26. En Jozef stierf, honderd en tien jaar oud zijnde. En zij balsemden hem (zie
Genesis 50:3) en men legde hem in een kist, een kist van Sycomorenhout. Dit was van bijzonder gewicht, daar een stenen Sarcofaag bij later vervoer ongeschikt zou geweest zijn. Deze werd niet, als bij Jakob, aanstonds weggevoerd; zij behielden die nog in Egypte, totdat zij die, 144 jaar later, meenamen (
Exodus 13:9), en op het veld bij Sichem bestelden. 1)
Jozua 24:22). 1) Men spreekt van ziekte en dood: ook ik ga sterven, wellicht dan, als ik er het minst op reken. Dit bedroeft mij. De gedachte grijpt mij aan. Waarom vrees ik de dood? Heeft de genade mijn zonden niet allen weggenomen, en is de hemel niet mijn zeker erfdeel? Toch blijf ik vrezen, en verdraag de doodsgedachte enkel uit de verte; zodra ik de dood nabij waan, schud ik de gedachte af. Ik wend mijn gezin, mijn zaken voor; het schijnt mij toe, als zou ik gemakkelijker heengaan, indien mijn zaken geregeld werden, maar heb ik inderdaad geen andere zorg, dan mijn huis te bereiden, voordat ik sterf? Is de vrees met veeleer ongeloof, gehechtheid aan het aardse. wereldse, zondige leven? Zou ik waarlijk wensen heen te gaan, indien mijn goed groter, mijn gezin verzorgd was, indien mijn zaken in orde waren? Integendeel, juist dan zou ik het heengaan betreuren, omdat het leven mij zoeter was geworden; ik zou de vijftien jaar levensverlenging van Hizkia vragen, en de reden en, waarmee ik de vraag zou aandringen, ontbraken mij gewis niet; ik vrees in de eerste plaats het lijden, maar het meest de dood. Ik vrees Uw toorn niet; ik ben zeker van vergeving, en met de zekerheid van mijn zaligheid vrees ik toch te sterven. Ik geloof aan de hemel en vrees de toekomst. Hoe tegenstrijdig, ik kan mij dit niet verklaren, maar Heere! Gij kunt het raadsel oplossen door het geloof te versterken. Geef mij geloof, onvoorwaardelijk vertrouwen op U, die mij het leven en de adem gegeven hebt. Gij kunt het doen. Gij deed het; ik heb bij ogenblikken dat volkomen vertrouwen gekend; ik was bij ogenblikken los van de aarde; mij dunkt, in die tijd zou ik blij tot Christus hebben kunnen gaan. Och, hergeef mij die gelukkige zieletoestand, en mocht ik met kalme blijdschap in de heiligmaking mijn overgang van de aarde naar de hemel verwachten.
De dood is, ja, een ontzettende zaak, die sloop van mijn hut, die scheuring van de nauwe band, die koning van de verschrikking! Sterven! Vreemde, nooit door mij beproefde gebeurtenis! Maar, o mijn ziel! Is hij niet een Ahimaäz, een boodschapper van goede tijding, een engel van Petrus, die de boeien slaakt, een Noach's duivel, die met de palmtak van de overwinning aan komt vliegen, en de verordende weg, die uw Verlosser, uw liefhebbende Verlosser, inslaat, met onbegrensde wijsheid inslaat, om u van de zonde te verlossen? Zijn bestelling maakt de dood tot een hemelpoort, tot een doorgang in het eeuwige leven. Hij houdt die weg om redenen, tot bereiking van einden, en tot toediening van onderwijzingen, die in de eeuw van de ontwikkeling duidelijk zijn zullen; dus zal ik ook in dit opzicht tot die bestelling, die de gelovigen sterven doet, en mij een zal doen sterven, eenmaal uitroepen, en ik doe het nu bij voorraad: "God heeft alles welgedaan!"
Zo eindigt het geheel met doodkisten; rouwklachten en begrafenissen, en met de blik in de toekomst. De tijd van de belofte was voorbij; er volgt nu een zwijgen van 104 jaar, waarin de tijd, evenals de stroom van de Nijl, zonder geschiedenis voortvloeit, totdat uit het riet van die stroom een biezen kistje met een wenend knaapje wordt opgeheven. Daarmee begint de tijd van de wet.
