Job 15:17-35
Elifaz, Job bestraft hebbende voor zijn antwoorden, handhaaft nu zijn stelling, waarop hij zijn afkeuring van Job gegrond heeft. Zijn mening is dat zij, die goddeloos zijn, gewis ook ellendig en ongelukkig zijn, waaruit hij afleidt dat zij, die ellendig en ongelukkig zijn, gewis ook goddeloos moeten wezen, en dat bijgevolg ook Job dit is.
Merk op:
I. Zijn plechtige inleiding tot deze rede, waarin hij om Jobs aandacht vraagt, die hij weinig reden had te verwachten, daar hij zelf zo weinig aandacht geschonken of waarde gehecht heeft aan hetgeen Job had gezegd, vers 17. "Ik zal u zeggen wat waard is gehoord te worden, en niet, zoals gij, met onnutte praat aankomen." Zo geneigd zijn de mensen om, als zij de redenen van anderen veroordelen en verwerpen, hun eigene te prijzen en aan te bevelen. Hij belooft hem te zullen onderwijzen:
1. Uit zijn eigen ervaring en waarneming, hetgeen waarvan ik verscheidene voorbeelden gezien heb, zal ik u vertellen." Het is van groot nut om kennis te nemen van de leidingen van Gods voorzienigheid aangaande de kinderen der mensen, waaruit wij menige nuttige lering kunnen trekken. De goede waarnemingen, die wij gedaan hebben en waaraan wij voordeel hebben ontleend voor onszelf, moeten wij gaarne bereid zijn mee te delen ten voordele van anderen, en wij kunnen met vrijmoedigheid en verzekerdheid spreken als wij vertellen wat wij gezien hebben.
2. Uit de wijsheid van de ouden, vers 18, hetwelk de wijzen verkondigd hebben en men voor hun vaderen niet verborgen heeft. De wijsheid en geleerdheid van de mensen uit de nieuwere tijd zijn grotendeels ontleend aan die van de ouden. Goede kinderen zullen zeer veel leren van hun goede ouders, en wat wij geleerd hebben van onze voorouders, moeten wij overleveren aan onze nakomelingen en niet voor de toekomstige geslachten verbergen. Zie Psalm 78:3-6. Als de draad van de kennis van vele eeuwen afgesneden wordt door zorgeloosheid of onverschilligheid en er niets gedaan wordt om haar zuiver en intact te bewaren dan zullen alle volgende geslachten daaronder lijden. De autoriteiten op welke Elifaz zich beroept, waren ook werkelijk autoriteiten, mannen van rang en aanzien, vers 19, denwelken alleen het land gegeven was, weshalve gij kunt onderstellen dat zij gunstgenoten des hemels zijn geweest en het best instaat om waarnemingen te doen betreffende de zaken van deze aarde. De voorschriften van de wijsheid komen met goed gevolg van hen die op een plaats van waardigheid en macht gesteld zijn, zoals Salomo, toch is er een i wijsheid, "welke niemand van de oversten van deze wereld gekend heeft," 1 Corinthiers 2:7, 8.
II. De rede zelf. Hij wil aantonen:
1. Dat zij, die wijs en Godvruchtig zijn, gewoonlijk voorspoed hebben in deze wereld. Hierop zinspeelde hij in vers 19. Dat zij, van wier mening hij was, de zodanigen waren, aan wie het land, de aarde, gegeven was, en wel aan hen alleen, zij waren er in het volledige en vreedzame bezit van, en er was geen vreemde, die in hun midden doorging, hetzij om het met hen te delen, of om er hen in te storen of te verontrusten. Job had gezegd: de aarde wordt gegeven in de hand des goddeloze Hoofdst. 9:24. "Neen", zegt Elifaz, "zij wordt gegeven in de handen van de heiligen, en zij worden niet beroofd en geplunderd door vreemden en vijanden, die een inval bij hen doen, zoals gij beroofd en geplunderd werdt door de Sabeërs en Chaldeën." Maar omdat velen van Gods volk grote voorspoed hebben gehad in deze wereld, zoals Abraham, Izak en Jakob, volgt hier nog niet uit dat zij, die tegenspoed hebben en verarmd worden, Gods volk niet zijn.
