Handelingen 15:6-21
Wij hebben hier ene kerkvergadering, die voor deze gelegenheid bijeen was gekomen, vers 6. De apostelen en de ouderlingen vergaderden te zamen, om op deze zaak te letten. Zij hebben hun gevoelen niet ieder afzonderlijk kenbaar gemaakt, maar zijn bijeengekomen om gezamenlijk hun oordeel uit te spreken, opdat zij elkanders mening zouden horen ten opzichte van deze zaak, want de behoudenis is in de veelheid der raadslieden. Zij hebben hun oordeel niet onbedacht uitgesproken, maar de zaak wel overwogen. Hoewel zij in hun eigen gemoed ten volle overtuigd waren, wilden zij toch den tijd nemen, om er over te beraadslagen, en wilden zij horen wat de tegenpartij er over te zeggen had. De apostelen hebben ook hun oordeel hieromtrent niet uitgesproken zonder de ouderlingen, de leraren van minderen rang, aan wie zij deze inschikkelijkheid betoonden, en die zij aldus hebben geëerd. Zij, die het uitnemendst zijn in gaven en genade, en de hoogste plaats innemen in de kerk, behoren hun jongeren en minderen achting te betonen, want laat de dagen spreken en de veelheid der jaren wijsheid te kennen geven, maar zeker, de geest, die in den mens is, en de inblazing des Almachtigen maakt hen verstandig, Job 32:7, 8. Hier is ene leiding, ene aanwijzing voor de leraren der gemeente, om, als er moeilijkheden ontstaan, samen te komen in plechtige vergadering voor onderlinge beraadslaging en wederzijdsen steun en bemoediging, opdat zij elkanders gevoelen kennen en elkanders handen kunnen sterken, en in vereniging met elkaar kunnen handelen. Nu hebben wij hier:
I. De rede van Petrus in deze synode. Hij heeft niet de minste aanspraak gemaakt om als eerste en voornaamste in deze synode erkend te worden, hij was niet de meester van deze vergadering, niet eens voorzitter of moderateur pro hac vice -bij deze gelegenheid, want wij bevinden niet, dat hij het eerst sprak ter opening van de synode, (er geschiedde daarover grote twisting eer hij opstond), en ook niet dat hij het laatst heeft gesproken om te resumeren en de stemmen op te nemen, maar hij was een getrouw, voorzichtig, ijverig lid van deze vergadering en sprak ter zake dienende, en wat hij zei kwam beter van hem dan van een ander, omdat hij zelf de eerste is geweest, die den Heidenen het Evangelie had gepredikt. Er geschiedde daarover grote twisting, het pro en con der zaak werd besproken, en er was vrijheid van het woord toegestaan, zoals dit in zulke gevallen ook behoort. Van hen, die van de sekte der Farizeeën waren, zijn sommigen tegenwoordig geweest, en hun werd toegestaan te zeggen wat zij konden ter verdediging van hen, die te Antiochië van hun mening waren, waarop waarschijnlijk door sommigen van de ouderlingen geantwoord werd, want zulke kwesties moeten behoorlijk besproken worden, eer ene beslissing wordt genomen. Toen beide zijden gehoord waren, stond Petrus op, en sprak de vergadering aan als Mannen broeders, zoals Jacobus het later ook gedaan heeft, vers 13. En hier:
1. Herinnert hij hen aan de roeping en de opdracht, die hij enigen tijd geleden ontvangen had om den Heidenen het Evangelie te prediken. Het verwonderde hem, dat er nog moeilijkheid gemaakt werd over ene zaak, die reeds beslist en vastgesteld was: Gij weet dat-aph hêmeroon archaioon -van het begin der dagen des Evangelies, vele jaren geleden, God onder ons apostelen een verkoren heeft, om den Heidenen het Evangelie te prediken, en dat ik de persoon was, die verkoren werd, dat de Heidenen door mijn mond het woord zouden horen en geloven, vers 7. Gij weet, dat ik deswege ondervraagd werd, en dat ik mij tot ieders voldoening verantwoord heb, dat iedereen zich verblijdde, dat God ook den Heidenen de bekering heeft gegeven ten leven, en niemand heeft ook maar een woord tot hen gezegd over besnijdenis, ja men heeft er zelfs niet aan gedacht. (Zie Hoofdstuk 11:18. Waarom zouden dan de Heidenen, die het woord des Evangelies horen door den mond van Paulus, gedwongen worden om zich aan de besnijdenis te onderwerpen, waarom zij meer dan de Heidenen, die dat woord uit mijn mond gehoord hebben? Of waarom zouden de voorwaarden tot hun toelating nu zwaarder gemaakt worden, dan zij toen waren?"
