Romeinen 1:19-32
In dit laatste gedeelte van het hoofdstuk past de apostel hetgeen hij gezegd heeft in het bijzonder toe op de heidenwereld, waarbij wij dit opmerken:
I. De middelen en hulpmiddelen, die zij bezaten om tot de kennis van God te komen. Ofschoon zij niet de kennis der wet hadden, die Jakob en Israël bezaten, Psalm 147:20, toch heeft Hij zich aan hen niet onbetuigd gelaten, Handelingen 14:17, opdat zij Hem zouden kennen, vers 19, 20. Merk op:
1. Welke mededelingen zij hadden: Hetgeen van God kennelijk is, dat is in hen openbaar, dat is: er waren zelfs onder hen enigen die de kennis van God hadden, die overtuigd waren van het bestaan van een hoogste Wezen. De wijsbegeerte van Pythagoras, Plato en de Stoïcijnen ontdekte een groot deel van de kennis Gods, zoals overvloedig uit hun geschriften blijkt. Hetgeen kennelijk is, daarmee wordt aangeduid dat er veel is wat wij niet kennen. Het bestaan Gods kan aangenomen worden, maar het kan niet worden begrepen. Door onderzoek kunnen wij Hem niet uitvinden, Job 11:7-9. Het eindige verstand kan een oneindig Wezen niet volkomen kennen, maar, geloofd zij God, er is veel dat gekend worden kan, genoeg om ons tot ons einddoel te geleiden, dat is de verheerlijking en het genieten van Hem, en deze geopenbaarde dingen zijn voor ons en voor onze kinderen, terwijl de verborgen dingen niet nagespeurd mogen worden, Deuteronomium 29:29.
2. Vanwaar zij deze ontdekkingen hadden: God heeft het hun geopenbaard. Deze algemene natuurlijke indrukken, welke zij omtrent God hadden, waren van nature door God zelven in hun harten geplant, want Hij is de Vader der lichten. Het gevoel van een godheid en de eerbied voor een godheid zijn zo diep in de menselijke natuur geworteld, dat sommigen menen, dat dit gevoel veel meer dan de rede den mens van het beest onderscheidt.
3. Door welke wegen en middelen deze onthullingen en denkbeelden, welke zij hadden, werden verbeterd en bevestigd: namelijk door het werk der schepping, vers 20. Want zijne onzienlijke dingen worden, enz.
A. Merk op hetgeen zij kenden. Zijn onzienlijke dingen, beiden zijn eeuwige kracht en goddelijkheid. Ofschoon God nooit een voor de zinnen waarneembaar voorwerp zijn kan, heeft Hij toch zich zelven ontdekt en kenbaar gemaakt door zinnelijke dingen. De kracht en de goddelijkheid van God zijn onzienlijke dingen, en toch worden zij klaarlijk gezien in hun werkingen. Hij werkt in het verborgene Job 23:8, 9, Psalm 139:15, Prediker 11:5, maar openbaart hetgeen Hij wrocht en maakt daarin Zijn kracht en goddelijkheid kenbaar, evenals andere van Zijn eigenschappen, welke het natuurlijk verstand bevat in het denkbeeld van een God. Door het natuurlijk licht konden zij niet komen tot de kennis van de drie personen in de Godheid, ofschoon sommigen menen dat ze daarvan sporen ontdekken in de geschriften van Plato, maar zij kwamen tot de kennis van de Godheid, voor zoveel die nodig was om hen terug te houden van afgoderij. En die kennis was de waarheid, welke zij in ongerechtigheid ten onder hielden.
