Jozua 8:30-35
Deze Godsdienstige plechtigheid, waarvan wij hier het bericht hebben, komt enigszins onverwacht in het midden van de geschiedenis van de oorlogen van Kanaän. Na de inneming van Jericho en Ai zouden wij verwachten, dat het volgende bericht hun inbezitneming van het land zou behelzen, het voortzetten hunner overwinningen in andere steden en het overbrengen van de oorlog tot in het hart des lands, nadat zij zich van de grenssteden hadden meester gemaakt. Maar hier opent zich een tafereel van een geheel andere aard. Het leger Israëls wordt opgesteld, niet om slaags te raken met de vijand, maar om offeranden te offeren, de wet te horen lezen, en "Amen" te zeggen op de zegeningen en de vloeken. Sommigen denken dat dit niet geschied was, dan nadat enige van de volgende overwinningen behaald waren waarvan wij lezen in Hoofdstuk 10 en 11. Maar volgens de landkaarten blijkt het dat Sichem (in welks nabijheid de twee bergen Ebal en Gerizim gelegen waren) niet zover van Ai was, of zij konden na de inneming die plaats wel zover doordringen in het land, totdat zij aan deze twee bergen kwamen, en derhalve zou ik niet gaarne een verschikking in het verhaal toelaten, te minder omdat het, zoals het hier voorkomt, een merkwaardig voorbeeld is:
1. Van de ijver van Israël in de dienst van God en voor Zijn eer. Nooit werd een oorlog gevoerd, meer eervol en aangenaam en meer voordelig, of met zoveel zekerheid van te zullen zegevieren, of die noodzakelijker was voor een vestiging (want zij hadden noch huizen noch land, vóór zij die met het zwaard hadden verkregen, ja, ook zelfs Jozua niet) en toch zullen nu al hun krijgsverrichtingen gestaakt worden, terwijl zij een verre mars doen naar de bestemde plaats, om er deze plechtigheid te vieren. God had hun bevolen dit te doen, als zij over de Jordaan zullen gekomen zijn, en zij deden het zodra zij het bij mogelijkheid doen konden, hoewel zij het onder een schoonschijnend voorwendsel hadden kunnen uitstellen. Wij moeten er niet aan denken om ons verbond sluiten met God uit te stellen, tot wij gevestigd zijn in de wereld, en generlei zaak of werk moet ons verhinderen aan het een nodige te denken en het na te jagen. Het middel om voorspoedig te zijn is: met God te beginnen, Mattheus 6:33.
2. Het is ook een voorbeeld van Gods zorg over Zijn getrouwe dienstknechten en aanbidders. Hoewel zij in des vijands land waren dat nog niet veroverd was, waren zij toch veilig in dit dienen van God, zoals Jakob, toen hij in diezelfde landstreek was en naar Beth-El toog, om zijn geloften te betalen. "Gods verschrikking was over de steden, die rondom hen waren" Genesis 35:5. Als wij in de weg des plichts zijn, neemt God ons onder Zijn bijzondere hoede en bescherming.
Tweemalen had Mozes uitdrukkelijke orders gegeven voor deze plechtigheid, eens in Deuteronomium 11:29, 30, waar hij naar de eigen plaats schijnt te wijzen, waar zij moest verricht worden, en wederom in Deuter. 27:2 en verv. Het was een verbondshandeling. Thans werd het verbond vernieuwd tussen God en Israël, bij hun bezit nemen van het land van de belofte, opdat zij aangemoedigd zouden zijn bij de verovering er van, en zouden weten op welke voorwaarden zij het hielden en onder nieuwe verplichtingen van gehoorzaamheid zouden komen. Ten teken van het verbond:
1. Bouwden zij een altaar en offerden offeranden aan God, vers 30, 31, ten teken van hun toewijding van zichzelf aan God, als levende offerande aan Zijn eer, in en door een middelaar, die het altaar is, dat de gave heiligt. Dit altaar werd opgericht op de berg Ebal, de berg, op welke de vloek moest uitgesproken worden, Deuteronomium 11:29, om aan te duiden, dat daar, waar wij door de wet reden hadden een vloek te verwachten, wij door Christus' offerande van zichzelf voor ons en door Zijn middelaarschap vrede hebben met God, Hij heeft ons verlost van de vloek van de wet, door een vloek voor ons geworden te zijn, Galaten 3:13. Zelfs daar, waar door de vloek gezegd was: "Gij zijt Mijn volk niet", daar wordt door Christus, het altaar, gezegd: "Gij zijt kinderen van de levende God". Hosea 1:10. De vloeken, uitgesproken op de berg Ebal, zouden terstond in werking zijn gekomen, indien er geen verzoening was gedaan door offerande.
Door de offeranden, op dit altaar geofferd gaven zij ook Gode de eer voor de overwinningen, die zij reeds behaald hadden, zoals Exodus 17:15. Nu zij er het genot van hadden gehad in de buit van Ai, was het voegzaam dat God er de lof van zou hebben, ook smeekten zij Zijn gunst af voor verdere voorspoed, want met hun dankoffers was smeking bedoeld, zowel als dankzegging. Het middel om voorspoedig te zijn in alles wat wij ondernemen, is God met ons te nemen, en Hem door gebed, dankzegging en een blijmoedige gehoorzaamheid te erkennen in al onze wegen.
Het altaar, dat zij bouwden, was van ruwe ongehouwen steen, overeenkomstig de wet, Exodus 20:25, want wat het meest eenvoudig en natuurlijk is in de verering van God, dat behaagt Hem het meest. De bedenkselen van de mens kunnen geen schoonheid bijzetten aan de inzettingen Gods.