2. Hij herinnert hen er aan op hoe merkwaardige wijze God zijne prediking voor de Heidenen gezegend heeft, en getuigenis gaf van hun oprechtheid in het aannemen van het Christelijk geloof, vers 8. "God, de Kenner der harten, die dus in staat is om onfeilbaar over de mensen te oordelen, heeft hun getuigenis gegeven, dat zij in waarheid de Zijnen waren, hun gevende den Heiligen Geest, niet slechts de genade en de vertroostingen, maar de buitengewone, wonderbare gaven van den Heiligen Geest, gelijk als ook ons, apostelen". Zie Hoofdstuk 11:15-17. De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn, want Hij kent het hart der mensen, en wij zijn wat ons hart is. Aan hen, aan wie God den Heiligen Geest geeft, geeft Hij hiermede getuigenis, dat zij de Zijnen zijn, vandaar dat wij zeggen, dat wij verzegeld zijn met den Heiligen Geest der belofte. God had de Heidenen welkom geheten aan het voorrecht der gemeenschap met Hem, zonder van hen te eisen, dat zij besneden zouden worden en de wet zouden onderhouden. Zullen wij hen dan niet anders dan op deze voorwaarden toelaten? vers 9. God heeft geen onderscheid gemaakt tussen ons en hen, ofschoon zij Heidenen zijn, zijn zij even welkom aan de genade van Christus en aan den troon der genade, als wij, Joden, waarom zouden wij hen dan op een afstand stellen, alsof wij heiliger waren dan zij? Jesaja 65:5. Om door ons aangenomen te worden behoren wij onzen broederen gene andere voorwaarden te stellen dan die God hun stelt om door Hem aangenomen te worden, Romeinen 14:3. De Heidenen waren nu geschikt gemaakt voor gemeenschap met God, daar hun harten gereinigd waren door het geloof, en dat geloof was Gods eigen werk in hen, waarom zouden wij hen dan ongeschikt achten om gemeenschap te hebben met ons, tenzij zij zich onderwerpen aan de ceremoniële reiniging, die ons door de wet is opgelegd? Door het geloof wordt het hart gereinigd, wij zijn niet alleen gerechtvaardigd, ons geweten is niet slechts gereinigd, maar ook het werk der heiligmaking wordt in ons begonnen en voortgezet. Zij, wier harten gereinigd zijn door het geloof, gelijken daardoor zo sterk op elkaar, dat, welk verschil er overigens ook nog tussen hen moge wezen, dit van generlei belang wordt geacht, want het geloof van al de heiligen is even dierbaar, en heeft ene even kostelijke uitwerking 2 Petrus 1:1 en zij die er door verenigd zijn met Christus, moeten zich zo zeer verbonden achten met elkaar, dat alle onderscheidingen, zelfs die tussen Jood en Heiden er door wegvallen, als het ware er in worden verzwolgen.
3. Hij bestraft strengelijk die leraren, (van wie sommigen waarschijnlijk tegenwoordig waren) die de Heidenen onder de verplichting van de wet van Mozes zochten te brengen, vers 10. De zaak is zo eenvoudig, dat hij zich niet onthouden kan van er met ietwat warmte over le spreken, "Nu dan, daar God hen als de Zijnen erkend heeft, wat verzoekt gij God, om een juk op den hals der discipelen te leggen, dat is, van de gelovige Heidenen en hun kinderen," (want de besnijdenis was een juk op hun kinderen, die hier met de discipelen gerekend worden,)" een juk, hetwelk noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen?" Hier toont hij aan, dat zij door dit hun streven:
a. Gode ene zeer grote belediging aandoen. "Gij verzoekt Hem, door datgene nog in geschil te brengen, dat Hij reeds beslist en vastgesteld heeft, door gene mindere aanduiding dan de gave des Heiligen Geestes. Eigenlijk vraagt gij hiermede: "Heeft Hij wel geweten wat Hij deed? Heeft Hij het wel gemeend? Was het Hem er ernst mede ? Zal Hij bij Zijne daad en handeling blijven?" Wilt gij beproeven, of God, die de ceremoniële wet alleen voor de Joden bestemd had, thans, in haren laatsten tijd, ook de Heidenen onder hare verplichting wil brengen, ten einde u genoegen te doen?" Diegenen verzoeken God, die Hem de wet voorschrijven, en zeggen dat de mensen niet behouden kunnen worden dan op deze of die voorwaarden, welke God nooit gesteld heeft, alsof de God der behoudenis zich aan hun beperkingen moet houden.
