandigheden van de schrik. In Egypte hadden zij een eigen land Gosen, maar in Babylon niet. In Egypte werden zij gebruikt als bruikbare dienaren, in Babylon als gevangenen, die hatelijk geweest waren. 5. Zij zullen gewaarschuwd en God zal verheerlijkt worden door de oordelen, over hen gebracht. Deze oordelen spreken luide en geven:
a. Hun lering. Als God hen kastijdt leert Hij hen. Door de roede vermaant God hen, vers 20. "Zal een mens zich goden maken? Zal iemand zo totaal van gezond verstand ontbloot zijn, te denken, dat een god van zijn eigen maaksel hem enigszins helpen kan? Zult gij ooit weer zulke dwazen zijn om u goden te maken, die geen goden zijn, terwijl gij een God hebt, die gij uw God moogt noemen, die u gemaakt heeft, en Zelf de ware en levende God is?"
b. Eer aan God, want Hij zal bekend worden door de oordelen, die Hij volvoert. Hij zal eerst hun ongerechtigheid vergelden vers 18, en dan wil Hij ditmaal, vers 21- eens voor altijd, niet vele storingen van hun vrede, maar alleen deze een verwoesting en verstoring. "Op ditmaal, en niet meer, zal Ik hun Mijn hand bekend maken, de lengte en de zwaarte van Mijn straffende hand, hoever zij reikt en hoe diep zij wonden kan, en zij zullen weten, dat Mijn naam is Heere," een God, met Wien geen twisten is, die het aanzijn geeft aan dreigingen en het leven aan beloften."
II. Toch heeft Hij nog genade voor hen, waarvan hier wenken gegeven worden tot bemoediging van de profeet zelf en die weinigen onder hen, die beven voor Gods woord. Met een voorkomen van strengheid, vers 13, werd gezegd, dat God hen verbannen zou naar een vreemd land maar opdat zij daardoor niet tot wanhoop zullen gedreven worden, volgen er onmiddellijk woorden van troost.
1. De dagen komen, de blijde dagen, dat dezelfde hand, die hen verstrooide, hen weer vergaderen zal, vers 14, 15. Zij zijn uitgeworpen, maar niet verworpen. Ze zullen worden opgevoerd uit het land van het noorden, het land hunner gevangenschap, waar zij vastgehouden zijn met een sterke hand, en uit alle de landen, waarheen Hij ze gedreven had, en waar zij verloren en begraven schenen te zijn onder het volk, ja, Ik zal ze wederbrengen in hun land, en ze daar vestigen. Zoals de voorafgaande bedreigingen overeenkwamen met wat geschreven was in de wet, zo ook deze belofte. "Toch zal Ik hen niet verwerpen," Leviticus 26:44. "Vandaar zal u de Heer uw God vergaderen," Deuteronomium 30:4. En de volgende woorden kunnen opgevat worden als een belofte, God zal zenden tot jagers en vissers, de Meden en Perzen, die zullen hen weten te vinden in de landen waar zij verstrooid zijn en hen terugzenden naar hun eigen land, of wel Zerubbabel, en anderen van hun volk zouden hen uitvissen en opsporen om hen over te halen terug te keren, of welke werktuigen ook, waarvan de Geest van God zich bediende, om hun geest op te wekken om op te trekken, waarvan zij eerst afkerig waren. Zij beginnen zich te nestelen in Babylon maar "gelijk een arend zijn nest opwekt en over zijn jongen zweeft, zo deed God over hen", Deuteronomium 32:11.
2. Hun verlossing uit Babylon zou, in sommige opzichten, luisterrijker en merkwaardiger zijn dan hun verlossing uit Egypte was. Beide waren het werk des Heeren en wonderlijk in hun ogen, beide waren bewijzen, dat de Heere leeft, en moesten in eeuwige gedachtenis gehouden worden, tot Zijn eer, als van de levende God, maar de nieuwe genade zal zo verrassend en zo welkom zijn, dat zij zelfs de herinnering aan de vroegere zal uitwissen. Niet, dat nieuwe gunsten ons niet aan de vroegere moeten herinneren, en ons aanleiding moeten geven onze denk daarover te vernieuwen, maar toch, omdat wij geneigd zijn te denken, dat de vroegere tijd beter was dan de tegenwoordige, en te vragen: "Waar zijn alle Zijn wonderen, die onze vaders ons verteld hebben? alsof Gods arm verkort was," en de eeuw van de wonderen te verheffen boven latere eeuwen, waarin genadegaven gewrocht worden op de weg van de gewone voorzienigheid, daarom is het ons hier toegestaan, de opvoering van Israël uit Egypte, vergelijkenderwijs te vergeten als een verlossing, door die uit Babylon verre overtroffen. "Gene werd gebracht met kracht en sterkte, deze door de Geest van de Heere van de heirscharen", Zacheria 4:6. In deze was meer vergevende genade (de heerlijkste tak van de goddelijke genade) dan in gene, want hun gevangenschap in Babylon was meer de bestraffing hunner zonde dar, de slavernij in Egypte, en daarom is de troost van Zion in haar verlossing uit Babylon dit, "dat haar ongerechtigheid vergeven" is, Jesaja 40:2. God verheerlijkt Zichzelf en wij moeten Hem verheerlijken, in die genadegaven, die geen wonderen zijn, zo goed als in die het wel zijn. En ofschoon de gunsten van God aan onze vaders niet moeten vergeten worden, toch moeten wij in `t bijzonder dank zeggen voor die onszelf bewezen zijn in onze dagen.