B. Hoe zij die kenden: Uit de schepselen. Deze konden niet zich zelven gemaakt hebben, evenmin konden ze door toevallige omstandigheden in zulke heerlijke orde en harmonie geplaatst zijn, er moest dus een eerste oorzaak of verstandige schepper bestaan, en die eerste oorzaak kon niets of niemand anders zijn dan een eeuwige almachtige God, Psalm 19:1, Jesaja 40:26, Handelingen 17:24. De werker wordt uit zijn werken gekend. De verscheidenheid, menigvuldigheid, rangschikking, schoonheid, overeenstemming, verschillende natuur en buitengemene kunstigheid van de schepselen, hun bestemming voor bepaalde doeleinden, en de samenwerking van al de delen voor het welzijn en de schoonheid van het geheel, geven overvloedig bewijzen voor het bestaan van een Schepper en van zijn eeuwige kracht en goddelijkheid. Alzo scheen het licht in de duisternis. En zulks van de schepping der wereld aan. Daarvan kan de bedoeling tweeledig zijn.
a. Die schepping is het middel waardoor deze kennis tot hen komen kon. Om deze waarheid te erkennen, hebben wij de hulp van het werk der schepping. Sommigen menen dat deze ktisis kosmoe, dit schepsel der wereld (zo kan men ook lezen) den mens bedoelt, de ktisis kat'exo chên het merkwaardigste schepsel van de lagere wereld, die in Markus 16:15 ktisis genoemd wordt. De vorm en de samenstelling van het menselijk lichaam, en vooral de heerlijke krachten, bekwaamheden en eigenschappen van den menselijken geest, bewijzen overvloedig dat er een Schepper is, en dat deze God is. Of:
b. Het ziet op het tijdstip der schepping als tijdstip van het ontstaan dier kennis. Zij is zo oud als de schepping der wereld. In dezen zin wordt apo ktiseoos kosmoe gewoonlijk in de Schrift gebruikt. Deze mededelingen betreffende God zijn geen nieuwe ontdekkingen, later opgedaan, maar oude waarheden, die van den beginne bestonden. De weg der kennis van God is een goede oude weg, hij bestond van den beginne. De waarheid is ouder dan de dwaling.
II. Hun grove afgoderij, niettegenstaande God zich op die wijze aan hen kenbaar gemaakt had, wordt hier beschreven vers 21-23, 25. Wij zullen ons niet grotelijks verwonderen over het onvoldoende van deze natuurlijke ontdekkingen om de afgoderij te voorkomen bij de heidenen, wanneer wij ons herinneren hoe geneigd de Joden, die het licht van de Schrift hadden om hen te leiden, tot afgoderij waren, zo ellendig zijn de ontaarde zonen der mensen verward in de strikken der zinnelijkheid. Merk op:
1. De inwendige oorzaak van hun afgoderij, vers 21, 22. Zij zijn daarom zonder verontschuldiging door hetgeen zij van God kenden, en hetgeen zij kenden had hen gemakkelijk kunnen overtuigen dat het hun plicht was Hem en Hem alleen te aanbidden. Ofschoon sommigen groter licht en meer middelen voor kennis hadden dan anderen, hadden zij toch allen genoeg om alle verontschuldiging af te snijden. Maar hun misdaad was:
A. Zij hebben Hem niet als God verheerlijkt. Hun genegenheid jegens Hem, hun eerbied en aanbidding voor Hem hielden geen gelijken tred met hun kennis van Hem. Hem als God verheerlijken is Hem alleen verheerlijken, er kan slechts een Oneindige zijn, maar zij verheerlijkten Hem als zodanig niet, want zij hadden een ontelbare menigte van andere goden. Hem als God verheerlijken is Hem aanbidden met geestelijke aanbidding, maar zij maakten afbeeldingen van Hem. God niet als God verheerlijken is eigenlijk Hem in `t geheel niet verheerlijken, want Hem voor een schepsel houden is niet Hem verheerlijken, maar Hem onteren.
B. Ook hebben zij Hem niet gedankt. Zij waren niet dankbaar voor de gunsten in het algemeen, die zij van God ontvingen (ongevoeligheid voor Gods barmhartigheden ligt op den bodem van al onze zondige afwijkingen van Hem), en zij waren in het bijzonder niet dankbaar voor de kennis, die het Gode behaagde hun van zich zelven te geven. Zij die de middelen van kennis en genade niet aanwenden, worden terecht ondankbaren genoemd.