b. Zij deden een groot onrecht aan de discipelen, Christus is gekomen, om den gevangenen vrijheid te verkondigen, en zij willen diegenen knechten, die Hij vrijgemaakt heeft. Zie Nehemia 5:8. De ceremoniële wet was een zwaar juk, zij en hun vaderen, vonden, dat het moeilijk te dragen was. Hare instellingen waren zo talrijk. zo velerlei, zo prachtig en zo pralend! De onderscheiding der spijzen was een zwaar juk, niet alleen, omdat er de omgang met anderen minder aangenaam door werd, maar omdat de consciëntie er door bezwaard werd door allerlei angstvalligheden. De moeite en last, veroorzaakt door de aanraking van een graf of van een dood lichaam, al was die aanraking ook onvermijdelijk, de onreinheid, die men er mede opdeed, en de vele regelen voor de reiniging van die bezoedeling, waren een zware last. Christus is gekomen, om ons van dat juk te bevrijden, en hen, die er door vermoeid en belast waren, heeft Hij geroepen, en genodigd om tot Hem te komen, en Zijn juk op zich te nemen, Zijn licht juk. Als nu deze leraren dat juk op de schouders der Heidenen zoeken te leggen, waarvan Hij zelfs de Joden is komen bevrijden, dan was dit wel het grootst mogelijke onrecht, dat zij hun konden aandoen.
4. Terwijl nu de Joodse leraren hadden betoogd, dat de besnijdenis noodzakelijk was om zalig te kunnen worden, toont Petrus aan, dat dit er zo ver vandaan is, dat beiden Joden en Heidenen zuiver en alleen door de genade van onzen Heere Jezus Christus zalig worden, en op gene andere wijze, vers 11. Wij geloven alleen door die genade zalig te worden, pisteuomen soothenai -Wij hopen zalig te worden, of, Wij geloven ter zaligheid op dezelfde wijze als ook zij -kath hon tropon kákeinnoi. "Wij, die besneden zijn, geloven ter zaligheid, en dat doen ook de onbesnedenen, en gelijk onze besnijdenis ons geen voordeel is, zo is hun niet besneden zijn voor hen geen nadeel, want wij moeten voor de zaligheid steunen en betrouwen op de genade van Christus, en die genade, evenzeer als zij, ons toe-eigenen door geloof. Er is niet een weg ter zaligheid voor de Joden, en een andere voor de Heidenen. In Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar het geloof door de liefde werkende, Galaten 5:6. Waarom zouden wij hun den last opleggen van de wet van Mozes, als nodig ter hunner zaligheid, als het toch niet deze, maar het Evangelie van Christus is, dat nodig is tot zaligheid van ons en van hen.
