Genesis 46:1-4
Het goddelijk voorschrift luidt: Ken de Heere in al uw wegen, en de belofte, die er aan verbonden is: Hij zal uw paden recht maken. Er rust hier een grote zorg op Jakob, hij heeft niet slechts een reis, maar een verhuizing voor zich, hij moet zich in een ander land gaan vestigen- een grote verandering voor hem want hij heeft nooit anders gedacht of hij zou leven en sterven in Kanaän-en voor zijn familie zal dit voor lange tijd grote gevolgen hebben. Nu wordt ons hier gezegd:
I. Dat hij God heeft gekend in zijn weg. Hij kwam van Hebron, waar hij nu woonde, te Ber- seba, en daar offerde hij offeranden aan de God van zijn vader Izaak, vers 1. Hij koos die plaats in herinnering aan de gemeenschapsoefening, die zijn vader en zijn grootvader er met God gehad hebben. Daar heeft Abraham de naam van de Heer, van de eeuwige God, aangeroepen, Hoofdstuk 21:33, ook Izaak deed dit Hoofdstuk 26:25, en daarom maakte ook Jakob het de plaats van zijn aanbidding, en dit te meer omdat het op zijn weg lag. In zijn aanbidding had hij:
1. Het oog op God als de God van zijn vader Izaak, dat is: een God in verbond met hem, want door Izaak was het verbond op hem overgegaan. God had aan Izaak, toen er in zijn tijd hongersnood heerste in Kanaän, Hoofdstuk 26:2 verboden om af te reizen naar Egypte, hetgeen Jakob zich misschien voor de geest bracht toen Hij God raadpleegde als de God van zijn vader Izaak, en wel met deze gedachte: "Heer, hoewel ik zeer begerig ben Jozef te zien, zal ik mij toch aan Uw wil onderwerpen, zo Gij mij verbiedt naar Egypte af te trekken zoals Gij het mijn vader Izaak verboden hebt en dan zal ik tevreden blijven waar ik ben."
2. Offerde hij offeranden, buitengewone offeranden, behalve die hij op zijn gezette tijden bracht. Die offeranden werden geofferd:
a. Bij wijze van dankzegging voor de gezegende verandering, die er nu onlangs in zijn familie heeft plaats gehad, voor de goede tijding, die hij omtrent Jozef heeft ontvangen, en de hoop die hij had, om hem weer te zien. Wij moeten God danken voor het begin van een zegen, al is hij ook nog niet voltooid, en dit is dan tevens een betamelijke manier om nog verdere zegeningen te vragen.
b. Bij wijze van smeking dat God met hem zal zijn op zijn reis. Door deze offeranden wenste hij vrede te hebben met God, vergeving van zonde te verlangen, opdat hij geen schuld met zich neemt op die reis, want schuld is een slechte gezellin. Door Christus, de grote offerande, moeten wij ons verzoenen met God, en onze beden en smekingen tot Hem opzenden.
c. Bij wijze van raadpleging, ook de heidenen raadpleegden hun orakelen door offeranden. Jakob wilde niet gaan vóór hij God om verlof had gevraagd: "Zal ik vertrekken naar Egypte, of teruggaan naar Hebron?" Zo moeten ook wij in twijfelachtige gevallen navraag doen, en hoewel wij geen direct antwoord van de hemel kunnen verwachten, zullen wij toch, zo wij naarstig achtgeven op de aanwijzingen van het woord, van de consciëntie en van de voorzienigheid van God, bevinden, dat wij God niet tevergeefs om raad vragen,
II. Hoe God hem dan ook geleid heeft op zijn pad. In nachtgezichten (waarschijnlijk reeds in de volgende nacht nadat hij zijn offeranden geofferd had, zoals 2 Kronieken 1:7) sprak God tot hem, vers 2. Zij, die gemeenschap met God wensen te onderhouden, zullen bevinden dat zij nooit zijnerzijds faalt. Als wij tot Hem spreken zoals het behoort, dan zal Hij niet falen tot ons te spreken. God riep hem bij zijn naam, zijn oude naam. Jakob! Jakob! om hem zijn lage staat te doen gedenken, zijn tegenwoordige vrees betaamde nauwelijks aan een Israël. Als een, die wel bekend is met de gezichten van de Almachtige, en gereed is om er aan te gehoorzamen, antwoordt hij: Zie, hier ben ik, bereid en gereed om orders te ontvangen." En wat heeft God hem nu te zeggen?
1. Hij hernieuwt het verbond met hem, Ik ben die God, de God van uw vader, vers 3, dat is: "Ik ben wat gij Mij erkent te zijn, gij zult Mij een God bevinden, een goddelijke wijsheid en macht voor u, en gij zult Mij de God van uw vader bevinden, getrouw aan het verbond, dat met hem gemaakt is.