De gewichtigste tijdpunten in het leven van de Patriarchen zijn:
na de schepping. voor Christus Abrahams uittocht uit Haran.... 2083 1917
Ismaëls geboorte.........2094 1906
Instelling van de besnijdenis...2107 1893
Isaak's geboorte.......... 2108 1892
Sara's dood............2145 1855
Isaak's huwelijk.......... 2148 1852
Geboorte van Ezau en Jakob.... 2168 1832
Abrahams dood......... 2183 1817
Jakob's vlucht naar Mesopotamië 2245 1755
Ismaëls dood......... 2231 1769
Jozefs geboorte.......... 2259 1741
Jakob's terugkeer na 20 jaar.... 2265 1735
Jozef wordt verkocht....... 2276 1724
Izaak sterft............2288 1712
Jozefs verhoging.........2289 1711
Verhuizing naar Egypte......2298 1702
Jakob sterft......... 2315 1685
Jozef sterft......... 2369 1631
SLOTWOORD
Dat werkelijk Mozes, zoals het opschrift aangeeft, de schrijver van het boek is, lijdt geen twijfel. Hij, in wie het rijp geworden einde van een periode van de geschiedenis met het scheppend begin van de andere vermengd is, hij in wie een lang verleden zijn toppunt bereikt heeft en een ver reikende toekomst zijn wortel heeft; hij was ook alleen in staat, het boek der beginselen te schrijven; alleen hij, met wie de verdere openbaring, die God door hem, de grootste van alle profeten van het Oude Testament gegeven heeft, in een zo nauwe, organische samenhang staat. Het boek verraadt ook duidelijk, dat het zijn werk is, daar het door grootse volvoering van een zorgvuldig berekend plan, door geestvolle en toch eenvoudige voorstelling, door beheersing van de stof, door nauwkeurige bekendheid zelfs met toestanden uit vreemde landen zich onderscheidt. Daarin erkennen wij zo geheel de in alle wijsheid van de Egyptenaren onderwezen man, de kinderlijke naïeve herder van Midian, de machtige leidsman van een volk van honderdduizenden, de door Gods Geest verlichte Middelaar van het Oude Verbond. Maar, wanneer en op welke wijze heeft hij het boek geschreven? -Waarschijnlijk vatte Mozes van de tijd af, toen Israël tot straf voor zijn hardnekkigheid tot een veertig jaren omzwerven in de woestijn veroordeeld was (Numeri. 14:20, ), nadat hij reeds verschillende gewichtige gebeurtenissen en enige wetten op Goddelijk bevel had moeten optekenen (Exodus 17:14 24:4, 34:27 Numeri 33:2), gedrongen door de Heilige Geest, het voornemen op, om een volledig wetboek en een volledige geschiedenis van zijn volk te schrijven (de Thora). De veertig jaren gaven hem de nodige tijd. Hij maakte gebruik van de, bij de vroegtijdige bekendheid van de schrijfkunst, die Israël in Egypte verkregen had, en wellicht vroeger al bezeten had, reeds voorhandene oorkonden; hij vond daarin, zowel zorgvuldig aangelegde geslachtsregisters, als ook een voortgaande samenstelling van de door het geslacht van de vromen bewaarde en door de vaderen verder aangevulde (zie Hoofdstuk 5:32 Aanm. zie Exodus 5:32) heilige overlevering. Zich ten nutte makende, wat hem verder door mondelinge overlevering bekend was, en onder voortdurende leiding en bewaring van de, in bijzondere mate, op hem rustende Geest van God, vervaardigde hij zijn eerste boek, dat hij als een soort van inleiding vooraan plaatste; toen hij, aan het einde van zijn loopbaan, ook de overige boeken geëindigd, en, nog kort voor zijn dood, de laatste hand daaraan gelegd had..
Het is zeer juist, wanneer de geleerden over twee bronnen spreken, die duidelijk in het eerste boek van Mozes te onderscheiden zijn, en de ene het grondschrift, de andere het aanvullings-geschrift noemen; maar niemand anders, dan Mozes zelf, is de aanvuller, hij, aan wie de naam "Jehova" zo uitdrukkelijk geopenbaard was (Exodus 3:13, ), en die daarom bij bearbeiding van het grondschrift deze naam overal kon gebruiken, waar hij die naar zijn bijzondere betekenis (Genesis 2:6 Aanm. zie Genesis 2:6) voor juister erkende dan de oorspronkelijk gebruikte naam: Elohiem (God) (Exodus 6:3. "Het grondschrift vertoond zich als het eenvoudig, liefelijk gewas, dat uit de dood van de geslachten vóór Abraham, en uit het leven van de zich vandaar af vormende heilige familie als vanzelf opkwam, natuurlijk en door de feiten zelf ontwikkeld, daarom nog zonder bepaald doel en in meer algemene voorstelling; de aanvulling daarentegen, die zich van deze algemene voorstelling meester heeft gemaakt, en haar een nieuw leven heeft gegeven, ziet van een bepaald standpunt, van een hoogte van kennis en geloof, waarop de vaderen nog niet stonden, in de feiten van het verleden terug, en ziet daar, in het licht van de Geest, die van boven is, veel, wat tevoren geweest was. Het grondschrift, terwijl het met het ontstaan het vergaan aaneenknoopt, is vooral genealogisch, de aanvulling daarentegen veel meer bepaald religieus-ethisch: het eerste is het lichaam, deze brengt in dit lichaam, naar haar alles beheersende en, op de resultaten lettende, ethische gezichtspunten, geest en leven.