II. Een bericht omtrent hetgeen Barnabas en Paulus in deze synode gesproken hebben, dat niet nodig is uitvoerig meegedeeld te worden, want zij verhaalden slechts wat in de vorige hoofdstukken vermeld is, nl. wat grote tekenen en wonderen God door hen onder de Heidenen gedaan had, vers 12. Zij hadden dit verhaal reeds gedaan aan de gemeente te Antiochië, Hoofdstuk 14:27, en aan de broederen op hun reize door Fenicië en Samaria, en nu doen zij dit zelfde verhaal aan de synode, en dit was hier zeer gepast, want, waar de strijd over ging, was, dat de Heidenen zich aan de wet van Mozes moesten onderwerpen, en tegenover die mening zullen Paulus en Barnabas door een eenvoudig verhaal van de feiten aantonen, dat God de prediking van het zuivere Evangelie zonder de wet voor hen gezegend heeft, weshalve het een ongedaan maken zou zijn van hetgeen God gedaan heeft, als men hun nu toch nog de wet wil opdringen. Merk op:
1. Het bericht, dat zij gaven. Zij verhaalden met al de treffende omstandigheden wat grote tekenen en wonderen God door hen onder de Heidenen gedaan had, hoe Hij hun prediking bevestigd had door wonderen, gewrocht in het rijk der natuur, en den voorspoed, dien Hij er op gegeven had door wonderen in het rijk der genade. Aldus had God deze apostelen geëerd, die door de Joodse leraren veroordeeld werden, en aldus heeft Hij de Heidenen geëerd, die door hen werden veracht. Welken anderen voorspraak hadden zij nodig, nu God zelf hun zaak bepleitte? Alle dingen in aanmerking genomen was de bekering der Heidenen zelven een wonder, niets minder dan een wonder. Indien zij nu uit de prediking des geloofs den Heiligen Geest hebben ontvangen, waarom moeten zij dan nog door de werken der wet worden belemmerd? Zie Galaten 3:2.
2. Welke aandacht hun verleend werd, Al de menigte (die, hoewel geen stemrecht hebbende, toch gekomen was om te horen wat er gesproken werd) zweeg stil, en zij hoorden Barnabas en Paulus. Zij schenen meer aandacht geschonken te hebben aan hun verhaal dan aan al de argumenten, die te berde gebracht werden. Gelijk in de natuurlijke wijsbegeerte en geneeskunde niets zo veel voldoening geeft als proefnemingen, en in de wet niets zo veel voldoening geeft als rechterlijke beslissingen, zo is in de dingen Gods de beste verklaring van het woord der genade het bericht, dat gegeven wordt van de werkingen van den Geest der genade, daar zal de menigte onder diep stilzwijgen naar luisteren. Zij, die God vrezen zullen zeer gaarne horen naar hen, die kunnen vertellen wat God aan hun ziel gedaan heeft, of door hen aan de zielen van anderen gedaan heeft, Psalm 66:16. III. De rede, door Jacobus in de synode uitgesproken. Hij heeft Paulus en Barnabas niet onderbroken, ofschoon hij hun verhaal waarschijnlijk vroeger gehoord had, maar liet hen er mede voortgaan tot stichting der aanwezigen, en opdat dezen dit verhaal uit de eerste hand zouden hebben. Maar nadat dezen zwegen, stond Jacobus op. Gij kunt allen, de een na den ander profeteren, 1 Corinthiërs 14:31, God is een God van orde. Hij liet Paulus en Barnabas zeggen wat zij te zeggen hadden, en toen heeft hij er de toepassing op gemaakt. Het horen van onderscheidene leraren kan nuttig zijn, als de ene waarheid de andere niet uitdrijft, maar bevestigt en versterkt.
1. Hij spreekt de aanwezigen aan met eerbied: "Mannen, broeders, hoort mij! Gij zijt mannen, en daarom is het te hopen, dat gij naar rede zult luisteren, gij zijt mijne broeders, en daarom zult gij mij onbevooroordeeld horen." Wij zijn allen broeders, en hebben gelijkelijk belang bij deze zaak, opdat niets tot oneer van Christus worde gedaan, of tot verstoring der Christenen.
2. Hij verwijst naar hetgeen Petrus gezegd had betreffende de bekering der Heidenen, vers 14. "Simeon" (Simeon Petrus) "heeft verhaald, en u de zaak blootgelegd, hoe God eerst de Heidenen heeft bezocht, in Cornelius en zijne vrienden, die de eerstelingen waren uit de Heidenen, hoe de Heidenen, toen het Evangelie het eerst verbreid begon te worden, terstond genodigd werden om er de weldaden van te genieten": en Jacobus merkt hier op:
a. dat het God was, die de Heidenen heeft bezocht, en het was een vriendelijk bezoek. Indien zij aan zich zelven waren overgelaten geweest, dan zouden zij Hem nooit bezocht hebben, maar de kennismaking ging uit van Hem: Hij heeft niet slechts Zijn volk bezocht en verlost, maar ook hen bezocht en verlost, die lo-ammi -niet Zijn volk waren.