C. Maar zij zijn verijdeld geworden in hun overlegging, en tois dialogismois, in hun redeneringen, in hun praktische gevolgtrekkingen. Zij hadden veel kennis van algemene waarheden, vers 19, maar geen doorzicht om die op bijzondere gevallen toe te passen. Of, in hun begrippen van God, van de schepping der wereld, van den oorsprong van het menselijk geslacht en van het hoogste goed, weken zij spoedig van de eenvoudige waarheid af en verloren zich in duizenden ijdele en dwaze wanbegrippen. De verschillende meningen en onderstellingen van de talrijke sekten van wijsgeren omtrent deze dingen waren evenveel dwaze inbeeldingen. Wanneer de waarheid verzaakt wordt, vermenigvuldigen de dwalingen zich tot in het oneindige.
D. En hun onverstandig hart is verduisterd geworden. Het onverstand en de praktische boosheid van hun hart omwolkten en verduisterden hun verstandelijke begaafdheden en vermogens. Niets draagt meer bij tot de verblinding en ver- stomping van het verstand dan de verdorvenheid en ontreiniging van den wil en de genegenheden.
E. Zich uitgevende voor wijzen, zijn zij dwaas geworden, vers 22. Dat is een treurig getuigenis voor de wijsgeren, die voorwendden en beleden de wijsheid te bezitten. Zij die de weelderigste voorstellingen van God maakten naar hun eigen bedenksels, vervielen in de grofste en onzinnigste karikaturen, dat was de rechtvaardige straf voor hun hoogmoed en zelfvoldaanheid. Men heeft opgemerkt dat de meest ontwikkelde volken, die het grootste vertoon van wijsheid maakten, in godsdienstig opzicht de verst gevorderde dwazen waren. De barbaren aanbaden de zon en de maan, dat was nog de verhevenste afgoderij van alle, terwijl de geleerde Egyptenaren den os en den kat vereerden. De Grieken, die in wijsheid uitmuntten, aanbaden ziekten en menselijke hartstochten. De Romeinen, de verstandigsten van allen, aanbaden de furiën. En in onze dagen vereren de onwetende Indianen den donder, en de ontwikkelde Chinezen den duivel. De wereld kent God dus niet door de wijsheid, 1 Corinthiërs 1:21. De trotse inbeelding van wijsheid is de oorzaak van veel dwaasheid. Wij lezen slechts van weinig wijsgeren dat ze tot het Christendom bekeerd werden, en nergens werd de prediking van Paulus zo bespot en belachelijk gemaakt als door de geleerde Atheners. Handelingen 17:13-32. Phaskontes einai. Zich uitgevende voor wijzen. De eenvoudige waarheid van het bestaan van God stelde hen niet tevreden, zij achtten zich daarboven verheven en vervielen daardoor in de ergerlijkste dwalingen.
2. De uitwendige daden van hun afgoderij, vers 23-25.
A. Zij maakten afbeeldingen van God, vers 23, waardoor zij, zoveel in hen was, de heerlijkheid des onverderflijken Gods veranderden. (Verg. Psalm 106:20, Jeremia 2:11.) Zij kenden goddelijkheid toe aan de meest-verachtelijke schepselen, en vertegenwoordigden daardoor God. Het was de grootste eer, die God den mens aandeed, dat Hij hem schiep naar Zijn beeld, maar het is de grootste oneer, die de mens God aangedaan heeft, dat hij zich God vormde naar het beeld van den mens. Dit was het juist waartegen God de Joden zo ernstig gewaarschuwd had, Deuteronomium 4:15 en v.v. De apostel toont de dwaasheid daarvan aan in zijn rede te Athene. Handelingen 17:29. Verg. Jesaja 40:18 en v.v., 44:10 en v.v. Dit wordt genoemd, vers 25, de waarheid Gods veranderen in de leugen. Gelijk het Zijn heerlijkheid onteerde, zo deed het Zijn wezen onrecht en stelde dat verkeerd voor. Afgoden worden leugens genoemd, want zij beliegen God, alsof Hij een lichaam had, terwijl Hij een geest is. Jeremia 23:14, Hosea 7:1. Leugenleraars. Habakuk 2:18.
