Job 38:4-11
Ter verootmoediging van Job toont God hem zijn onwetendheid zelfs ten opzichte van de aarde en de zee. Hoewel zij zo nabij zijn en zo groot zijn kan hij toch hun oorsprong niet verklaren, en nog veel minder die van de hemel boven en de hel beneden, die op zo'n afstand zijn, of van de onderscheidene delen van de stof, die zo klein zijn, en dan het minst van alles van de raadsbesluiten Gods.
I. Betreffende de grondlegging van de aarde. Indien hij zo'n diep inzicht heeft in de raadsbesluiten Gods, als hij zegt te hebben, laat hem dan enig bericht geven van de aarde, waarop hij gaat, en die aan de kinderen van de mensen is gegeven om te bewonen.
1. Laat hem zeggen waar hij was toen deze lagere wereld gemaakt werd, of hij raad heeft gegeven voor of geholpen heeft aan dit wonderbare werk, vers 4. " Waar waart gij toen Ik de aarde grondde? Gij hebt hoge aanspraken, kunt gij er aanspraak op maken dit te weten? Waart gij er bij tegenwoordig toen de wereld gemaakt werd?" Zie hier:
a. De grootheid en heerlijkheid van God: Ik grondde de aarde. Dit bewijst dat Hij de enig levende en ware God is, en een God is van macht, Jesaja 40:21, Jeremia 10:11, 12, en moedigt ons aan om op Hem te allen tijde te vertrouwen, Jesaja 51:13, 16.
b. De geringheid en nietswaardigheid van de mens: "Waar waart gij toen? Gij die zo'n aanzien hadt onder die van het oosten, en u tot een orakel hebt gesteld en een beoordelaar van de Goddelijke raadsbesluiten, waar waart gij toen de aarde gegrond werd?" Zoverre waren wij van de hand gehad te hebben in de schepping van de wereld, hetgeen ons recht zou geven op heerschappij er over, of zelfs maar om er getuigen van geweest te zijn, waardoor wij er een inzicht in hadden kunnen verkrijgen, dat wij toen nog niet eens in wezen waren. De eerste mens was nog niet, veel minder wij. Het is de eer van Christus, dat Hij tegenwoordig was toen het geschiedde, Spreuken 8:22, Johannes 1:1, 2, maar wij "zijn van gisteren en weten niets". Zo laat ons de werken Gods dan niet bedillen, noch Hem iets willen voorschrijven. Hij heeft ons niet geraadpleegd voor het maken van de wereld, en toch is zij goed gemaakt, waarom zouden wij dan verwachten dat Hij ons zal raadplegen voor de regering ervan?
2. Laat hem beschrijven hoe deze wereld gemaakt werd, en een nauwkeurig bericht geven van de wijze, waarop dit sterk en statig gebouwd geformeerd en opgericht werd. "Verklaar eens indien gij zo verstandig zijt als gij u inbeeldt te zijn, wat de voortgang was van dit werk." Zij, die voorgeven meer verstand te hebben dan anderen, moeten daar het bewijs van leveren, toon mij uw geloof uit uw werken, uw kennis uit uw woorden. Laat Job verklaren, indien hij het kan:
a. Hoe de wereld zo wonderschoon geformeerd werd, met zoveel nauwkeurigheid, en zo bewonderenswaardige symmetrie en juiste verhouding tussen al haar delen, vers 5. Treed naar voren, en zeg: wie heeft haar maten gezet, of wie heeft over haar een richtsnoer getrokken? Waart gij de bouwmeester, die het model ervan gevormd hebt, en toen daarnaar de afmetingen ervan vastgesteld hebt? De grote massa van de aarde is even regelmatig gevormd, alsof het met maat en richtsnoer gedaan was, maar wie kan beschrijven hoe zij in die vorm werd gegoten? Wie kan haar omtrek en middellijn bepalen? Tot op de huidige dag twist men er over, of de aarde draait of stilstaat. Hoe kunnen wij dan bepalen naar welke maat zij het eerst geformeerd werd?
b. Hoe zij zo vast bevestigd werd. Zij is opgehangen aan een niet, en toch is zij bevestigd, zij is vastgemaakt en blijft staan, maar wie kan zeggen op welk fondament zij is vastgemaakt, zodat zij niet nederzinkt door het eigen gewicht, of wie heeft er de hoeksteen van gelegd, zodat haar delen niet uit elkaar vallen? vers 6. "Wat God doet zal in eeuwigheid zijn," Prediker 3:14. Daar wij dus geen gebrek kunnen aantonen in Gods werk, behoeven wij er ook geen vrees of bezorgdheid voor te koesteren, het zal bestendig blijven en beantwoorden aan het doel, het werk van Zijn voorzienigheid, zowel als het werk van Zijn schepping, van geen van beide kunnen de maatregelen verbroken worden. En het werk van de verlossing is niet minder vast en duurzaam, waarvan Christus zelf het fundament en de hoeksteen is. De kerk staat even vast als de aarde.