2. Dat goddeloze mensen, en inzonderheid verdrukkers en tirannieke heersers, onderworpen zijn aan voortdurende verschrikking en angst, een zeer droevig leven leiden en ellendig omkomen. Over dit punt weidt hij uit, aantonende dat zelfs zij, die goddeloos de oordelen Gods trotseren, toch niet anders kunnen dan ze vrezen, en ze ten laatste ook zullen gevoelen. Hij spreekt in het enkelvoud, de goddeloze, bedoelende, zoals sommigen denken, Nimrod, of misschien Kedar-Laomer, of een dergelijk geweldig jager voor het aangezicht des Heeren. Ik vrees dat hij Job zelf heeft bedoeld, die hij uitdrukkelijk de tirannie en ook de vreesachtigheid ten laste legt, hier beschreven, Hoofdst. 22:9, 10. Hier denkt hij dat de toepassing gemakkelijk genoeg is en dat Job in deze beschrijving zijn eigen aangezicht als in een spiegel aanschouwen kan.
A. Laat ons nu zien hoe hij de zondaar beschrijft, die dit ongelukkige leven leidt. Hij begint er niet mede, maar voert het aan als een reden van zijn oordeel, vers 25-28. Het is geen gewone zondaar, maar een van de ergsten, een verdrukker, vers 20, een Godslasteraar en een vervolger, een die God niet vreest en geen mens ontziet.
a. Hij trotseert God, Zijn gezag en Zijn macht, vers 25. Spreek hem van de wet Gods en haar verplichtingen, hij verbreekt die banden, en wil niet dat Hij die hem gemaakt heeft hem beteugelt of over hem heerst. Spreek hem van de toorn Gods, hij zegt dat de Almachtige dan maar Zijn ergst moet doen, hij zal toch zijn zin hebben, doen wat hem behaagt, ten spijt van Hem, en zal zich door geen wet, geen geweten in bedwang laten houden, evenmin als door denkbeelden van een toekomend oordeel. Hij strekt tegen God zijn hand uit, in trotsering van Hem en van de sterkte Zijns toorns. God is wel buiten zijn bereik, maar hij strekt zijn hand tegen Hem uit, om te kennen te geven dat hij, zo het in zijn macht was, Hem zou onttronen.
Dit is van toepassing op de vermetele goddeloosheid van sommige zondaren, die werkelijk haters Gods zijn, Romeinen 1:30, en wier bedenken des vleses vijandschap is tegen God, Romeinen 8:7. Maar ach, des zondaars boosheid is even onmachtig als onbeschaamd, wat kan hij doen? Tegen de Almachtige stelt hij zich geweldiglijk aan-hij zou kloek en dapper willen wezen tegen de Almachtige-zo lezen het sommigen, met zijn buitensporige. despotische macht zal hij menen "de tijden en de wet te veranderen" Daniël 7:25, en ten spijt van de Voorzienigheid van roof en onrecht te zullen leven, zonder door de stem van het geweten in bedwang te worden gehouden. Het is de buitensporige waanzin van aanmatigende, vermetele zondaars, dat zij in het strijdperk treden met de Almacht. Wee dien, die met zijn Formeerder twist. Dat is over het algemeen opgevat als een nadere beschrijving van des zondaars vermetele aanmatiging, vers 20. Hij loopt tegen Hem aan, tegen God zelf, in lijnrechte tegenstand met Hem, Zijn geboden en beschikkingen van Zijn voorzienigheid, met de hals, als een woedende kampvechter die, als hij zich een ongelijke partij bevindt voor zijn tegenstander, deze in het aangezicht vliegt, hoewel hij tegelijk tegen de punt van zijn zwaard inloopt, of tegen de scherpe nagel van zijn rondas. Over het algemeen lopen zondaars weg van God, maar de vermetele zondaar, die zondigt met opgeheven hand, loopt tegen Hem aan, trotseert Hem, en het is gemakkelijk te voorzeggen wat daar het gevolg van zijn zal. b. Hij hult zich in gerustheid en zinnelijkheid, vers 27. Hij bedekt zijn aangezicht met zijn vet. Dit duidt beide op het vertroetelen van zijn vlees door dagelijks lekkernijen te eten, en het verharden van zijn hart tegen de oordelen Gods. Het bevredigen van de lusten van het lichaam strekt dikwijls tot schade en nadeel van de ziel en haar belangen. Waarom wordt God vergeten en veronachtzaamd? Waarom anders, dan omdat men van de buik zijn god maakt en zijn geluk stelt in zingenot? Zij, die zich vullen met wijn en sterke drank, zeggen vaarwel aan alles wat ernstig is, en vleien zich met de hoop "dat de dag van morgen zal zijn als deze," Jesaja 56:12. "Wee de gerusten te Zion," Amos 6:1, 3, 4, Lukas 12:19. Het vet, dat zijn aangezicht bedekt, geeft hem een stoutmoedig trots aanzien, en het vet op zijn lenden maakt dat hij zacht en gemakkelijk ligt en weinig gevoelt, maar het zal een armzalige beschutting blijken te zijn tegen de pijlen van Gods toorn.
