Exodus 1:1-7.
In deze verzen hebben wij:
1. Een opgave van de namen van de twaalf patriarchen, zoals zij genoemd worden, Handelingen 7:8. Hun namen worden in de Schrift dikwijls herhaald, opdat zij ons niet vreemd zouden voorkomen, zoals andere vreemde of moeilijk uit te spreken namen, maar ons doordat zij zo dikwijls voorkomen. samen bekend zullen zijn, ook om te tonen hoe dierbaar Gods geestelijk Israël Hem is, en hoe Hij zich in hen verlustigt.
2. De rekening, die gehouden was van het getal van Jakob's familie. Zij waren met hun allen zeventig zielen, vers 5, volgens de berekening die wij gehad hebben in Hoofdstuk 46:27. Dit was juist het getal van de natiën, door welke de aarde bevolkt werd, overeenkomstig de opgave ervan in Genesis 10. "Toen de Allerhoogste aan de volken de erfenis uitdeelde, toen Hij Adams kinderen vaneen scheidde, heeft Hij de landpalen van de volken gesteld naar het getal van de kinderen Israels." zoals Mozes opmerkt, Deuteronomium 32:8. Er wordt hier nota van genomen, om het wonderbare van hun toeneming in Egypte in het licht te stellen. Het is goed dat zij wie zeer vermeerderd is, dikwijls gedenken hoe klein hun begin was, Job 8:7.
3. De dood van Jozef, vers 6. Al dat geslacht ging langzamerhand heen, misschien zijn al de zonen van Jakob ongeveer in dezelfde tijd gestorven, want er was niet meer dan zeven jaar verschil in leeftijd tussen de oudste en de jongste van hen, behalve Benjamin, en als de dood in een familie komt maakt hij soms in weinig tijd een einde hun allen. Toen Jozef, de steun van de familie, stierf zijn ook de anderen spoedig heengegaan. Wij moeten op onszelf, op onze broers, op allen met wie wij omgaan, zien, als stervenden als zich heenspoedende uit de wereld. Dit geslacht gaat voorbij, zoals het vorige voorbij is gegaan.
4. De wonderbare toeneming van Israël in Egypte, vers 7. Hier zijn vier woorden om dit aan te duiden, zij werden "vruchtbaar en wiesen overvloedig" zoals vissen of insecten, zodat zij "vermeerderden", en over het algemeen gezond en sterk zijnde, werden zij "gans zeer machtig", zodat zij de inwoners overtroffen in aantal, want het land was overal van hen vervuld, tenminste Gosen het hun toegewezen land, Genesis 47:6. Hoewel zij tevoren ongetwijfeld al aanmerkelijk waren toegenomen was het toch pas na de dood van Jozef, dat dit als iets buitengewoons de aandacht begon te trekken. Toen zij dus het voorrecht van zijn bescherming moesten missen, heeft God hun aantal tot hun bescherming gemaakt, en werden zij beter dan tevoren instaat om voor zichzelf te zorgen. Als God ons onze bloedverwanten en vrienden laat terwijl wij hen het meest nodig hebben, en hen wegneemt als zij beter gemist kunnen worden, zo laat ons erkennen dat Hij wijs is, en niet klagen dat Hij hard voor ons is. Na de dood van Christus onze Jozef, begon Zijn Evangelie-Israël op zeer merkwaardige wijze toe te nemen. Zijn dood had daar invloed op, het was als het zaaien van tarwegraan, dat zo het sterft veel vrucht voortbrengt, Johannes 12:24. Deze wonderbare toeneming was de vervulling van de belofte, lang geleden, gedaan aan de vaderen. Van de roeping van Abraham, toen God hem het eerst zei dat Hij hem tot een groot volk zou maken, tot aan de bevrijding van zijn zaad uit Egypte waren vier honderd dertig jaren verlopen, gedurende de eerste twee honderd vijftien jaren ervan waren zij vermeerderd tot niet meer dan zeventig zielen, maar in de laatste helft waren deze zeventig vermenigvuldigd tot zes honderd duizend strijdbare mannen. De leidingen van Gods voorzienigheid schijnen soms gedurende lange tijd in strijd met Zijn beloften, er tegen in te gaan, opdat het geloof van Zijn volk beproefd en Zijn macht des te meer verheerlijkt zal worden. En hoewel de vervulling van Gods beloften soms lang kan uitblijven, is zij toch altijd zeker. "Want het gezicht zal nog tot een bestemden tijd zijn, dan zal Hij het op het einde voortbrengen, en niet liegen, zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen, Hij zal niet achterblijven." Habakuk 2:3.