3. Laat hem herhalen, indien hij het kan, de lofliederen, die bij deze plechtigheid gezongen werden, vers 7, toen de morgensterren tezamen vrolijk zongen, de zalige engelen, (de eerstgeborenen van de Vader van de lichten, die in de ochtendstond des tijds helder schenen als de morgenster, het licht voorafgaande, dat God gebood te schijnen uit de duisternis op de zaden van deze lagere wereld, de aarde, die woest en ledig was. Zij waren de kinderen Gods, die juichten, toen zij de grondslagen van de aarde gelegd zagen, omdat, hoewel zij niet voor hen gemaakt was maar voor de kinderen van de mensen, en hoewel het hun werk en dienst zou vermeerderen, zij toch wisten dat de eeuwige Wijsheid, het eeuwige Woord, die zij moeten aanbidden, Hebreeën 1:6, spelende zou zijn in de wereld Zijns aardrijks, en dat Zijn vermakingen zouden zijn met de mensenkinderen, Spreuken 8:31. De engelen worden kinderen Gods genoemd, omdat zij veel van Zijn beeld dragen, bij Hem zijn in Zijn huis hierboven en Hem dienen zoals een zoon zijn vader dient. Merk hier nu op:
a. De heerlijkheid van God als de Schepper van de wereld moet met blijdschap door al Zijn redelijke schepselen worden bezongen, want zij zijn bevoegd en aangesteld om de inzamelaars te zijn van Zijn lof van de mindere schepselen die Hem alleen lof kunnen toebrengen als voorwerpen, waarin Zijn werk gezien wordt.
b. Het werk van de engelen is God te loven. Hoe meer wij overvloedig zijn in heilige, ootmoedige, dankbare, blijmoedige lof, hoe meer wij de wil van God doen gelijk zij hem doen, en daar wij zo dor en gebrekkig zijn in ons loven van God, is het troostrijk om te denken dat zij Hem op betere wijze loven.
c. Zij waren eenstemmig in het zingen van Gods lof, zij zongen tezamen, en er was geen wanklank in hun harmonie, Het lieflijkste concert bestaat in het zingen van Gods lof.
d. Zij deden het allen, zelfs zij, die later gevallen zijn, en hun beginsel niet bewaard hebben. Zelfs zij, die God geloofd hebben, kunnen door de bedrieglijke macht van de zonde er toe gebracht worden om Hem te lasteren, maar toch zal God tot in eeuwigheid worden geloofd.
II. Betreffende de beperking van de zee in de plaats, die haar aangewezen is, vers 8 en verv. Dit verwijst naar het werk van de derde dag, toen God zei: "Dat de wateren van onder de hemel in een plaats vergaderd worden, en het was alzo," Genesis 1:9. 1. Uit de grote afgrond, of chaos, waarin aard en water dooreengemengd waren, is het water in gehoorzaamheid aan Gods gebod uitgebroken, als een kind uit de baarmoeder, vers 8. Toen zijn de wateren, die de afgrond hadden bedekt en boven de bergen stonden, haastig teruggegaan, "van Gods schelden vloden zij," Psalm i04:6, 7.
2. Dit pasgeboren kindeke wordt gekleed en ingewonden, vers 9, toen Ik de wolk tot haar kleding stelde, waarmee zij bedekt is, en de donkerheid, ( dat is: tussen zeer ver van elkaar verwijderd, en in volstrekte duisternis voor elkaar) tot haar windeldoek. Ziet met hoeveel gemak de grote God de woedende, schuimende zee bedwingt en beteugelt, niettegenstaande het geweld van haar vloeden en de kracht van haar golven, gaat Hij er mee om zoals een voedster met een kindeke, dat zij in doeken windt. Er wordt niet gezegd dat Hij rotsen en bergen tot haar windeldoek stelde, maar wolken en donkerheid, iets waaraan wij wel het allerminst voor zo'n doel zouden denken.
3. Er is een wieg bereid voor dit kindeke. Toen Ik voor haar met Mijn besluit de aarde doorbrak, vers 10. Er werden dalen voor haar gemaakt in de aarde ruim genoeg om haar te ontvangen, en daarin wordt zij te slapen gelegd, wordt zij er soms door heen en weer geschud, dan is dit slechts, zoals bisschop Patrick opmerkt, het schommelen van de wieg, dat haar zoveel vaster doet slapen. En gelijk voor de zee, zo is er ook voor ieder van ons een bestemde plaats, want Hij, die de tijden tevoren geordineerd heeft, heeft ook de bepalingen van onze woning vastgesteld.
4. Dit kindeke, onhandelbaar en gevaarlijk geworden zijnde door de zonde van de mens, die de oorsprong is van alle onrust en gevaar in deze lagere wereld, is er ook een gevangenis voor haar voorzien, grendel en deuren zijn gezet. vers 10. En bij wijze van bestraffing harer onbeschaamdheid, wordt tot haar gezegd: Tot hiertoe zult gij komen en niet verder. De zee is Godes, want Hij heeft haar gemaakt, Hij beteugelt haar, Hij zegt tot haar: Hier zullen uw hoogmoedige golven tot staan worden gebracht. vers 11. Dit kan beschouwd worden als een daad van Gods macht over de zee, hoewel zij zo ontzaglijk groot en haar beweging soms zo uiterst heftig is, heeft God haar toch onder Zijn bedwang, haar golven verheffen zich niet hoger, haar vloeden gaan niet verder dan Hij toelaat, en er wordt melding van gemaakt als een reden, waarom wij ontzag moeten hebben voor God, Jeremia 5:22, en tevens waarom wij ons in Hem moeten bemoedigen, want Hij, die het bruisen van de zeeën stilt, het bruisen harer golven, kan als het Hem behaagt, ook het rumoer van de volken stillen, Psalm 65:8. Het kan ook beschouwd worden als een daad van Gods goedertierenheid jegens de wereld van het mensdom, en als een voorbeeld van Zijn lankmoedigheid jegens dat tergend geslacht. Hoewel Hij gemakkelijk de aarde wederom met de wateren van de zee zou kunnen bedekken, (en mij dunkt dat iedere opkomende vloed tweemaal per dag ons bedreigt en aantoont wat de zee zou kunnen doen en ook doen zou indien God het haar toeliet) maar Hij weerhoudt haar, daar Hij niet wil dat iemand verloren zal gaan en daar de aarde "ten vure bewaard wordt" 2 Petrus 3:7.