Genesis 4:13-15
Wij hebben hier nog een nader bericht van de maatregelen, genomen tegen Kaïn.
I. Hier is Kaïns klacht over zijn vonnis, als hard en streng. Sommigen laten hem de taal van de wanhoop spreken, en lezen dan: Mijne misdaad is groter dan dat zij vergeven kan worden, en dan is wat hij zegt een smaad en belediging van de genade Gods, waarvan alleen diegenen het voordeel zullen genieten, die er op hopen. Er is bij de God van genade vergeving voor de grootste zonden en zondaars, maar die er aan wanhopen verbeuren haar. Even te voren had Kaïn zijn zonde nog zeer licht geacht, maar nu vervalt hij in een ander uiterste: Satan drijft zijn vazallen van trotse eigenwaan naar wanhoop. Wij kunnen niet slecht genoeg denken van de zonde, mits wij haar slechts niet onvergeeflijk achten. Maar Kaïn schijnt veeleer de taal van toorn en verontwaardiging te spreken: Mijn straf is groter dan ik dragen kan, en zo is hetgeen hij zegt een smaad en belediging van Gods gerechtigheid, een klacht, niet over de grootte van zijn zonde, maar van het uiterst strenge van zijn straf, alsof die in geen verhouding stond tot hetgeen hij verdiend had. In plaats van God te rechtvaardigen in zijn vonnis, veroordeelt hij Hem, de straf van zijn ongerechtigheid niet aannemende, maar haar betwistende. Mensen, die onboetvaardig zijn, wier hart niet verootmoedigd is geworden, zullen zich door Gods bestraffing niet terecht laten brengen, omdat zij denken dat zij er door verongelijkt werden, en het is een blijk van grote verharding om meer bekommerd te zijn om ons lijden dan om onze zonden. Farao's bekommernis gold meer: slechts deze dood, dan deze zonde, Exodus 10:17, en zo was het ook hier met Kaïns bekommernis. Hij is een levend mens, en toch klaagt hij over de straf van zijn zonde, Klaagliederen 3:39. Hij denkt hard en uiterst streng behandeld te zijn, terwijl hij in waarheid een genadige behandeling ondervindt, en hij roept over onrecht, als hij meer reden heeft zich er over te verwonderen, dat hij niet in de hel is. Wee hem, die aldus twist met zijn Maker, en in het gericht treedt met zijn Rechter.
Merk op, hoe hij, om zijn klacht te rechtvaardigen, lang en breed over zijn vonnis uitweidt.
1. Hij ziet er zich van de gunst van zijn God door buitengesloten, en komt tot de gevolgtrekking, dat hij, vervloekt zijnde, verborgen was van voor Gods aangezicht, hetgeen ook inderdaad de wezenlijke aard is van Gods vloek. Dat bevinden veroordeelde zondaren tot wie gezegd wordt: Gaat weg van Mij, gij vervloekten! Diegenen zijn in waarheid vervloekt, die voor eeuwig uitgesloten zijn van Gods liefde en zorg, en van alle hoop op Zijn genade.
2. Hij ziet zich verdreven van alle genoegens van dit leven, en komt tot de gevolgtrekking dat hij, een zwerver zijnde, in werkelijkheid heden verdreven is van de aardbodem. Men kan evengoed geen plaats op aarde hebben, als er geen gevestigde plaats op te hebben, het is beter in het graf te rusten, dan in het geheel niet te rusten.
3. Hij ziet er zich door in de ban gedaan, afgesneden van de gemeente, onder verbod van de openbare inzettingen van de Godsdienst bij te wonen. Zijn handen vol van bloed zijnde, moet hij niet meer vergeefs offers brengen, Jesaja 1:13, 15. Misschien bedoelt hij dit met zijn klacht, dat hij verdreven is van de aardbodem, want, buitengesloten van de kerk, die nog door niemand verlaten was, was hij verborgen van voor Gods aangezicht, niet toegelaten zijnde om zich met de kinderen Gods voor de Heere te stellen.
