Genesis 50:22-26
Hier is:
1. De verlenging van Jozefs leven in Egypte hij leefde totdat hij honderd en tien jaar oud was, vers 22. Zijn vader geëerd hebbende, zijn zijn dagen verlengd in het land, dat God hem voor het ogenblik had gegeven en het was een groot voorrecht, een zegen voor zijn bloedverwanten, dat Hij hem hun nog zo lang tot steun en troost liet blijven.
2. Het opbouwen van Jozefs geslacht, hij leefde om nog zijn achterkleinkinderen te zien bij zijn beide zonen, vers 23, en waarschijnlijk zag hij zijn twee zonen plechtig erkend als hoofden van twee aparte stammen, de gelijken dus van zijn broers. Het is aan bejaarde ouders fijn en tot grote vertroosting te zien, dat hun nageslacht bloeit, zeker als zij daarbij ook vrede zien over Israël, Psalm 128:6.
3. De laatste wilsbeschikking van Jozef, meegedeeld aan zijn broers, toen hij de dood zag naderen. Van hen, die in de eigenlijke zin zijn broeders waren, zijn sommigen misschien nog voor hem gestorven, daar de meesten van hen ouder waren dan hij, maar aan hen, die nog leefden, en aan de zonen van hen, die gestorven waren en die de plaats innamen van hun vaderen, heeft hij dit gezegd.
A. Hij vertroostte hen met de verzekering, dat zij op zekere tijd naar Kanaän zouden terugkeren, vers 24. "Ik sterf, maar God zal u gewisselijk bezoeken". In diezelfde zin heeft Jakob tot hem gesproken, Genesis 48:21. Aldus moeten wij anderen vertroosten met dezelfde vertroosting, waarmee wij zelf van God vertroost zijn geworden, en hen aanmoedigen om te steunen op de beloften, die ook ons tot steun zijn geweest. Onder God is Jozef de beschermer en weldoener van zijn broers geweest, en wat zal er van hen worden, nu hij gaat sterven? Wel, laat dit hun troost wezen: "God zal u gewisselijk bezoeken". Gods genadige bezoekingen zullen dienen om ons het verlies te vergoeden zelfs van onze beste vrienden. Zij sterven, maar wij kunnen leven en getroost leven, als God met ons is, en ons Zijn gunst doet genieten. Hij zegt hun hier zeker van te wezen: "Hij zal u doen optrekken, uit dit land", en daarom:
a. Moeten zij de hoop niet koesteren van er zich blijvend te vestigen, het niet beschouwen als hun rust tot in eeuwigheid, zij moeten hun hart zetten op het land van de belofte, en dat hun vaderland, hun woning, noemen.
b. Zij moeten niet vrezen dat zij er zullen verminderen of te gronde gaan. Waarschijnlijk voorzag hij de mishandeling, die hun na zijn dood aangedaan zou worden, en daarom richt hij dit woord van bemoediging tot hen: "God zal u ten laatste in triomf opvoeren uit dit land." Hierin heeft hij het oog op de belofte, Hoofdstuk 15:13, 14, en in de Naam van God verzekert hij hun van de vervulling ervan.
B. Als een belijdenis van zijn eigen geloof, en tot verzekering van hun geloof, gebiedt hij hun hem onbegraven te laten totdat de dag, de heerlijke dag zal komen wanneer zij in het land van de belofte gevestigd zullen zijn, vers 25. Hij doet hen onder ede beloven, dat zij hem in Kanaän zullen begraven. In Egypte heeft men aanzienlijke personen op zeer eervolle wijze begraven, met zeer veel pracht en staatsie, maar Jozef geeft de voorkeur aan een betekenisvolle begrafenis in Kanaän, en die nog bijna twee honderd jaar uitgesteld moest worden, boven een prachtige begrafenis in Egypte. Aldus heeft Jozef door het geloof in de leer van de opstanding en de belofte van Kanaän bevel gegeven van zijn gebeente, Hebreeën 11:22. Hij sterft in Egypte, maar stelt zijn gebeente ten onderpand, dat God zeker Israël zal bezoeken en zal opvoeren naar Kanaän.
4. De dood van Jozef en de bewaring van zijn lichaam om in Kanaän te worden begraven vers 26. "zij balsemden hem, en men leide hem in een kist in Egypte." maar begroef hem niet voordat zijn kinderen hun erfdeel in Kanaän hadden ontvangen, Jozua 24:32. Indien de ziel bij het sterven slechts weerkeert tot haar rust bij God, dan doet het er weinig toe of het door haar verlaten lichaam niet spoedig, of wel in het geheel niet, tot zijn rust komt in het graf. Er behoort echter zorg te worden gedragen voor de dode lichamen van de heiligen in het geloof aan hun opstanding, want er is een verbond met het stof, dat gedacht zal worden, en er is een gebod gegeven betreffende hun gebeente.