c. Hij verrijkt zich met de roof van allen, die om hem heen zijn, vers 28. Hij woont in steden, die hij zelf eenzaam gemaakt heeft door er de inwoners uit te verdrijven opdat hij alleen er inwoner van zal zijn, Jesaja 5:8. Hoogmoedige en wrede mensen scheppen een vreemd welbehagen in ruinen, als zij die zelf gemaakt of veroorzaakt hebben, door steden uit de roeien, Psalm 9:7, en daar zij ze niet anders tot hun eigendom kunnen maken dan door te dreigen ze in puinhopen te verkeren en er de inwoners uit weg te schrikken juichen zij in de verwoesting ervan. Zij, die er naar streven zich meester te maken van de wereld en alles naar zich toe halen, verliezen het genot van alles, en maken zich ongelukkig in het midden van alles. Hoe bereikt deze tiran zijn doel en maakt hij zich meester van steden, die alle kenmerken van hoge oudheid dragen? Het wordt ons gezegd in vers 35, hij doet het door boosaardigheid en leugen of bedrog, de twee voornaamste bestanddelen van de slechtheid van hem, die een leugenaar en mensenmoorder was van de beginne, zij ontvangen moeite, of kwaad, en dan baren zij het, dat is, brengen zij het ten uitvoer door bedrog, voorgevende hen te beschermen, die zij bedoelen te onderwerpen, en verbonden des vredes sluitende, om zoveel krachtiger toebereidselen te maken tot de oorlog. Moge God alle Godvruchtigen voor deze bozen bewaren.
B. Laat ons nu zien wat de ongelukkige toestand is van die goddeloze, zowel ten opzichte van geestelijke als tijdelijke oordelen.
Zijn inwendige vrede wordt voortdurend verstoord. Voor de personen, die hem omringen, schijnt hij gerust en op zijn gemak, weshalve deze hem benijden en zich in zijn plaats wensen, maar Hij, die weet wat er in de mensen is, zegt ons, dat de goddeloze zo weinig rust heeft in zijn hart, zo weinig vrede of voldoening smaakt, dat hij eerder te beklagen dan te benijden is.
Ten eerste. Zijn eigen geweten beschuldigt hem, en hiermede doet hij zich ten allen dage weedom aan, vers 20. Voortdurend is hij in onrust bij de gedachte aan de wreedheden, waaraan hij zich schuldig heeft gemaakt, en het bloed, waarmee hij zijn handen bezoedeld heeft waarheen hij zich ook wendt, overal staren hem zijn zonden in het gelaat. "Diri conscia facti mens habet attonitos- Bewuste schuld verbaast en beschaamt."