Als wij het eerste bijbelboek met een oplettend oog beschouwen, blijkt het, dat het, ofschoon door Mozes in zijn geheel tezamen gebracht, echter uit onderscheidene afzonderlijke stukken is samengesteld, die reeds vroeger op zichzelf bestonden, en tot Mozes van de vaderen zijn gekomen, zoals dit door de beroemde Vitringa (Observat. Sacrae) zeer duidelijk is aangewezen. Men heeft van deze opmerking, in onze laatste tijd, een schromelijk misbruik gemaakt, om de ware, Goddelijke oorsprong van die oude verhalen twijfelachtig te maken, en alles tot bloot menselijke en mythologische verhalen te vernederen; daarvoor is niet de minste reden, nooit was dat het oogmerk van genoemde geleerde. Alles hangt hier in één onverbrekelijke schakel tezamen, waarvan niet het minste deel kan worden gemist, zonder het geheel van alle waarde en kracht te beroven, maar ook de waarheid van het geheel bevestigt onweersprekelijk dit van elk bijzonder gedeelte.
Tegenover de afbrekende kritiek kan op goede en voldoende gronden, zowel de echtheid als de geloofwaardigheid van dit eerste boek van Mozes, gestaafd worden. Wie niet met vluchtige blik, maar nauwkeurig, dit boek leest en herleest, zal tot de slotsom moeten komen, dat het van één hand is, door één persoon geschreven, die wel bronnen heeft gebruikt, die wel alles van tevoren naarstig heeft onderzocht, maar daardoor ook juist de man was, om onder en door de leiding van de Heilige Geest, Die in de waarheid leidt, wat hij wist, wat hem geopenbaard was, op schrift te brengen. Bij nauwkeurig onderzoek blijkt het, dat Mozes niet alleen de schrijver kan zijn, maar ook geweest moet zijn; door inspiratie van de Heilige Geest, en door zijn kennis van kunsten en wetenschappen, straks geheiligd door een veertigjarig vertoeven in de woestijn, juist de man kon zijn, om de oudste geschiedenis van de mensheid, tot op zijn tijd, te boek te stellen. Alles verraadt de man, die volleerd in de gave van de geschiedschrijvers, dit boek naar een bepaald plan en volgens een tevoren opgemaakt bestek, heeft geschreven. Men heeft interpolaties, bijvoegingen van latere overschrijvers, aangenomen, ook van gelovige zijde, maar wanneer men bedenkt, dat Mozes niet alleen geleerde was, maar ook Profeet, ja, als het ware de grootste van alle Profeten, dan behoeft men niet te stellen, dat, o.a. de vermeldingen van koningen van Edom, "eer een koning regeerde over de kinderen van Israël" (Genesis 36:31 een interpolatie, een bijvoeging van een latere overschrijver is. Het verschilt zo veel, of men tegenover dit boek gaat zitten om het te ontleden, als een product van menselijke kennis en geleerdheid, dan wanneer men het aanmerkt als een Boek, geschreven door een man van God, die door de Heilige Geest werd gedreven, en daarom niet alleen voor feiten was gevrijwaard, maar ook, waar het de toekomst gold, een profetische blik in die toekomst had. De afbrekende kritiek heeft voor dit laatste geen gezicht, evenmin, zoals wij later zullen zien, als voor het feit, dat, waar er verschil schijnt te bestaan tussen wetten, die op dezelfde zaak betrekking hebben, Mozes gerekend heeft met de eigenaardige behoeften en toestanden. Wij voor ons zijn door de behandeling van dit eerste boek van Mozes in het geloof bevestigd, dat het in zijn geheel, zoals het daar ligt, van Mozaïsche redactie is, en tevens een boek, waarin, door Gods genade, ons de oudste geschiedenis wordt meegedeeld van het menselijk geslacht en van het oude Bondsvolk Israël..
Al de hedendaagse ontdekkingen en vorderingen in kunsten en wetenschappen hebben slechts gediend, om de waarheid van de door Mozes verhaalde gebeurtenissen te bevestigen. -Zonder deze geschiedenis zouden wij in het duister verkeren, niets wetende van de wording van de wereld, de oorsprong van de zonde, de eerste geschiedenis van het mensdom. Nu kan een kind op de eerste bladzijden van Genesis meer daarvan weten, dan de geleerdste wijsgeren zonder dit boek daarvan in vierduizend jaren geweten hebben. Gij hebt vóór u de oudste en meest echte geschiedenis van de wereld: een geschiedenis die de eerste geschreven openbaring van God aan de mensen bevat; de openbaring van Zijn bestaan, van Zijn macht, wijsheid en goedheid, die voor u en voor al wat mens heet, van zo groot belang is. Hoeveel zijt gij Hem dan verschuldigd voor die ontdekking, die Hij alleen u geven kon, en daarvoor, dat Hij u liet merken, wat gij aan Zijn wijsheid en barmhartigheid verschuldigd zijt. God heeft u gemaakt, zowel als het hele heelal; Hij bestuurt uw lot, zoals dat van allen, met Goddelijke wijsheid en liefde: wie God veracht, wordt verdelgd; wie God bemint, wordt gezegend en opgenomen in Zijn heerlijkheid. Ziet daar de grote lessen van dit eerste bijbelboek!.