B. Zij geven goddelijke eer aan het schepsel.
Zij hebben het schepsel geëerd en gediend, para ton ktisanta, boven den Schepper. Zij erkenden in hun belijdenis een verhevensten Naam, maar in hun daden onteerden zij dien door de aanbidding, welke zij het schepsel brachten, want God wil alles of niets zijn. Of: naast den Schepper. Zij brachten hun verering aan allerlei mindere godheden: sterren, helden, duivelen, omdat zij God voor onbereikbaar en boven hun verering verheven waanden. De zonde zelf was, dat zij enig schepsel vereerden, maar het wordt als een verergering van hun zonde genoemd, dat zij het schepsel boven den Schepper vereerden. Het was de algemene boosheid van de heidenwereld, en werd in hun wetten en regering opgenomen, zodat zelfs de wijzen onder hen, die een oppersten God kenden en erkenden, en overtuigd waren van het dwaze en onzinnige van veelgodendom en afgoderij, evenzo handelden als hun medeburgers. Seneca komt in zijn boek over het bijgeloof-nadat hij in den brede de grote dwaasheid en oneerbiedigheid van den heidensen godsdienst aangetoond heeft-tot dit besluit: Dit alles zal de wijze beschouwen als een instelling van de wet, en niet als den goden aangenaam. En verder: Geheel dit onwaardig gezelschap van goden, dat het oude bijgeloof door langdurige werving bijeengegaard heeft, moeten wij niet anders vereren dan met de gedachte dat hun aanbidding slechts een aanwendsel is en geen werkelijkheid in zich zelve. Terecht merkt Augustinus daarbij op: Hij aanbad dus hetgeen hij veroordeelde, hij deed wat hij zelf bewees slecht te zijn, en hij vereerde hetgeen hij zelf afkeurde. Ik deel dit zo uitvoerig mede omdat het zo volkomen toelicht wat de apostel bedoelt met de woorden: De waarheid ten onder houden in ongerechtigheid. Het is opmerkelijk dat de apostel op de vermelding van de ontering, God door de afgoderij der heidenen aangedaan, midden in zijn betoog, een eerbiedige lofverheffing van God volgen laat: die te prijzen is in der eeuwigheid. Amen. Wanneer wij zien of horen dat enige smaadheid op den naam van God geworpen wordt, dan moeten wij daaruit gelegenheid nemen om hoog en eerbiedend van Hem te denken en te spreken. Ook hierin, gelijk in alle andere dingen, moeten wij des te beter zijn naarmate de anderen slechter zijn.
Te prijzen tot in eeuwigheid, niettegenstaande deze oneer Zijn naam aangedaan, ofschoon er zulke zijn die Hem niet verheerlijken, toch is Hij verheerlijkt en zal in eeuwigheid geprezen worden.
III. De oordelen Gods over hen om deze afgoderij, niet verscheidene tijdelijke oordelen (de afgodische volken waren de overwinnende en alles-beheersende volken), maar geestelijke oordelen, het overlaten van hen aan de meest beestachtige en tegennatuurlijke lusten. Paredooken autoes, Hij heeft hen overgegeven, dat wordt hier driemaal gezegd, vers 24, 26, 28. Geestelijke oordelen zijn van alle oordelen de verschrikkelijkste en het meest te vrezen. Merk op:
1. Door wie zij overgegeven werden. God heeft hen overgegeven, in den weg van rechtvaardig oordeel, en als rechtvaardige straf voor hun afgoderij. Hij nam den breidel van terughoudende genade weg, liet hen aan hen zelven over, liet hen alleen, want Zijn genade is vrij, Hij is niemand iets schuldig, Hij kan Zijne genade naar welgevallen geven of onthouden. De geleerden mogen redetwisten over de vraag of dit "Hij heeft hen overgegeven" doelt op een bepaalde handeling Gods dan wel alleen op onthouding van genade, maar in elk geval zijn wij er zeker van dat het niets vreemds in God is zo Hij mensen overlaat aan de begeerte van hun eigen harten, zo Hij hen ten prooi laat aan sterke begoochelingen, zo Hij den Satan tegen hen loslaat, ja hun stenen des aanstoots voorwerpt. En toch is God niet de bewerker der zonden, maar ook hierin oneindig rechtvaardig en heilig, want ofschoon de grootste goddeloosheid volgt op dit overgegeven worden, ligt de schuld daarvan geheel in het boze hart van den zondaar. Indien de lijder eigenzinnig is, zich niet aan de voorgeschreven geneeswijze wil onderwerpen, maar met opzet alles doet wat gevaarlijk voor hem is, dan treft den geneesheer geen verwijt indien deze hem in levensgevaarlijken toestand achterlaat. En dan zijn al de noodlottige verschijnselen, die daarop volgen, niet veroorzaakt door den geneesheer, maar door de ziekte zelf en door de dwaasheid en weerspannigheid van den lijder.