Ten tweede. Hij wordt gekweld door de onzekerheid van het voortduren van zijn rijkdom en macht: weinige jaren in getal zijn voor de tiran weggelegd. Wat hij ook moge voorgeven hij weet, dat zij niet altijd zullen duren, en hij heeft reden te vrezen dat zij niet lang zullen duren, en daarover kwelt hij zich. Ten derde. "Hij is in een schrikkelijke verwachting des oordeels en hitte des vuurs," Hebreeën 10:27, hetgeen hem in voortdurende vrees en verschrikking houdt, zodat hij met Kain in het land Nod, dat is van de beroering, woont, Genesis 4:16, en hij is, gelijk "Pashur, tot een Magor- missabib-een schrik van rondom" gemaakt Jeremia 20:3, 4. Het geluid van de verschrikkingen is in zijn oren, vers 21. Hij weet dat beide de hemel en de aarde vertoornd zijn op hem, dat God in gramschap tegen hem is ontstoken, dat de gehele wereld hem haat. Hij heeft niets gedaan om zich met God of met de mensen te verzoenen, en daarom denkt hij dat "al wie hem vindt hem zal doodslaan," Genesis 4:14, of, gelijk iemand, die zich verborgen houdt om schulden, in iedereen een gerechtsdienaar ziet, die hem naar de gevangenis zal brengen. Vrees is met de zonde in de wereld gekomen, Genesis 3:10, en nog steeds gaat zij er mee gepaard. Zelfs in voorspoed vreest hij dat de verwoester over hem komen zal, hetzij een verderfengel, door God gezonden om Zijn twistzaak te wreken, of iemand van zijn beledigde en benadeelde onderdanen, die zijn eigen wreker zal zijn. Zij, die "de schrik zijn van de helden in het land van de levenden," gaan gewoonlijk verslagen ten grave, Ezechiël 32:25, en de verwachting daarvan maakt hen tot een schrik voor henzelf. In vers 22 wordt nog aangetoond dat hij gelooft, beloerd te worden ten zwaarde, want hij weet dat "hij, die met het zwaard doodt, zelf met het zwaard gedood moet worden," Openbaring 13:10. Een schuldig geweten stelt de zondaar een vlammig lemmer eens zwaards voor, dat zich naar alle zijden omkeert, Genesis 3:24, waar hij onvermijdelijk tegen aan zal lopen. En wederom, vers 23, hij weet dat de dag van de duisternis (of liever de nacht van de duisternis) bij zijn hand gereed is, dat hij voor hem bestemd is. Deze dag van de duisternis is iets na de dood, het is de dag des Heeren, die. voor alle goddelozen duisternis en geen licht zal zijn, en waarin zij tot de buitenste, de eindeloze duisternis gedoemd zijn. Sommige goddeloze mensen hebben, hoewel zij veilig schijnen, het vonnis van de eeuwige dood reeds in zichzelf ontvangen, en zij zien de hel duidelijk voor zich geopend. Geen wonder dat hierop volgt in vers 24, angst en benauwdheid, (die inwendige verdrukking en benauwdheid van de ziel, waarvan gesproken wordt in Romeinen 2:8, 9, en die de uitwerking is van Gods toorn en verbolgenheid) zullen hem verschrikken, hem voor nog erger doen vrezen. Wat is de hel voor hem, indien dit de hel is binnen in hem! En hoewel hij zijn vrees gaarne van zich zou willen afschudden, ze zou willen wegdrinken, ze zou willen wegschertsen, het gelukt hem niet, zij overweldigt hem als een koning bereid ten strijde, met een heirleger, te sterk om weerstaan te worden. Hij, die zijn vrede wil behouden, behoude een goede consciëntie.
Ten vierde. Als hij te eniger tijd in benauwdheid is, wanhoopt hij er uit verlost te worden, vers 22. Hij gelooft niet uit de duisternis weer te keren, maar geeft zich op als in een eindeloze nacht verzonken en verloren te zijn. Godvruchtige mensen verwachten dat het ten tijde des avonds licht zal wezen, verwachten licht uit duisternis, maar welke reden hebben zij om te verwachten uit de duisternis van de benauwdheid weer te keren, die niet wilden wederkeren uit de duisternis van de zonde, maar er in blijven? Psalm 82:5. Het is de rampzaligheid van de veroordeelde zondaren, dat zij weten nooit te zullen terugkeren uit die buitenste duisternis, noch over de kloof, die gevestigd is, heen te zullen komen.
