Genesis 7:11-12
Wij hebben hier:
I. De datum van deze grote gebeurtenis, die zorgvuldig staat opgetekend tot grote gewisheid van de geschiedenis.
1. Het was in het 600ste jaar van Noach's leven, dat, volgens berekening, het jaar 1656 na de schepping is geweest. De jaren van de oude wereld worden berekend, niet naar de regering van de reuzen, maar naar het leven van de patriarchen, voor God zijn heiligen van meer gewicht dan vorsten, de rechtvaardige zal in eeuwige gedachtenis zijn. Noach was nu een zeer oud man, zelfs voor die tijd. Hoe langer wij leven in deze wereld, hoe meer wij er de ellende en de rampen van zien, daarom wordt het als een voorrecht aangeduid van hen, die jong sterven dat "hun ogen het kwaad niet zien zullen, hetwelk staat te komen", 2 Koningen 22:20. Soms brengt God Zijn oude dienstknechten in buitengewone beproevingen van gehoorzame lijdzaamheid. Ook de oudsten van de krijgsknechten van Christus moeten zich niet voorstellen van deze krijg vrijgesteld te worden, voordat de dood hen aflost. Zij moeten nog altijd het harnas aangespen, en niet roemen alsof zij het losmaakten. Gelijk het jaar van de zondvloed vermeld is, zo wordt ons ook:
2. Gezegd, dat het was in de tweede maand, op de zeventiende dag van de maand, hetgeen, naar berekening, omstreeks het begin van November was, zodat Noach juist even tevoren nog een oogst had, waarmee hij de ark kon provianderen.
II. De ondergeschikte oorzaken, welke medewerkten voor deze overstroming, die begon op dezelfde dag toen Noach in de ark gevestigd was. Verwoestende oordelen komen niet, voordat God in de veiligheid van Zijn volk heeft voorzien, zie Hoofdstuk 19:22. "Ik zal niets kunnen doen totdat gij daarhenen ingekomen zijt, " Openbaring 7:3, en wij vinden, dat de winden weerhouden worden totdat de dienstknechten Gods verzegeld zijn. Als Godvruchtigen worden weggenomen, dan zijn de oordelen niet ver meer, want zij worden weggenomen vóór het kwaad, Jesaja 57:1. Als zij geroepen worden om in hun binnenste kamers te gaan, verborgen worden in het graf, verborgen worden in de hemel, dan zal "de Heere uitgaan uit zijn plaats om te straffen," Jesaja 26:20, 21.
Zie nu wat er op die dag, die noodlottige dag, aan de wereld van de goddelozen gedaan werd.
1. De fonteinen des groten afgronds werden opengebroken. Er was wellicht geen schepping van nieuwe wateren nodig, die, welke reeds gemaakt waren om in de gewone loop van de voorzienigheid zegeningen te zijn voor de aarde, werden nu door een buitengewone daad van Goddelijke macht tot haar verderf gemaakt. "God legt de afgronden op in schatkamers," Psalm 33:7, en nu brak Hij die schatkamers open. Gelijk wij in ons lichaam vochten hebben, die, als het Gode behaagt, de kiemen en bronnen worden van dodelijke krankheden, zo had de aarde in haar binnenste wateren, die op Gods bevel ontsprongen en haar overstroomden. Bij de schepping had God "grendel en deuren gesteld aan de wateren van de zee, opdat zij de aarde niet weer bedekken zouden," Psalm 104:9, Job 38:9-11, en nu heeft Hij die oude bakens, dijken en heiningen slechts weggenomen, en de wateren van de zee keerden weer om de aarde te bedekken, zoals zij haar in den beginne bedekt hadden, Hoofdstuk 1:9. Al de schepselen zijn gereed om tegen de zondige mens te strijden, en ieder hunner kan het instrument worden van zijn verderf, indien God slechts de perken