b. Dat de heerlijkheid Gods er het doel van was, het was, om uit hen een volk aan te nemen voor Zijn naam, dat Hem zal verheerlijken, en waarin Hij verheerlijkt zal worden. Gelijk Hij van ouds de Joden heeft aangenomen om Hem te zijn tot een volk, en tot een naam, en tot lof en tot heerlijkheid, Jeremia 13:11, zo heeft Hij nu de Heidenen daartoe aangenomen. Laat al Gods volk gedenken, dat zij aldus door God verwaardigd zijn, opdat God in hen verheerlijkt zal worden. 3. Hij bevestigt dit door ene aanhaling uit het Oude-Testament. Hij kon de roeping der Heidenen niet, zoals Petrus, bewijzen door een visioen, of door wonderen, gewrocht door zijne hand, maar hij wilde bewijzen, dat zij in het Oude Testament was voorzegd, en dus vervuld moest worden, vers 15. Hiermede stemmen overeen de woorden der profeten. De meesten der Oud-Testamentische profeten hebben meer of minder van de roeping der Heidenen gesproken, zelfs Mozes heeft dit gedaan, Romeinen 10:19. Het was de algemene verwachting van de Godvruchtige Joden, dat de Messias een Licht tot verlichting der Heidenen zou zijn, Lukas 2:32 `maar Jacobus laat de meer vermaarde profetieën hieromtrent rusten, en spreekt alleen van ene, die meer duister schijnt te zijn. nl. Amos 9:11, 12, waar voorzegd is:
a. De oprichting van het koninkrijk van den Messias, vers 16. Ik zal weder opbouwen den tabernakel David's, die vervallen is. Het verbond was gemaakt met David en zijn zaad, maar het huis en geslacht van David worden hier zijn tabernakel genoemd, omdat David in het begin zijner loopbaan een herder is geweest en in tenten heeft gewoond, en zijn huis, dat als een statig paleis is geweest, was een geringe en verachtelijke tabernakel geworden, in zekeren zin teruggebracht tot deszelfs gering en onaanzienlijk begin. Deze tabernakel was vervallen, gedurende vele eeuwen was er geen koning geweest uit het huis van David, de scepter was van Juda geweken, de koninklijke familie was vervallen, in vergetelheid geraakt, er scheen niet meer naar gevraagd te worden. Maar God zal wederkeren, en haar weder opbouwen haar opheffen uit haar verval, als de phoenix uit zijne as. En dit was nu onlangs vervuld, toen onze Heere Jezus uit dat geslacht was verwekt en Hem de troon van Zijn vader David was gegeven met de belofte, dat Hij over het huis Jakobs Koning zal zijn in der eeuwigheid, Lukas 1:32, 33. En toen de tabernakel van David aldus weer opgebouwd was in Christus, werd niet vele jaren daarna al het overige uitgeroeid en afgesneden, evenals het volk der Joden zelf, en toen zijn ook al hun geslachtsregisters verloren gegaan. De kerk van Christus kan de tabernakel van David genoemd worden, deze kan wel eens zeer tot verval komen, maar zij zal weder opgebouwd worden, hare kwijnende belangen zullen verlevendigd worden, zij is neergeworpen, doch niet verdorven, zelfs dorre doodsbeenderen kunnen levend gemaakt worden.
