2. a) En wandel tevens in de liefde, die zichzelf verloochent en opoffert, b) zoals ook Christus ons (volgens betere lezing "u lief gehad heeft, c) en Zichzelf voor ons (
Galaten 2:20) heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer (
Hebreeën 10:5, b) voor God tot een welriekende reuk, zoals ook in het Oude Testament de offers worden voorgesteld (
Leviticus 1:9,
13,
17 enz.), die uitdrukking daar slechts op voorafbeeldende manier waarheid bevat, terwijl het hier onmiddellijk zo is.
a) Johannes 13:34; 15:12. 1 Thessalonicenzen 4:9. 1 Johannes 3:23; 4:21. b) Titus 2:14. 1 Petrus 3:18. c) Hebreeën 8:3; 9:14.
Het woord "voor God een liefelijke reuk" heeft Paulus uit het Oude Testament genomen, waar de lichamelijke offeranden worden beschreven en van deze gezegd dat zij voor God een liefelijke reuk zijn, d. i. aangenaam en welgevallig. Zij waren het echter niet, zoals de Joden dachten om het werk en het offer op zichzelf, hetgeen hun door alle profeten anders werd geleerd, maar om de toekomstige Christus, het ware offer, waarop alle offers doelden. Deze nu heeft noch genot, noch voordeel van ons gezocht, maar Zichzelf gegeven om voor ons een offer een gave te zijn, om God te verzoenen met ons, ons voor God tot een heiligdom te verwerven en ons tot Zijn kinderen te maken. Zo moeten wij ook onze goederen geven en niet alleen aan de vrienden, maar ook aan de vijanden. Wij moeten het daarbij niet laten blijven, maar ook onszelf in de dood geven voor vrienden en vijanden en alleen denken hoe wij anderen kunnen dienen en nuttig zijn met lichaam en goed in dit leven. Voor God tot een offer van liefelijken reuk te worden, geeft aan ons leven in deze vergankelijke wereld alleen betekenis en waarde.
Het eerste woord, door "offerande" vertaald, betekent in het algemeen al wat God toegebracht en gewijd wordt, maar wij gebruiken het bepaald voor het spijsoffer. Trouwens, het wordt hier ook onderscheiden van het slachtoffer, dat met bloedstorting gepaard ging. Voor het naaste zouden wij daarom denken dat de apostel beiden, de dadelijke en lijdelijke gehoorzaamheid van onze gezegende Borg bedoeld heeft: de eerste onder de naam van offerande of spijsoffer, de andere, onder die van slachtoffer. Volgens deze opvatting wordt de drangreden tot onderlinge liefde, uit het voorbeeld van Christus ontleend, nog nadrukkelijker, de Verlosser heeft Zijn liefde betoond, beiden in doen en lijden; nu, naar dat voorbeeld moeten de Christenen elkaar, niet alleen met daden, maar, wanneer het de nood vordert, ook met lijden te hulp komen. Er wordt bijgevoegd, voor God tot een welriekende reuk. Onze vertalers brengen het woord, "voor God" tot het "overgeven", op deze manier: die Zich voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer. Voor God tot een welriekenden reuk. Naar onze mening behoort de uitdrukking "tot een welriekende reuk", tot het woord "voor God", op deze wijs: slachtoffer, zijnde deze beiden voor God tot een welriekende reuk. De laatste woorden geven, volgens de Hebreeuwse spreektrant, te kennen dat het spijs- en slachtoffer van Christus dadelijke en lijdelijke gehoorzaamheid voor God bij uitnemendheid aangenaam, geweest zijn. Trouwens in de borgtochtelijke gehoorzaamheid van Christus heeft God de Vader als in een voldoende rantsoenprijs, met een volkomen genoegen berust. Voorts schijnt ons de apostel ingewikkeld aan te duiden dat onze liefdewerken, wanneer zij op dezelfde manier geschieden, om Christus wil voor God aangenaam zijn.