wegneemt, waardoor zij gedurende de tijd van Zijn lankmoedigheid in bedwang worden gehouden. De sluizen des hemels werden geopend, en de wateren, die boven het uitspansel zijn, werden uitgestort op de aarde, die schatkamers, welke God opgehouden heeft tot de tijd der benauwdheid, de dag des strijds en des oorlogs, Job 38:22, 23. De regen, die gewoonlijk in droppelen neerkomt, kwam toen in stromen, of waterhozen, zoals zij in Indië genoemd worden, waar dikwijls wolkbreuken worden waargenomen waarbij de regens dan in veel heftiger stromen neerkomen, dan wij hier ooit in de zwaarste regenbuien gezien hebben. Wij lezen, Job 26:8, dat God "de wateren bindt in Zijn wolken, en nochtans de wolk daaronder niet scheurt" maar nu waren de banden losgemaakt, de wolk was gescheurd, en er kwamen regens neer, zoals nooit tevoren gezien waren, in zo grote hoeveelheid en zo aanhoudend van duur. De dikke wolken waren niet, zoals gewoonlijk, "vermoeid door bevochtiging," zodat zij spoedig ontledigd werden, maar de wolken keerden nog weer na de regen, en Gods macht vulde ze opnieuw. Het regende zonder tussenpoos en zonder vermindering, veertig dagen en veertig nachten, vers 12, en dat wel tegelijk op de gehele aarde, niet, zoals soms, over een stad, maar niet over een andere stad. God heeft de wereld gemaakt in zes dagen, maar veertig dagen heeft Hij gebruikt om haar te verwoesten want Hij is traag tot toorn, maar hoewel de verwoesting langzaam en trapsgewijze kwam, kwam zij toch krachtig en afdoende.
2. Leer nu hieruit:
a. Dat alle schepselen tot Gods beschikking zijn, en dat Hij er het gebruik van maakt, dat Hem behaagt, "hetzij dat Hij die tot een roede, of tot Zijn land, of tot weldadigheid beschikt," zoals Elihu zegt van de regen Job 37:12, 13.
b. Dat God dikwijls "hetgeen tot welstand zou dienen tot een valstrik doet worden," Psalm 69:23. Hetgeen gewoonlijk een lieflijkheid en weldaad voor ons is, wordt als het Gode behaagt, een gesel en een plaag voor ons. Niets is nodiger of nuttiger dan water, beide de bronnen van de aarde en de regen van de hemel, en toch is nu niets meer schadelijk, niets meer verwoestend, elk schepsel moet wezen wat God het maakt.
c. Dat het onmogelijk is om aan de rechtvaardige oordelen van God te ontkomen, als zij met een opdracht tegen de zondaren uitgaan, want God kan hemel en aarde tegen hen wapenen, zie Job 20:27. God kan de mensen omringen met boodschappers van Zijn toorn, zodat als zij opzien, het met afgrijzen en verschrikking zijn zal, en als zij de aarde aanschouwen, zie, daar zal benauwdheid en duisternis zijn, Jesaja 8:21, 22. Wie kan bestaan voor God, als Hij toornig is?
Eindelijk. In deze verwoesting van de oude wereld door water, heeft God een proeve gegeven van de laatste verwoesting van de wereld, die nu is, door vuur. Wij zien hoe de apostel de ene van die tegenover de andere plaatst, 2 Petrus 3:6, 7. Gelijk er onder de aarde wateren zijn, zo verkondigen de Etna, de Vesuvius, en andere vulkanen, dat er ook onderaardse vuren zijn, en dikwijls valt vuur van de hemel, zeer veel schade en verwoesting worden aangericht door de bliksem, zodat, wanneer de voor verordineerde tijd komt, dan zullen tussen deze twee vuren de aarde en de werken, die daarin zijn, verbranden, zoals over de oude wereld de vloed gebracht werd uit de fonteinen van de grote afgronden en door de vensters des hemels.