2. Hij moedigt hem aan tot dit vertrek met zijn gezin, vrees niet af te reizen naar Egypte. Het schijnt dat Jakob, hoewel hij op het eerste bericht van het leven van Jozef en zijn heerlijkheid in Egypte zonder enige aarzeling besloten had: ik zal gaan en hem zien, er toch bij nader bedenken wel enige moeilijkheid in zag, waarover hij niet goed wist heen te komen. In de veranderingen, die de grootste blijdschap en hoop schijnen mee te brengen, is toch altijd een bijmengsel van zorg en vrees. "Nulla estsincera voluptas-Er is geen onvermengd genot." Wij moeten ons altijd verheugen met beving. Jakob had vele kommervolle gedachten omtrent deze reis, waarvan God nota neemt.
a. Hij was oud, honderddertig jaren oud, en het wordt als een van de zwakheden van oude mensen genoemd, dat zij "voor de hoogten vrezen en dat er verschrikkingen zullen zijn op de weg," Prediker 12:5. Het was een lange reis, en Jakob was niet geschikt tot reizen, en wellicht dacht hij er aan, dat zijn beminde Rachel op een reis gestorven is.
b. Hij vreesde dat zijn zonen besmet zouden worden door de afgoderij van Egypte en de God van hun vaderen zouden vergeten, of verzot zouden worden op de genietingen van Egypte en het land van de belofte zouden vergeten.
c. Waarschijnlijk dacht hij aan hetgeen God tot Abraham had gezegd betreffende de dienstbaarheid en de verdrukking van zijn zaad, Hoofdstuk 15:13, en vreesde hij dat zijn verhuizing naar Egypte dit ten gevolge zou hebben. Een lieflijkheid voor heden moet ons niet doen verzuimen te denken aan toekomstige bezwaren en ongemakken, die wel zouden kunnen voortkomen uit hetgeen ons nu zo lieflijk en veelbelovend toeschijnt.
d. Hij kon het denkbeeld niet verdragen, dat zijn gebeente in Egypte zou rusten. Maar, welke ontmoedigende gedachten hij nu ook had, dit was genoeg om ze allen tot zwijgen te brengen: Vrees niet te vertrekken naar Egypte.
3. Hij belooft hem vertroosting bij deze verhuizing.
A. Dat hij in Egypte zich zal vermenigvuldigen. "Ik zal u aldaar, waar gij vreest dat uw familie zal wegzinken en verloren gaan tot een groot volk maken. Dat is de plaats, die de oneindige wijsheid verkoren heeft voor de vervulling van die belofte."
B. Dat de tegenwoordigheid van God met hem zal wezen, Ik zal met u vertrekken naar Egypte. God zal voorzeker met hen wezen, die gaan waar Hij hen zendt, en dat is genoeg om hen, waar zij ook zijn te beveiligen, en hun vrees tot zwijgen te brengen, wij kunnen ons gerust wagen naar Egypte, als God er met ons gaat.
C. Dat noch hij noch de zijnen in Egypte verloren zullen gaan, Ik zal u doen weer optrekken, mee optrekkende. Hoewel Jakob in Egypte stierf, is deze belofte toch vervuld geworden:
a. Door het overbrengen van zijn lichaam om in Kanaän begraven te worden, waaromtrent hij zeer bezorgd scheen, Hoofdstuk 49:29-32.
b. In het overbrengen van zijn nakomelingen om in Kanaän gevestigd te worden. Hoe somber en duister het dal ook moge wezen, waarin wij te eniger tijd geroepen worden, wij kunnen er gerust op wezen dat, zo God er met ons vertrekt Hij ons ook zeker weer uit zal opvoeren. Als Hij met ons afgaat in de dood, dan zal Hij ons gewis weer opvoeren tot de heerlijkheid.
D. Dat in leven en sterven zijn geliefde zoon Jozef hem tot troost zal wezen, Jozef zal zijn hand op uw ogen leggen. Dat is een belofte, dat Jozef leven zal zolang als hij leefde, dat hij bij hem zou zijn bij zijn sterven, hem met alle mogelijke tederheid en eerbied de ogen zou sluiten, zoals de dierbaarste bloedverwanten dat plegen te doen. Toen zijn gedachten zich alzo in hem vermenigvuldigden, heeft Jakob waarschijnlijk gewenst, dat Jozef hem die laatste dienst van de liefde zou bewijzen: "Ille meos oculos comprimat-Laat hem mij de ogen sluiten, " en God verhoorde hem aldus ook naar de letter van zijn begeerte. Zo vervult God soms de onschuldige begeerten van Zijn volk en maakt niet slechts dat zij zalig sterven, maar maakt er zelfs de omstandigheden lieflijk van.