Genesis 6:8-10
Wij zien hier Noach onderscheiden van de overigen van de wereld, en een bijzonder teken van de eer aan hem gesteld.
1. Toen God misnoegd was op de overigen van de wereld, heeft Hij aan Noach gunst bewezen, vers 8. Maar Noach vond genade in de ogen des Heeren. Dit rechtvaardigt Gods gerechtigheid in Zijn misnoegen tegen de wereld, en toont dat Hij strikt en nauwkeurig de aard had onderzocht van iedere persoon in de wereld, eer Hij haar als algemeen verdorven oordeelde, want er was een goed man, en die ontdekte Hij, en hem gaf Hij Zijn goedkeuring te kennen. Het verheerlijkt ook de genade aan Noach bewezen, dat hij tot een vat van Gods goedertierenheid was gemaakt, toen geheel het overige mensdom het geslacht Zijns toorns was geworden, onderscheidende gunsten brengen zeer bijzondere plichten mede. Noach heeft waarschijnlijk geen genade gevonden in de ogen van de mensen, zij haatten en vervolgden hem, omdat hij door zijn leven en door zijn prediking de wereld veroordeelde, maar hij vond genade in de ogen des Heeren, en dat was hem ere en vertroosting genoeg. God achtte Noach meer dan geheel de overige wereld, en dit maakte hem groter en meer in waarheid eervol beroemd dan de reuzen in die dagen, die geweldigen werden en mannen van naam. Laat dit het hoogtepunt wezen van onze eerzucht, om genade te vinden in de ogen des Heeren. Laat ons begerig zijn, om, hetzij inwonende hetzij uitwonende, Hem welbehaaglijk te zijn, 2 Corinthiërs 5:9. Diegenen zijn hoog bevoorrecht, aan wie God gunst betoont.
2. Toen het overige mensdom verdorven en boos was, hield Noach vast aan zijn oprechtheid, vers 9. Dit zijn de geboorten van Noach, dit is het bericht, dat wij van hem te geven hebben: Noach was een rechtvaardig, oprecht man. Deze hoedanigheid van Noach wordt hier vermeld, hetzij:
a. Als de reden van Gods gunst jegens hem, zijn bijzondere Godsvrucht maakte hem bevoegd om bijzondere tekenen van Gods goedertierenheid te ontvangen. Zij, die genade willen vinden in de ogen des Heeren, moeten wezen wat Noach was, en doen wat Noach deed, God heeft hen lief, die Hem liefhebben. Of
b. Als de uitwerking van Gods gunst jegens hem. Het was Gods goedheid jegens hem, die dit goede werk teweegbracht in hem. Hij was een zeer goed man, maar hij was niet beter dan de genade Gods hem gemaakt heeft, 1 Corinthiërs 15:10. Let nu op zijn hoedanigheid, zijn karakter. Hij was een rechtvaardig man, dat is gerechtvaardigd voor God door het geloof in het beloofde Zaad, want hij was "een erfgenaam geworden van de rechtvaardigheid, die naar het geloof is", Hebreeën 11:7. Hij was geheiligd, er waren hem rechte beginselen en neigingen ingeplant, en hij was rechtvaardig in zijn wandel, iemand, die er een gewetenszaak van maakte, om aan ieder het zijne te geven, aan God het Zijne en aan de mensen het hunne. Niemand dan een bepaald oprecht man kan gunst vinden bij God, de wandel, die Gode welbehaaglijk zal zijn, moet geregeld worden door eenvoudigheid en oprechtheid Gods, niet door vleselijke wijsheid, 2 Corinthiërs 1:12. God heeft soms het dwaze van de wereld verkoren maar nooit heeft Hij er het schurkachtige van verkoren. Hij was volmaakt, niet met een zondeloze volmaaktheid, maar in volmaakte oprechtheid, en wèl onzer dat, krachtens het verbond van de genade, vanwege de gerechtigheid van Christus, oprechtheid als onze Evangelische volmaaktheid wordt aangenomen. Hij wandelde met God, zoals Henoch voor hem met God gewandeld heeft, hij was niet alleen oprecht maar vroom hij wandelde, dat is: hij handelde met God, als onder Zijn oog, hij leidde een leven van gemeenschap met God, hij legde er zich voortdurend op toe om zich naar de wil van God te gedragen, Hem te behagen, zich Hem welbehaaglijk te maken. God ziet met een gunstig oog neer op hen, die in oprechtheid, met het oog des geloofs opzien tot Hem. Maar hetgeen de kroon is van zijn karakter, is dat hij aldus was en aldus deed in zijn geslacht, in het verdorven tijdperk, waarin hij geleefd heeft. Het is gemakkelijk Godsdienstig te zijn, als de Godsdienst in de mode is, maar het is een blijk van een krachtig geloof en van grote vastberadenheid om tegen de stroom op te roeien om naar de hemel te gaan, en vóór God te zijn, als niemand anders vóór Hem is. Dat heeft Noach gedaan, en het is te boek gesteld tot zijn onsterfelijke eer.