Genesis 47:1-12
I. Hier is de eerbied, die Jozef als onderdaan betoonde aan zijn vorst. Hoewel hij zijn gunsteling en eerste staatsman was, en bijzondere orders van hem ontvangen had, om zijn vader naar Egypte te doen komen, wilde hij toch niet, dat deze er zich zou vestigen vóór hij aan Farao kennis had gegeven van zijn komst vers 1. Christus, onze Jozef, beschikt over Zijn volgelingen in Zijn koninkrijk, zoals het door Zijn Vader bereid is, zeggende: het staat bij Mij niet te geven, Mattheus 20:23.
II. De eerbied, die Jozef als broeder betoonde aan zijn broeders, in weerwil van al de onvriendelijkheid, die zij hem vroeger hadden aangedaan.
1. Hij was een groot en aanzienlijk man, en zij waren, vergelijkenderwijs, vooral in Egypte, van een gering en verachtelijk aanzien, en toch erkende hij hen. Laat hen, die rijk en groot zijn in de wereld, hieruit leren hun arme bloedverwanten niet voorbij te zien of te verachten. Iedere tak van de boom is geen bovenste tak, maar behoort hij, omdat hij een lagere tak is, daarom niet tot de boom? Evenals Jozef hier, schaamt zich onze Heere Jezus niet ons broederen te noemen.
2. Daar zij vreemdelingen en geen hovelingen waren, stelt hij sommigen van hen voor aan Farao, om-zoals wij zeggen-tot de handkus te worden toegelaten, ten einde hen ook tegenover de Egyptenaren te eren. Alzo stelt Christus Zijn broederen voor aan het hof des hemels, en wendt Zijn invloed voor hen aan, hoewel zij in zichzelf onwaardig zijn, een gruwel voor de Egyptenaren. Aan Farao voorgesteld zijnde, zeggen zij hem, volgens de instructies, die Jozef hun gegeven had:
a. Wat hun bedrijf is, dat zij schaapherders zijn, vers 3. Farao vroeg hun, (en Jozef wist dat dit een van zijn eerste vragen zou zijn, Hoofdstuk 46:3. "Wat is uw hantering?" Hij nam aan, als iets dat vanzelf spreekt, dat zij iets om handen hadden, anders zou Egypte geen plaats voor hen zijn, geen toevlucht voor landlopers. Indien zij niet wilden werken, dan moesten zij in die tijd van schaarste zijn brood ook niet eten. Allen, die een plaats hebben in de wereld, behoren er ook overeenkomstig hun bekwaamheid werk in te hebben, de een of andere bezigheid, hetzij van verstandelijke aard of anders handenarbeid. Zij, die niet behoeven te werken voor hun brood, moeten toch iets te doen hebben, ten einde hen voor lediggang te bewaren. Magistraten behoren te vragen naar het beroep hunner onderhorigen, daar zij voor het openbare welzijn hebben te zorgen, want trage mensen zijn als de hommels in de bijenkorf, onnutte lasten voor het gemenebest.
b. Waarvoor zij naar Egypte kwamen: niet om er zich voor altijd te vestigen, maar om er als vreemdelingen te wonen, vers 4, zolang de honger duurde in Kanaän, dat hoog lag, zodat het voor schaapsherders niet bewoonbaar was, daar het gras er veel meer gedord was dan in Egypte, dat laag lag en waar voornamelijk het koren ontbrak, terwijl er toch nog tamelijk goede weiden waren.
3. Hij verkreeg toestemming voor hen om in het land Gosen te wonen, vers 6. Dit was een bewijs van Farao's dankbaarheid aan Jozef omdat hij voor hem en zijn land zo'n zegen geweest is, wilde hij, alleen om zijnentwil, goedheid betonen aan zijn bloedverwanten. Hij bood hun een aanstelling aan als veemeesters over zijn vee, mits zij kloeke, werkzame mannen zijn, want het is de man, die verstandig in zijn werk is, die voor het aangezicht van de koningen gesteld wordt. En wat ons beroep of bedrijf ook moge wezen, wij moeten ons best doen om er in uit te munten, er ons schrander en vlijtig in betonen.
III. De eerbied, die Jozef als zoon betoonde aan zijn vader.
1. Hij stelde hem voor aan Farao, vers 7.
En hier: A. Doet Farao aan Jakob een gewone vraag: Hoe oud zijt gij? vers 8. Een vraag, die men gewoonlijk aan oude lieden doet, want het is ons iets natuurlijks ouderdom te bewonderen en te eren, Leviticus 19:32, evenals het onnatuurlijk en onbetamelijk is hem te verachten, Jesaja 3:5. Het was aan Jakob's voorkomen en gelaat voorzeker merkbaar, dat hij zeer oud was, want hij is een man geweest van arbeid, zorg en smart. In Egypte leefden de mensen niet zo lang als in Kanaän, en daarom beschouwde Farao Jakob met verwondering, hij baarde opzien aan het hof. Als wij over onszelf nadenken, dan moet ook die gedachte bij ons opkomen: "Hoe oud zijn wij?"