2. Waaraan zij overgegeven werden.
A. Aan onzedelijkheid en oneerlijke bewegingen, vers 24-26, 27. Zij die geen acht geven wilden op het reiner en edeler schijnsel van het licht der rede, dat strekt om de ere Gods te bewaren, kwamen rechtvaardig er toe om de meer gewone en natuurlijke gevoelens te verkrachten, die de eer van de menselijke natuur beschermen. De mens die in waarde is en weigert den God te kennen, die hem geschapen heeft, wordt daardoor erger dan de beesten die vergaan, Psalm 49:21. De toelating Gods wordt de straf voor den overtreder, maar het is, zoals hier gezegd wordt door de begeerlijkheden hunner harten, daarin alleen ligt de oorzaak. Zij die Gods eer roven worden er aan overgegeven om zich zelven te onteren. Iemand kan aan geen zwaarder slavernij overgegeven worden dan aan de heerschappij zijner eigen begeerlijkheden. Dezulken zijn als de Egyptenaren, Jesaja 19:4, gegeven in de handen van harde heren. De bijzondere openbaringen van hun onreinheid en oneerlijke bewegingen zijn hun tegennatuurlijke lusten, door welke velen onder de heidenen, zelfs van hen die om hun wijsheid bekend waren, als Solon en Zeno, zich berucht gemaakt hebben, lusten tegen de eenvoudigste en meest vanzelf sprekende voorschriften van de natuurlijke rede. De schreeuwende ongerechtigheid van Sodom en Gomorrah, om welke God vuur van den hemel op de bewoners dier steden liet regenen, werd onder de heidense volken niet slechts algemeen toegepast, maar zelfs openlijk erkend. Waarschijnlijk noemt de apostel hier bepaald de afschuwelijke daden, die bedreven werden in de verering van hun afgoden, waarbij de ergste onzedelijkheid gepleegd werd als eredienst, een mesthoop-verheerlijking voor goden van den mesthoop, de onreine geesten genoten onder zulke handelingen. In de kerk van Rome, waar de heidense afgoderij is herleefd, beelden worden vereerd, en alleen in de plaats van duivelen de heiligen zijn gesteld, horen wij van dezelfde gruwelen, die daar voortgang maken, door den paus vergund worden (zie Fox. Acts and Monuments I: 308) en niet alleen algemeen gepleegd worden, maar ook goedgekeurd en bepleit door sommige hunner kardinalen, dezelfde geestelijke plagen voor dezelfde geestelijke boosheid. Ziehier hoeveel ongerechtigheid in de menselijke natuur zetelt. Hoe afschuwelijk en onrein is de mens! o Heere! wat is de mens! zegt David, welk een ellendig schepsel, wanneer hij aan zich zelven overgelaten wordt. Hoe veel zijn wij dan verschuldigd aan de weerhoudende genade Gods, omdat Hij iets van de eer en de waardigheid der menselijke natuur heeft willen bewaren. Want indien dat niet zo ware, dan zou de mens, die een weinig minder dan de engelen gemaakt was, zich zelven veel minder dan de duivelen gemaakt hebben. Dit wordt genoemd de vergelding van hun dwaling, die daarbij behoorde. De Rechter der ganse aarde doet recht, en neemt bij elke zonde in acht welke straf er bij behoort.