b. Het inbrengen der Heidenen als uitvloeisel en gevolg hiervan, vers 17, opdat de overblijvende mensen den Heere zoeken: niet alleen de Joden, die dachten, dat zij het monopolie hadden van den tabernakel David's, maar de overblijvende mensen, dezulken, die tot nu toe buiten den schoot der zichtbare kerk gelaten zijn, dezen moeten nu, na deze wederopbouwing van den tabernakel David's, er toe gebracht worden om den Heere te zoeken, er naar te vragen, hoe zij Zijne gunst kunnen verkrijgen. Als David's tabernakel opgericht is, zullen zij zoeken den Heere, hun God, en David hun' Koning, Hosea 3:5, Jeremia 30:9. Dan zal Israël het overblijfsel van Edom erfelijk bezitten, zo is het in het Hebreeuws, want de Joden noemden al de Heidenen Edomieten, daarom laten de Septuaginta de bijzondere vermelding van Edom weg, en geven de lezing, zoals zij hier is: dat de overblijvende mensen zoeken, (en Jacobus voegt er bij: den Heere,) en al de Heidenen, die naar Mijn naam genoemd worden. De Joden waren gedurende vele eeuwen zo bijzonder bevoorrecht, dat de overblijvende mensen veronachtzaamd schenen, maar nu zal God het oog op hen hebben, en Zijn naam zal door de Heidenen aangeroepen worden. Zijn naam zal onder hen bekend gemaakt worden, en zij zullen er toe gebracht worden om Zijn, naam te kennen, en hem aan te roepen, zij zullen zich het volk Gods noemen, en Hij zal hen aldus noemen, en zo zal met wederzijdse toestemming Zijn naam over hen aangeroepen worden. Wij kunnen er op rekenen, dat deze belofte ter bestemder tijd vervuld zal worden, want er wordt bijgevoegd: spreekt de Heere, die dit doet, die dit alles doet, hebben de Septuaginta dáár, en de apostel hier. Hij zegt het, die het doet, die het gezegd heeft, omdat Hij besloten was het te doen, en die het doet, omdat Hij het gezegd heeft, want bij ons zijn zeggen en doen wel twee, maar niet bij God. De vereniging van Joden en Heidenen tot een lichaam, en alles wat gedaan werd om haar tot stand te brengen, en hier voorzegd werd, was: Wat God gedaan heeft. Dit is van den Heere geschied, welke werktuigen er ook voor gebruikt werden, en, het was hetgeen, waarin God zich heeft verlustigd, waarin Hij een welbehagen heeft gehad, want Hij is de God der Heidenen, zowel als der Joden, en het is Zijne eer en heerlijkheid rijk te zijn in barmhartigheid over allen, die Hem aanroepen.
4. Hij vindt de oplossing er van in het raadsbesluit Gods, vers 18. Gode zijn alle Zijne werken van eeuwigheid bekend. Hij heeft niet slechts de roeping der Heidenen vele eeuwen geleden door Zijne profeten voorzegd (en daarom moet zij ons gene verrassing zijn en gene ergernis), maar Hij heeft haar voorzien en voorverordineerd in Zijn eeuwigen raad, die ontwijfelbaar wijs, en onveranderlijk vast is. Het is een voortreffelijk grondbeginsel, dat hier betreffende alle Gods werken gesteld wordt, beide in de voorzienigheid en in de genade, in het rijk der natuur en in het geestelijk rijk, dat zij Hem allen van eeuwigheid bekend zijn geweest, van den tijd af, toen Hij voor het eerst begon te werken, dat Zijn kennen er van veronderstelt van voor de grondlegging der wereld, (zoals het in andere Schriftuurplaatsen wordt uitgedrukt) en dus van alle eeuwigheid. Al wat God doet, heeft Hij te voren besloten te doen, want Hij werkt alles, niet slechts naar Zijn wil, maar naar den raad Zijns willens, Hij doet niet slechts al wat Hem behaagt, Psalm 135:6, en al wat Hij besloten heeft, hetgeen meer is dan wij kunnen, want onze voornemens worden zo dikwijls verijdeld, maar Hij heeft bepaald al wat Hij doet, wat Hij ook moge zeggen om ons op de proef te stellen, Hij zelf weet wat Hij doen zal, want wij kennen te voren onze werken niet, maar wij moeten doen wat onze hand vinden zal, 1 Samuël 10:7, of naar de gelegenheid het vereist. Wat wij in dit of dat geval doen zullen, kunnen wij niet zeggen voor dat het er toe komt, maar Gode zijn alle Zijne werken bekend, in de rolle van Zijn boek (genaamd het geschrift der waarheid, Daniël 10:21) zijn zij allen ordelijk geschreven, zonder enigerlei doorhaling of tussenschrijving, Psalm 40:7, en op den dag van het overzicht zullen zij bevonden worden nauwkeurig overeen te komen met Zijn raad, zonder de minste vergissing of afwijking. Wij zijn arme, kortzichtige schepselen, de wijsten der mensen kunnen slechts een zeer klein eindje voor zich uitzien, en volstrekt niet met enige zekerheid, maar dit is onze troost, dat er, in welke onzekerheid wij ons ook mogen bevinden, ene onfeilbare zekerheid is in de Goddelijke voorwetenschap, Gode zijn alle Zijne werken bekend.
