22. En Noach deed het; 1) naar a) al 2) wat God hem zo nauwkeurig geboden had, zo deed hij, in geloof (
Hebreeën 11:7) bouwde hij de ark en verzamelde de spijze; de mensen, die hem zonder twijfel daarbij voor loon hielpen, achtten het niet, hadden alleen bespotting en leefden in gerustheid voort (
1 Petrus 3:20) (
Mattheus 24:37vv.).
a) Genesis 7:5.
1) De grond van Noach's vroomheid was aan de zijde van God, Gods genade; die hij geenszins naar het voorgeven van de Roomsen door zijn kuisheid, door tot in zijn vijfhonderdste jaar ongehuwd te blijven, verworven heeft. De genade ging vóór al zijn werken. Aan Noach's zijde was het geloof in de Messias, (in de God van de belofte en het Woord van Zijn belofte) de grond van zijn vroomheid. Hij betoonde die in vier stukken: 1. Dat hij met een heilige vrees vervuld werd, waardoor hij de dreiging van God met de zondvloed, hoewel zij nog ver was, voor waar hield; 2. Dat hij op Goddelijk bevel de ark gereed maakte, hoewel hij met de spotternijen van de Kaïnieten veel te strijden had, daar het gericht zo lang uitbleef; 3. Dat hij de gerechtigheid Gods aan anderen predikte (2 Petrus 2:5) en 4. zelfs onstrafbaar wandelde.".
2) Mozes benadrukt, dat Noach niet slechts gedeeltelijk, maar volkomen in alle dingen de Heere gehoorzaam is geweest. Hetgeen onze aandacht volstrekt niet moet ontgaan, omdat daaruit in ons leven die verschrikkelijke verwarring ontstaat, dat wij niet zonder enig beding ons geheel aan de Heere kunnen onderwerpen; maar de een of andere taak verrichtende, onze eigen inzichten met Gods Woord vermengen. Doch de gehoorzaamheid wordt met name geprezen, omdat hij volkomen gehoorzaamde en niet slechts ten dele, zodat hij niets van hetgeen God bevolen had, naliet.