3. Hun verlossing uit de gevangenschap zal vergezeld gaan van een gezegende hervorming, en als zij terugkeren zullen zij daadwerkelijk genezen zijn van hun neiging tot afgoderij, `t welk hun verlossing zal voltooien en ze werkelijk tot een genade maken zal. Zij hadden hun eigen land vervuld van verfoeiselen, vers 8. Maar als zij daarvoor geleden hebben, zullen zij zich voor God komen vernederen, vers 19-21. Zij zullen tot de erkentenis gebracht worden, dat alleen hun God werkelijk God is, want Hij is een God in nood. -"Een toevlucht, om mij te steunen en te troosten, en sterkte om mij schuilplaats en dekking te geven, en een hulpe in benauwdheden." De nood drijft menigeen tot God, die zich eerst van God verwijderd had. Die Hem veronachtzaamden ten dage van hun voorspoed, zullen blij zijn tot Hem te kunnen vlieden ten dage van hun beproeving.
a. Hun terugkeer tot Hem zal verhaast worden door de bekering van de heidenen. "Tot u zullen de heidenen komen van de einden van de aarde, en zullen wij dan niet komen?" Of ook: "De Joden, die door hun afgoderijen zichzelf tot heidenen hadden gemaakt (zo versta ik het liever), zullen tot U komen met berouw en bekering, zij zullen tot plicht en eed terugkeren, zelfs "van de einden van de aarde, van alle de landen waarheen ze gedreven waren." De profeet troost zich met de hoop hierop en beantwoordt in een vervoering van vreugde de kennisgeving, die God hun gedaan had. "0 Heere, gij zijt mijn sterkte en mijn sterkheid, nu ben ik gerust, sinds Gij mij het vooruitzicht hebt gegeven van menigten, die tot U zullen komen van de einde van de aarde, van beide, bekeerde Joden en heidense proselieten." Die zelf tot God gebracht zijn, kunnen niet anders dan zich grotelijks verheugen, als zij anderen tot Hem zien komen, en terugkomen.
b. Zij zullen de dwaasheid hunner vaderen erkennen, wat hun ook past, daar zij leden onder de zonden hunner vaderen. "Immers hebben onze vaders erfelijk bezeten, niet de voldoening, die zij zichzelf en hun kinderen beloofden, maar leugen en ijdelheid, waarin toch niets was, dat nut deed. Wij weten nu, dat onze vaders zich bedrogen met hun afgodendienst, hij gaf niet wat hij beloofde, en daarom wat hebben wij er nog mee van doen?" Het ware te wensen, dat de teleurstelling, die sommigen in de dienst van de zonde ondervonden hebben, en de verderfelijke gevolgen er van voor hen, de uitwerking hadden om anderen af te schrikken van in hun voetstappen te treden.
c. Zij zullen zichzelf overreden om de afgoderij te laten varen, en die verbetering zal waarschijnlijk oprecht en duurzaam zijn als het gevolg van een verstandelijke overtuiging van de grove ongerijmdheid van de zonde. Zij zullen aldus tot zichzelf redeneren (en dat is goed geredeneerd): Zal een mens zo'n dwaas, zo totaal verstoken zijn van menselijk verstand, om zichzelf goden te maken, de schepsels van zijn eigen verbeelding, het werk van zijn handen, zij zijn toch geen Goden? vers 20. Kan iemand zo verdwaasd zijn, zo volkomen afgedwaald van menselijke begrippen, dat hij goddelijke zegen of gunst verwacht van wat geen aanspraak maakt op goddelijkheid dan wat het eerst van hem ontving?
d. Hierin zullen zij Gode de eer geven, en laten blijken, dat zij beide, Zijn hand in Zijn voorzienigheid en Zijn naam in Zijn woord kennen, en dat zij tot de kennis van Zijn naam gebracht zijn door wat Zijn hand hun heeft doen ondervinden, vers 21. Op ditmaal, nu ten laatste zal men hun doen kennen wat zij niet wilden leren kennen, ondanks alle moeite, die de profeten zich voor hen getroostten. Zo stompzinnig zijn wij, dat niets minder dan de machtige hand van de goddelijke genade, bij ondervinding ons bekend, ons de naam van God recht kan leren, zoals ons die geopenbaard is.
4. Hun verlossing uit de gevangenschap zal voorbeeld en symbool zijn van de grote verlossing, gewrocht door de Messias, die de verstrooide kinderen Gods bijeen vergaderen zal. En dat is het, wat de verlossing uit Egypte zozeer overschittert, dat de glans van deze er door verduisterd wordt, en zelfs vergeten. "Hierop maken sommigen van toepassing wat er staat van vele jagers en vissers, de predikers van het Evangelie, die vissers van de mensen waren, namelijk om zielen te vangen met het Evangelie om ze uit te vinden, van op alle bergen en van op elke heuvel, en hen voor Christus te winnen. Dan kwamen ook de heidenen tot God, sommigen van de einden van de aarde," en bekeerden zich van de dienst van de stomme afgoden tot Zijn dienst.