Ten vijfde. Hij brengt zich in verwarring en verbijstering door onophoudelijke zorgen, inzonderheid als Gods voorzienigheid hem maar even ongunst betoont, vers 23. Hij heeft zo'n angst voor armoede, en hij ontwaart zo'n verminderen en afnemen van zijn bezitting, dat hij zich in zijn verbeelding reeds ziet heen en weer zwerven om brood, bedelen om een maal eten, zeggende: waar is het? vers 23. Toen des rijken mensen land wèl gedragen had, riep hij: "Wat zal ik doen?" Lukas 12:17. Misschien wendde hij vrees voor gebrek voor, ter verontschuldiging van zijn hebzuchtige, schraapzuchtige praktijken, rechtvaardig kan hij ten laatste tot dit uiterste worden gebracht. Wij lezen van hen, die "verzadigd waren en zich verhuurd hebben om brood," 1 Samuël 2:5, S dat deze zondaar niet doen zal, hij kan niet graven, daartoe is hij te vet, vers 27, en hij mag zich voorwaar wel schamen om te bedelen zie Psalm 109:11. David heeft de rechtvaardigen nooit zo verlaten gezien, dat zij om brood bedelden, want zij zullen waarlijk ongevraagd door de barmhartigen worden gevoed, Psalm 37:3, 25. Maar de goddelozen hebben er gebrek aan, en kunnen niet verwachten dat het hun geredelijk gegeven zal worden. Hoe zullen zij barmhartigheid vinden, die nooit barmhartigheid getoond hebben? Zijn uitwendige voorspoed zal spoedig tot een einde komen, en daarmee ook al zijn vertrouwen, al zijn gemak en genot. Hoe kan hij voorspoedig zijn, als God tegen hem aanloopt? -zo verstaan sommigen vers 26. Hem, tegen wie God aanloopt, zal Hij spoedig omverlopen, want als Hij oordeelt, zal Hij overwinnen. Zie hoe de oordelen Gods deze wereldsgezinde, goddeloze mens in al zijn zorgen en begeerten en plannen dwarsbomen, en aldus zijn ellende voltooien.
Ten eerste. Hij is in zorg om goederen te verkrijgen, maar hij zal niet rijk worden, vers 29. Zijn hebzuchtige aard belet hem waarlijk rijk te zijn. Hij is niet rijk, die niet genoeg heeft, en hij heeft niet genoeg, die denkt niet genoeg te hebben. Het is alleen vergenoegdheid, die een groot gewin is. Gods voorzienigheid weerhoudt sommigen op merkwaardige wijze van rijk te zijn, hun ondernemingen doende mislukken, hun maatregelen op niets doende uitlopen, en hen altijd tenonder houdende. Velen verkrijgen veel door bedrog en onrecht en worden toch niet rijk, het gaat zoals het komt, het is verkregen door een zonde, en wordt besteed aan een andere.
Ten tweede. Hij is in zorg om te behouden wat hij verkregen heeft, maar tevergeefs, zijn vermogen zal niet bestaan, het zal verminderen en geheel wegslinken. God blaast er in, en wat in een nacht werd, zal in een nacht vergaan. Goed, van ijdelheid gekomen, zal verminderd worden. Sommigen hebben zelf het verderf beleefd van goederen of bezittingen die door verdrukking werden verkregen, doch waar dit niet het geval is, gaat het toch met een vloek over op hen, die deze bezittingen erven. "De male quaesitis vix gauded fertius haeres- bezittingen, die door geweld of onrecht verkregen zijn," zullen nauwelijks op de derde erfgenaam overgaan. Hij koopt bezittingen voor zich en zijn erfgenamen tot in eeuwigheid, maar waartoe? Hij zal de volmaaktheid daarvan niet verlengen op de aarde vers 29, en evenmin zullen de eer en het genot van zijn rijkdommen duurzaam zijn en als die weg zijn, waar is dan de volmaaktheid ervan? Hoe zouden wij ook kunnen verwachten dat van iets op aarde de volmaaktheid duurzaam zal zijn, daar toch alles voorbijgaand is en wij aan alle volmaaktheid spoedig het einde zien?
Ten derde. Hij is in zorg om wat hij verkregen en behouden heeft aan zijn kinderen na te laten, maar hierin wordt hij teleurgesteld, de loten van zijn geslacht verdorren en vergaan in welke hij gehoopt had te blijven leven en bloeien. Hij had gehoopt de roem te zullen hebben van hen allen tot grote, machtige mannen te maken. Zijn tak zal niet groenen, vers 32. De vlam zal zijn scheut verdrogen, vers 30. Hij zal zijn scheuten afschudden als bloesems, die zich niet gezet hebben, of als onrijpe druiven, vers 33. Zij zullen sterven in het begin hunner dagen, en nooit tot de rijpe, mannelijke leeftijd komen. Menige mens heeft door zijn zonde zijn gezin te gronde gericht.