5. Hij geeft zijn advies omtrent hetgeen in het onderhavige geval te doen is, zoals de zaak nu stond met betrekking tot de Heidenen, vers 19. Daarom oordeel ik, ego krinoo Ik geef het als mijne mening, of oordeel, niet als gezaghebbende over de overigen, maar als hun mede-raadsman. Nu is zijn raad:
A. Dat de besnijdenis en de waarneming van de ceremoniële wet den bekeerlingen uit de Heidenen volstrekt niet opgelegd moeten worden, ja zij moeten hun niet eens aangeraden of aanbevolen worden. "Er zijn velen van de Heidenen, die tot God bekeerd zijn in Christus, en wij hopen, dat er nog zeer velen zullen komen, die dat doen. Nu ben ik er beslist voor, dat men hun alle mogelijke tederheid moet betonen, hun gene harde, moeilijke dingen moet opleggen, hen niet moet ontmoedigen," mê parenochlein -"hun gene kwelling of overlast aan te doen, hun gene onrust te veroorzaken, generlei zaak bij hen aan te roeren, die hen ontroert, gewetensbezwaren bij hen doet ontstaan, hen in verwarring brengt." Men moet er zich zeer zorgvuldig voor wachten om jonge bekeerlingen met twistige samensprekingen te ontrusten of te ontmoedigen. Laten de hoofdzaken van den Godsdienst, die een ontwaakt geweten geredelijk zal aannemen, eerst diep bij hen ingeprent zijn, dezen zullen hen bevredigen en rust geven, maar laten hun gene vreemde of bijkomstige zaken opgedrongen worden, die hen slechts zullen verontrusten, of beroeren. Het koninkrijk Gods, waarin zij onderwezen moeten worden, is niet spijs en drank, het aandringen op, of het opdringen van, onverschillige zaken zal hen slechts benauwen, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door den Heiligen Geest, welke-dies zijn wij zeker-niemand zal ontrusten of beroeren.
B. Dat het echter goed zou zijn, dat de Heidenen in sommige dingen, die den Joden het meest aanstoot geven, zich naar hen voegen. Omdat zij hun niet in zo ver moeten toegeven, dat zij zich aan de besnijdenis onderwerpen, en de gehele wet onderhouden, volgt hieruit toch niet, dat zij in voortdurende tegenspraak met hen moeten handelen, er zich op moeten toeleggen hen te prikkelen en te ergeren. Het zal den Joden genoegen doen (en als zulk ene kleine zaak hen kan verplichten, dan is dit beter dan hen te dwarsbomen) zo de Heidenen zich onthouden:
a. Van de dingen, die door de afgoden besmet zijn, en van hoererij, twee slechte zaken, waarvan men zich ten allen tijde moet onthouden, maar hun schrijvende, bijzonder en uitdrukkelijk om er zich van te onthouden, (want de Joden waren achterdochtig ten opzichte van deze dingen, verdachten de bekeerlingen uit de Heidenen, dat zij zich hieraan schuldig maakten) zal den Joden zeer bijzonder genoegen doen, niet alsof de apostelen in hun prediking tot, en hun schrijven aan, de Heidenen, die het Christendom omhelsden, hen niet met nadruk gewaarschuwd hebben: Ten eerste: Tegen de dingen, die door de afgoden besmet zijn, zij moeten generlei gemeenschap hebben met afgodendienaars in hun afgodendienst, inzonderheid hun offermaaltijden. Zie 1 Corinthiërs 10:14, enz., 2 Corinthiërs 6:14 enz. Ten tweede. Van hoererij en alle onreinigheid. Hoe overvloedig en dringend is Paulus in zijne waarschuwing tegen deze zonde! 1 Corinthiërs 6:9, 15, Efeze 5:3. Maar de Joden, die bereid waren het ergste te denken van hen, die zij niet beminden, opperden de mening, dat dit dingen waren, waarin de Heidenen zich-zelfs na hun bekering- toegaven, en die de apostelen der Heidenen oogluikend toelieten. Om nu dezen bozen argwaan weg te nemen en den laster te voorkomen, stelt Jacobus voor, dat, bij de vermaningen, die hieromtrent door hun leraren tot hen gericht werden, zij ook in het openbaar vermaand zouden worden om zich te onthouden van de dingen, die door de afgoden besmet zijn, en van hoererij, dat zij hieromtrent zeer omzichtig moesten zijn en allen schijn van dit tweeërlei kwaad moesten vermijden, dat op zo bijzondere wijze aanstotelijk is voor de Joden.