B. Aan een verkeerden zin in deze afschuwelijkheden, vers 28. a. Zij hielden God niet in erkentenis. De blindheid van hun verstand werd veroorzaakt door de opzettelijke tegenzin van hun wil en genegenheden. Zij hielden God niet in erkentenis omdat zij het niet wilden doen. Zij wilden niets anders erkennen en doen dan hetgeen hen zelven behaagde. Dat is juist de gesteldheid van vleselijke harten, zelfbehagen is hun hoogste doel. Er zijn velen die kennis van God hebben, zo helder straalt het licht hun in de ogen zonder dat zij er iets tegen doen kunnen, maar zij willen Hem niet in erkentenis houden. Zij zeggen tot den Almachtige: Wijk van ons, Job 21:14, en zij houden daarom niet God in erkentenis, omdat zulks hen dwarsboomt en tegenspreekt in hun lusten. In erkentenis, en epignoosei. Er is onderscheid tussen gnosis en epignoosis, de kennis en de erkentenis van God, de heidenen kenden God. maar zij erkenden Hem niet omdat zij niet wilden.
b. Overeenkomstig hun eigen wil om de waarheid te verloochenen, gaf God hen over aan een begeerte naar de grofste zonden, hetgeen hier genoemd wordt een verkeerden zin, eis adokimon noen, een zin ontledigd van alle gevoel en oordeel om de dingen die verschillen te kunnen onderscheiden, zodat zij in geestelijk opzicht niet wisten wat hun rechter- of hun linkerhand was. Zie waarheen de zonde ten slotte leidt en in welk een maalstroom zij den zondaar werpt, daarheen is rechtstreeks de richting van vleselijke begeerlijkheden. Ogen vol van overspel kunnen niet ophouden te zondigen, 2 Pet. 2:14. Deze verkeerde zin was een blind, toegeschroeid, gevoelloos geworden geweten, Efeze 4:19. Wanneer evenwel het oordeel uitgesproken is dat overgeeft om te zondigen, dan is de zondaar in het voorportaal der hel. Eerst verhardde Farao zijn hart zelf, maar daarna verstokte God Farao's hart. De opzettelijke verharding wordt rechtvaardig gestraft met gerechtelijke verharding.
Om te doen dingen, die niet betamen. Deze uitspraak kan schijnen een minder groot kwaad te bedoelen, maar zij is hier de aanwijzing van de grofste afwijkingen, dingen die niet den mensen voegen, maar ingaan tegen het licht der rede zelf. En nu noemt hij een zwarte lijst van die onbetamelijke dingen op, waaraan de heidenen schuldig stonden, toen ze overgeleverd waren aan een verkeerden zin. Geen boosheid is zo weerzinwekkend, zo ingaand tegen het licht der rede, tegen de wetten van alle volken, tegen de belangen van de gehele mensheid, of een verkeerde zin zal er zich aan overgeven. Uit de geschiedverhalen van dien tijd, voornamelijk de mededelingen die wij hebben omtrent de op den voorgrond tredende gezindheden en praktijken van de Romeinen nadat de deugden van het ondergegane gemenebest zo ontaard waren, blijkt dat de hier genoemde zonden toen en daar heersende volkszonden waren. Niet minder dan drie en twintig verschillende zonden en zondaren worden hier afzonderlijk opgenoemd, vers 29-31. Hier is de troon des Satans, zijn naam is Legio, want zij zijn vele. Het was tijd dat het Evangelie onder hen gepredikt werd, want de wereld had de grootste behoefte aan hervorming.
Ten eerste: zonden tegen de eerste tafel der wet. Haters Gods. Hier is de duivel zonder vermomming, Hier is de zonde zonde. Kan men zich voorstellen dat redelijke schepselen de oorzaak van hun bestaan verafschuwen? En toch is dat het geval. Elke zonde heeft haat tegen God in zich, maar sommige zondaren zijn veel meer openlijk en gezworen vijanden van Hem dan andere, Ezechiël 10:8.