Ten vierde. Hij is in zorg om er zelf lang van te genieten, maar ook daarin zal hij teleurgesteld worden. 1. Hij kan er misschien van worden weggenomen, vers 30. Hij zal wijken voor het geblaas van Gods mond-dat is: voor Zijn toorn die hem zal aansteken als een zwavelstroom het vuur zal aansteken dat hem verteert, Jesaja 30:33. Of, door Zijn woord, -Hij spreekt en het geschiedt terstond-zal hij heengaan en zijn rijkdom aan anderen laten. In deze nacht zal men uw ziel van u afeisen, en aldus wordt de goddeloze heengedreven in zijn kwaad, de wereldling in zijn wereldsgezindheid.
2. Het kan misschien van hem weggenomen worden en als een arend naar de hemel vliegen. Als zijn dag nog niet is, zal hij vervuld worden, (of worden afgesneden) vers 32, dat is: hij zal zijn voorspoed overleven, en er zich van beroofd zien.
Ten vijfde. Als hij in benauwdheid is, is hij in zorg hoe hij er uit zal komen (niet hoe hij er goeds aan zal ontlenen), maar ook hierin wordt hij teleurgesteld, vers 30. Hij zal de duisternis niet ontwijken, als hij begint te vallen, dan klinkt het geroep, evenals voor Haman weg met hem! In vers 22 wordt van hem gezegd: Hij gelooft niet uit de duisternis weer te keren, hij vreesde voor het bestendige voortduren van zijn rampen, en ook God zal "vrees over hem doen komen," Jesaja 66:4. God zegt Amen op zijn wantrouwen en zijn wanhoop.
Ten zesde. Hij is in zorg om zich te verzekeren van zijn deelgenoten, en hoopt zich door zijn deelgenootschap met hen te beveiligen, maar ook die hoop is ijdel, vers 34, 35. De vergadering, het gehele bondgenootschap zij en al hun tenten zullen eenzaam zijn en door het vuur worden verteerd. Geveinsdheid en omkoperij worden hun hier ten laste gelegd, dat is: een bedrieglijk handelen met God en de mensen, onder schijn van Godsdienstig te zijn beledigen zij God, en onder schijn van gerechtigheid doen zij oprecht aan de mensen. Het is onmogelijk dat dit goed zal eindigen. Hoewel zij hand aan hand gaan ter ondersteuning van deze bedrieglijke handelingen, "zal toch de boze niet ongestraft blijven," Spreuken 11:21.
C. De toepassing van dit alles. Zal de voorspoed van trotse zondaren zo ellendig eindigen? Dat dan hij, die verleid wordt, niet betrouwe op ijdelheid, vers 31. Laat het kwaad, dat anderen overkomt, ons tot waarschuwing zijn, en laat ons niet leunen op die gebroken rietstaf, die aan hen, welke er op geleund hebben, altijd gefaald heeft.
a. Zij die om rijkdommen te verwerven op hun zondige wegen en middelen vertrouwen, betrouwen op ijdelheid en ijdelheid zal hun vergelding wezen, want wat zij verwachten zullen zij niet verkrijgen. Hun kunstgrepen zullen hen misleiden, bedrogen doen uitkomen, en wellicht hen in deze wereld ten ondergang brengen.
b. Zij, die als zij hun rijkdom verkregen hebben er op vertrouwen, inzonderheid op de rijkdom, waaraan zij op oneerlijke wijze gekomen zijn, betrouwen op ijdelheid, want zij zullen er geen voldoening in smaken, De schuld, die eraan kleeft, zal er het genot van bederven. Zij zaaien wind en zullen een wervelwind maaien, en ten laatste zullen zij met beschaamdheid des aangezichts erkennen dat hun bedrogen hart hen terzijde heeft afgeleid, en dat zij met een leugen in hun rechterhand zichzelf bedrogen hebben.