b. En van het verstikte en van bloed, die, hoewel niet gelijk de andere twee, in zich zelven kwaad zijn, aangeduid worden om er zich van te onthouden, zoals die, welke door de voorschriften van Noach verboden zijn, Genesis 9:4, voor de wetgeving van Mozes. En de Joden hadden er een' groten afkeer van, evenals van allen, die zich de vrijheid veroorloofden om ze te gebruiken. Laten de bekeerden uit de Heidenen dus, ten einde geen ergernis te geven, zich in hun vrijheid hierin beperken, 1 Corinthiërs 8:9, 13. Aldus moeten wij allen alles worden.
C. Hij geeft ene reden voor zijn advies. -Dat den Joden groten eerbied betoond moet worden, want zij waren zo lang gewoon aan de plechtige geboden van de ceremoniële wet, dat men het in hen dragen moet, als zij daar niet zo terstond los van kunnen worden, vers 21. Want Mozes heeft er van oude tijden in elke stad, die hem prediken, zijne geschriften, (waarvan een aanmerkelijk deel de ceremoniële wet bevat) worden op elke dag in de synagogen gelezen. "Gij kunt het niet in hen laken, dat zij groten eerbied hebben voor de wet van Mozes, want zij zijn er zeer stellig van overtuigd, dat God door Mozes gesproken heeft".
a. Mozes wordt hun voortdurend gepredikt, en zij worden geroepen en aangespoord, om der wet van Mozes te gedenken, Maleachi 4:4. Zelfs het woord Gods, dat voor ons geschreven is, moet ons ook gepredikt worden, zij, die de Schriften hebben, hebben ook leraren nodig, die hen helpen om de Schriften te verstaan en toe te passen.
b. "Zijne geschriften worden op ene plechtige, Godsdienstige wijze gelezen in hun synagogen, en op den sabbat, in de plaats en op den tijd van hun samenkomst ter Godsverering, zodat zij van kindsbeen af opgevoed zijn in eerbied voor de wet van Mozes, het waarnemen daarvan maakt een deel uit van hun Godsdienst".
c. "Dit werd gedaan van oude tijden af, zij kunnen zich dus op de oudheid beroepen".
d. "Dit werd gedaan in elke stad, overal waar Joden zijn, zodat niemand hunner onwetend kan zijn omtrent den nadruk, die hierop gelegd is. Hoewel het Evangelie ons nu van deze dingen bevrijd heeft, kunnen zij toch niet gelaakt worden, als zij er zich niet van los kunnen maken, niet plotseling bewogen kunnen worden om deze dingen als onnodig en zonder enig belang te beschouwen, waarin hun, en hun vaderen voor hen, gedurende zo langen tijd geleerd was, ja zelfs van God geleerd was, Godsdienst te stellen. Daarom moeten wij hun tijd geven, hen tegemoet komen, hen voor ene wijle verdragen, hun toegeven voor zoveel wij dit kunnen zonder onze Evangelie-vrijheid te verraden". Aldus toont de apostel den geest der gematigdheid, zorg dragende, om Jood noch Heiden aanstoot te geven, zoveel mogelijk beiden ter wille te zijn en geen van beiden te prikkelen. Wij moeten het niet vreemd vinden, als de mensen gehecht zijn aan zeden en gewoonten, die hun door hun vaderen overgeleverd zijn, en die men hun geleerd heeft als heilig te beschouwen. Daarom moet men in zulke gevallen toegevendheid maar gene strengheid gelijken.