B. Jakob geeft aan Farao een ongewoon antwoord, vers 9. Hij spreekt, zoals het een patriarch betaamde, met ernst en ter onderrichting van Farao.
Merk hier op:
a. Hij noemt zijn leven vreemdelingschappen, daar hij zich als een vreemdeling beschouwt in deze wereld een reiziger op weg naar een andere wereld, deze aarde was hem een herberg, niet zijn tehuis. De apostel verwijst hiernaar, Hebreeën 11:13 "zij hebben beleden dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren." Hij achtte zich niet slechts een vreemdeling nu hij in Egypte was in een land, waarin hij nooit tevoren geweest is, maar zelfs in zijn geboorteland was zijn leven een vreemdelingschap, en zij, die het leven aldus beschouwen, kunnen dan ook zoveel te beter de ongemakken dragen van de ballingschap uit hun geboorteland, zij zijn nog vreemdelingen en dat zijn zij altijd geweest.
b. Hij rekent zijn leven bij dagen, want zó zelfs is het spoedig berekend, en wij zijn niet zeker van de duur er van, zelfs niet tot aan het einde van een dag, maar kunnen binnen minder dan een uur tijds deze tabernakel hebben te verlaten. Laat ons alzo onze dagen tellen, Psalm 90:12, en ze meten, Psalm 39:5. De hoedanigheid, die hij er aan toekent, was:
Ten eerste, dat zij weinig waren: Hoewel hij nu honderd en dertig jaren geleefd had, schenen zij hem, in vergelijking met de dagen van de eeuwigheid, de eeuwige God, en de eeuwige staat, waarin duizend jaren (langer dan ooit enig mens geleefd heeft) slechts als een dag zijn, weinig toe.
Ten tweede. Dat zij kwaad waren, dit is waar betreffende de mens in het algemeen, Job 14:1, hij is kort van dagen en zat van onrust, en daar zijn dagen slecht zijn, is het goed dat zij weinig zijn. Jakob's leven inzonderheid bestond uit kwade dagen en de aangenaamste dagen zijns levens moesten nog komen.
Ten derde. Dat zij niet bereikt hebben de dagen van de jaren van zijn vaderen, niet zovelen waren en niet zo aangenaam als hun dagen. De oude dag brak spoediger aan dan voor sommigen van zijn voorouders. Gelijk de jongeling niet trots moet wezen op zijn kracht of schoonheid, zo moet de grijsaard niet hoogmoedig wezen op zijn ouderdom en de kroon van zijn grauwe haren, al is het ook dat anderen er terecht eerbied voor hebben, want zij, die geacht worden zeer oud te zijn, bereiken toch de jaren nog niet van de patriarchen. De grijsheid is dan alleen een sierlijke kroon, als zij op de weg van de gerechtigheid wordt gevonden. Jakob begroet en neemt afscheid van Farao met een zegening, vers 7. Jakob zegende hem, en wederom, vers 10, hetgeen niet slechts een daad van beleefdheid was, (hij betoonde hem eerbied en betuigde hem dank voor zijn vriendelijkheid) maar een daad van Godsvrucht hij bad voor hem als een, die het gezag had van een profeet en patriarch. Hoewel Farao in wereldse rijkdom groter en voornamer was, was Jakob groter door zijn invloed bij God, hij was Gods gezalfde, Psalm 105:15. En eens patriarchen zegen was niet klein te achten, zelfs niet door een machtige vorst. Darius stelde prijs op de gebeden van de kerk voor hemzelf en voor zijn kinderen, Ezra 6:10. Farao had Jakob vriendelijk ontvangen en of het nu al of niet in de naam eens profeten was, hij had het loon eens profeten, dat een genoegzame beloning was, niet slechts voor zijn vriendelijk gesprek met hem, maar voor al de daden van vriendelijkheid, die hij hem en de zijnen had betoond.
2. Hij heeft goed voor hem en de zijnen gezorgd. Hij gaf hun een bezitting, vers 11, onderhield hen met brood, vers 12. Dit toont niet slechts aan dat Jozef een goed man was, die aldus tedere zorg droeg voor zijn arme bloedverwanten, maar dat God een goede God is, die hem daartoe heeft verwekt, en hem instaat heeft gesteld dit te doen, zoals Esther om zulke tijd tot het koninkrijk was geraakt. Wat God hier voor Jakob deed, heeft Hij beloofd voor al de Zijnen te doen, die Hem dienen en op Hem bebouwen, Psalm 37:19. In de dagen des hongers zullen zij verzadigd worden.