II. Zij ontvingen de wet van God, en dit moeten zij doen, die gunst van Hem verwachten en hun offeranden aangenaam wensen te zien, want als wij ons oor afwenden van de wet te horen, dan zal ons gebed zelfs een gruwel wezen. Toen God Israël opnam in het verbond, gaf Hij hun deze wet, en zij hebben zich, ten teken van hun instemming met het verbond, aan de wet onderworpen. Nu werd hier:
1. In de tegenwoordigheid van geheel Israël de wet van de tien geboden op stenen tafelen geschreven, als korte inhoud van geheel de wet, vers 32. Dit afschrift werd niet in de steen gegraveerd, zoals dat hetwelk in de ark bewaard werd, dat moest alleen door de vinger Gods geschieden, het is Zijn kroonrecht de wet in het hart te schrijven, maar de stenen werden met kalk bestreken, en de wet werd op de kalk geschreven, Deuter. 27:4, 8. Zij werd geschreven, opdat allen zouden zien wat het was, waarmee zij instemden, en opdat zij een blijvend getuigenis zou zijn voor het nageslacht van Gods goedheid in hun zulke goede wetten te geven, en een getuigenis tegen hen, indien zij er ongehoorzaam aan waren. Het is voor ieder volk een grote zegen de wet Gods in geschrift te hebben, en het is goed en gepast dat de geschreven wet voor iedereen zichtbaar gesteld wordt in de volkstaal, opdat zij door iedereen gezien en gelezen kunnen worden.
2. De zegeningen en de vloeken, de bekrachtigingen van de wet, werden in het openbaar gelezen, en het volk heeft er volgens Mozes bevel (naar wij veronderstellen) "Amen" op gezegd vers 33, 34. Het gehoor was zeer groot.
a. De voornaamste overste werd er niet van vrijgesteld deze dienst bij te wonen, de oudsten de ambtlieden, de rechters zijn niet te hoog om kennis te nemen van de wet, maar zullen onder de zegen of de vloek komen, naarmate zij er gehoorzaam aan zijn of niet, en daarom moeten zij tegenwoordig zijn om instemming te betuigen met het verbond, en er het volk in voor te gaan.
b. De armste vreemdeling werd niet buitengesloten, hier was een algemene naturalisatie van hen, zowel de vreemdeling als de inboorling werd in het verbond opgenomen. Dit was een aanmoediging voor proselieten, en een gelukkig voorteken van de goedertierenheid, die voor de arme heidenen in latere tijden was weggelegd.
3. De stammen werden opgesteld zoals Mozes het bevolen had, zes op de glooiing van de berg Gerizim, en zes op die van de berg Ebal. En in het midden van de vallei tussen deze bergen was de ark, want het was de ark des verbonds, en daarin lagen de wetsrollen, die afgeschreven waren op de stenen. Het verbond werd geboden en het gebod door het verbond bindend gemaakt. De priesters, die bij de ark waren, of sommigen van de Levieten, die hen vergezelden, hebben, nadat het volk geplaatst was en stilte was bevolen, de zegeningen en de vloeken duidelijk uitgesproken, zoals Mozes ze opgesteld had, waarop de stammen "Amen" zeiden, en toch wordt hier alleen gezegd, dat zij het volk zouden zegenen, want de zegen was hetgeen het eerst en voornaamst bedoeld was, en God bedoeld heeft in het geven van de wet. En het was in waarheid een zegen voor het volk, dat hun die zaak zo duidelijk was voorgesteld: "Leven en dood, goed en kwaad, alzo heeft Hij geen volk gedaan."
4. Ook de wet zelf, bevattende de geboden en verboden, werd gelezen, vers 35, en wel door Jozua zelf, naar het schijnt, die het niet beneden zich achtte om een lezer te wezen in de vergadering des Heeren. Naar dit voorbeeld geschiedde het plechtige lezen van de wet, eens in de zeven jaar volgens het gebod, Deuteronomium 31:10, 11, door hun koning of eerste magistraatspersoon. Hier wordt te kennen gegeven welk een algemene bekendmaking van de wet dit geweest is.
a. Elk woord werd gelezen, ook de geringste voorschriften werden niet overgeslagen en de uitvoerigste niet verkort. Geen jota of tittel van de wet zal voorbijgaan, en daarom werd er ook bij het lezen geen van overgeslagen onder voorwendsel van gebrek aan tijd, of omdat er gedeelten van onnodig waren, of wel onbetamelijk om gelezen te worden. Het was niet vele weken nadat Mozes het gehele boek van Deuteronomium gepredikt had, en toch moet Jozua het nu geheel overlezen. Het is goed tweemaal te horen wat God eens gesproken heeft, Psalm 62-12, en te herzien wat ons is overgeleverd, of het ons te laten herhalen, opdat ons niets ontglippe.
b. Iedere Israëliet was tegenwoordig zelfs "de vrouwen en de kleine kinderen," opdat allen hun plicht zouden kennen en doen. Hoofden van gezinnen moeten hun vrouwen en kinderen medenemen naar de plechtige bijeenkomsten ter Godsverering. Allen die instaat zijn om te leren, moeten komen ten einde uit Gods wet onderwezen te worden. Ook de vreemdelingen waren mee onder het gehoor, want waar wij ook zijn, al is het ook als vreemdelingen, moeten wij gebruik maken van alle gelegenheden om ons bekend te maken met God en Zijn heiligen wil.