Smaders en hovaardigen komen God zelf te na, en zetten hun kronen, die ze voor Zijn troon moesten werpen, op hun eigen hoofden. Ten tweede: zonden tegen de tweede tafel der wet. Deze worden meer bepaald opgenoemd: omdat zij over deze dingen klaarder licht hadden. In het algemeen worden zij beschuldigd te zijn vervuld met alle ongerechtigheid. Dat wordt voorop gesteld, omdat alle zonde ongerechtigheid is, zij is terughouden van hetgeen verschuldigd is, verdraaien van hetgeen recht is. Het zijn voornamelijk de zonden tegen de tweede tafel der wet, het doen van hetgeen wij niet willen dat ons gedaan zal worden. Tegen het vijfde gebod: Den ouderen ongehoorzaam en zonder natuurlijke liefde, astorgoes, dat is: onvriendelijk jegens de ouders en wreed voor de kinderen. Die ter ener zijde zijn plicht verzaakt, komt gewoonlijk ook aan andere zijde er in tekort. Ongehoorzame kinderen worden rechtvaardig gestraft met onnatuurlijke ouders, en aan den anderen kant: onnatuurlijke ouders met ongehoorzame kinderen. Tegen het zesde gebod. Boosheid, het kwade bedrijven omdat het kwaad is, kwaadheid, vol van nijdigheid, moord, twist, eridos: naijver, bedrog, kwaadaardigheid, onverzoenlijken, onbarmhartigen, alle uitdrukkingen van broederhaat, welke is moord in beginsel. Tegen het zevende gebod: Hoererij, hij noemt hier geen verdere bijzonderheden, omdat in de vorige verzen over allerlei onzedelijkheid gesproken is. Tegen het achtste gebod: ongerechtigheid en gierigheid. Tegen het negende gebod: bedriegers, oorblazers, achterklappers, verbondbrekers, leugenaars en meinedigen. Nu worden twee zonden in het algemeen genoemd, die tevoren niet vermeld zijn: vinders van kwade dingen en onverstandigen, verstandig om kwaad te doen, maar geen kennis hebbende om goed te handelen. De meer-besliste en welberaden zondaren vinden kwade dingen uit, des te groter is hun zonde, en toch zijn zij onverstandig, grote dwazen, in de dingen Gods. Hier is genoeg om ons allen te verootmoedigen in het gevoel van onze natuurlijke verdorvenheid, want elk hart heeft van nature het zaad en den aanleg voor al deze zonden in zich. Ten slotte vermeldt hij de verzwaring van deze zonden vers 32.
1. Zij weten het recht Gods, dat is:
A. Zij kennen de wet. Het recht Gods is datgene wat Zijn gerechtigheid eist, hetgeen Hij oordeelt dat geschieden moet omdat Hij rechtvaardig is.
B. Zij kennen de straf, hier wordt verklaard: Zij weten dat degenen die zulke dingen doen, des doods waardig zijn, den eeuwigen dood waardig, hun eigen geweten kan niet anders dan hen daarvan overtuigen, en toch wagen zij het er op. Het is een grote verzwaring van de zonde, wanneer zij tegen de kennis in bedreven wordt, Jakobus 4:17, voornamelijk tegen de kennis van het oordeel Gods. Dat is niet anders dan tegen de scherpte van het zwaard inlopen. Dat vereist een hart, verstijfd in de zonde en zeer vast besloten om te zondigen.
2. Zij doen ze niet alleen, maar hebben ook een welgevallen in degenen die ze doen. Het geweld van een of andere verzoeking kan iemand brengen tot het bedrijven van enige zonde, waarin de opgewekte begeerte lust gevoelt: maar vermaak hebben in de zonden, die anderen bedrijven, is de zonde liefhebben om haars zelfs wil, het is opzettelijk deelnemen aan het koninkrijk en de belangen des Satans, suneu clokoesi. Zij bedrijven niet alleen de zonde, maar zij verdedigen en rechtvaardigen haar, en moedigen anderen aan om haar te begaan. Onze eigen zonden worden zeer verzwaard door onze mededinging met en ons welgevallen aan de zonden van anderen. Vat nu dit alles samen en oordeel dan of de heidenwereld, liggende onder zoveel schuld, voor God gerechtvaardigd worden kon door haar eigen werken.