4. Hij ziet er zich door blootgesteld aan de haat en de kwaadwilligheid van heel het mensdom. Het zal geschieden, dat al wie mij vindt mij zal doodslaan. Waar hij ook omdoolt, overal is hij in levensgevaar, dat denkt hij ten minste, en, als iemand, die door schuldeisers wordt vervolgd, meent hij in ieder die hij ontmoet, een gerechtsdienaar te zien. Er was niemand in leven dan die zijn naaste bloedverwanten waren, maar zelfs voor hen is hij met recht bevreesd, die zelf zo barbaars is geweest voor zijn broeder. Sommigen lezen hier: al wat mij vindt zal mij doden: niet slechts Al wie onder de mensen, maar Al wat, onder de schepselen, zich buiten Gods bescherming vindende, ziet hij geheel de schepping in de wapens tegen zich. Schuld, die niet vergeven is, vervult de mensen met voortdurende angt, Spreuken 28:1, Job 15:20, 21, Psalm 53:6. Het is beter te vrezen, en niet te zondigen, dan te zondigen en daarna te vrezen. Dr. Lightfoot denkt, dat dit woord van Kaïn gelezen moet worden als een wens: Laat het daarom nu zijn, dat ieder die mij vindt mij moge doodslaan. Zijn ziel in hem verbitterd, "verlangt hij naar de dood, maar hij is er niet" Job 3:20-22, zoals ook zij, die onder geestelijke pijniging zijn, Openbaring 9:5, 6.
II. Hier is Gods bekrachtiging van het vonnis, want als Hij oordeelt, zal hij overwinnen, vers 15.
Merk hier op:
1. Hoe Kaïn in toorn beschermd wordt door deze verklaring, bekend gemaakt, naar wij kunnen veronderstellen, aan geheel de kleine wereld, die er toen was: Zevenvoudige wraak zal genomen worden op hem die Kaïn doodslaat omdat daardoor het vonnis, dat over hem geveld was (dat hij zwervende en dolende zou zijn op de aarde) te niet gedaan zou worden. Veroordeelde gevangenen zijn onder de bijzondere bescherming van de wet, zij die tot offers aan de openbare gerechtigheid bestemd zijn, moeten niet aan particuliere wraak geofferd worden. Daar God ten opzichte van Kaïn gezegd had: Mijne is de wraak, Ik zal het vergelden, zou het een vermetele aanmatiging geweest zijn, in wie het ook zij, die God het zwaard uit de hand zou willen nemen, een minachting jegens een uitdrukkelijke verklaring van Gods wil en bedoeling, die daarom zevenvoudig gewroken zou worden. God heeft wijze en heilige bedoelingen met de bescherming en verlenging van het leven van zeer goddeloze mensen. Met sommigen handelt God naar het gebed in Psalm 59:12. Dood hem niet, opdat mijn volk het niet vergete, doe hem omzwerven door Uw macht. Indien Kaïn onmiddellijk gedood was, hij zou vergeten zijn Prediker 8:10, maar nu hij leeft, is hij een vreselijker en duurzamer monument van Gods gerechtigheid, is hij, als het ware, opgehangen in een keten.
2. Hoe hij in toorn getekend wordt, De Heere stelde een teken aan Kaïn, om hem van het overige mensdom te onderscheiden, en aan te duiden, dat Hij de man was, die zijn broeder had vermoord, aan wie niemand leed moest doen, maar wie iedereen moest verafschuwen. God brandmerkte hem, (zoals sommige kwaaddoeners op de wang gebrandmerkt werden) en stelde zo'n zichtbaar en onuitwisbaar teken van schande en oneer aan hem, dat alle verstandige lieden hem zullen schuwen, zodat hij niet anders dan een zwerver en omdolende kon wezen, het uitvaagsel van alles.