2. Dit zijn Jakob's geschiedenissen, 1) de geschiedenissen van zijn eigenlijk Patriarchenleven, terwijl de vroeger verhaalde gebeurtenissen (
Hoofdstuk 28-35) nog tot Isaak's Patriarchenleven behoren, terwijl diens naam daarbij nauwelijks genoemd is. Jozef, 2) zijnde een zoon van zeventien jaar, weidde de kudde met zijn broeders (en hij was een jongeling, onschuldig en open) met de zonen van Bilha, en de zonen van Zilpa, van zijn vaders vrouwen. 3) Daar Dan en Naftali, Gad en Aser de jongsten waren, wordt Jozef bij hen als gezel gevoegd, om onder hun opzicht het veehoeden te leren. Hier begon hij in ijver voor de eer van het vaderlijk huis reeds het ambt van wachter uit te oefenen; hij nam waar, wat er van zijn broeders gezegd werd; en Jozef bracht hun kwaad gerucht tot hun vader. 4)
1) Men had hier ook een geslachtsregister van Jakob en zijn zonen mogen verwachten, gelijk als zo-even van Ezau. Omdat echter Jakob's geschiedenis ten nauwste met die van Jozef samenhangt, verhaalt Mozes, de man Gods nu, wat er met Jozef is voorgevallen, om daaruit duidelijk te maken, hoe God, de Heere, én de daden én de gedachten van de mensen aanwendt, om Zijn heilig doel te bereiken. De Costa zegt dan ook zo terecht, dat de geschiedenis van Jozef "de geschiedenis van God is met Jozef." In al de geschiedenissen van de Bijbelheiligen, is voor het door de Geest verlicht en geoefend oog, de gulden draad zichtbaar, welke de Heere God in handen heeft.. 2) Jozef is een voorbeeld van Christus; de geliefde van zijn vader, gezonden door de vader tot zijn broeders; de onschuldige verkocht voor twintig zilverlingen, en daardoor hun heer geworden, hun redder en de redder van vreemden, hetgeen hij niet zou geworden zijn, wanneer zij niet, met het doel om hem te verderven, hem verkocht en verworpen hadden. In de gevangenis is Jozef de onschuldige, tussen twee kwaaddoeners, Jezus aan het kruis tussen twee misdadigers; Jozef voorspelt de één geluk, de ander zijn dood bij gelijke toestand. Jezus redt de één en laat de ander in zijn oordeel bij gelijke misdaad. Jozef doet echter niets meer dan voorzeggen, Christus brengt het teweeg. Jozef vraagt degene, die gered zal worden, dat hij hem gedenken zal, als hij in ere gekomen zal zijn; en hij, die Jezus redt, bidt dat Hij van zijn gedenke, als Hij in Zijn paradijs zal gekomen zijn.
3) Men vraagt, waarom Mozes hier zowel, de kinderen van Bilha als Zilpa beschuldigt, daar hij later de zonen van Lea van dezelfde misdaad niet uitzondert. Eén van de zonen, en wel Ruben, was zachter dan alle overigen. Het dichtst hem nabij kwam Juda, die ook zijn eigen vleselijke broeder was. Maar wie was Simeon, wie Levi? Zeker toen zij ouder werden, is het zeer waarschijnlijk, dat zij de aanvoerders zijn geweest. Het vermoeden ligt voor de hand, dat, daar deze uit de bijvrouwen en niet uit de eigenlijke echtgenoten zijn geboren, hun zielen eerder met nijd werden vervuld, alsof de slaafse aard van de moeder op hen was overgegaan..
4) Dit was geen "verklikken", dat steeds uit laaghartig leedvermaak of zucht tot zelfverheffing voortkomt, want Jozef was een edele, godvrezende jongeman, maar de vrucht van een teder geweten, van ijver voor Gods eer en liefde jegens zijn broeders.
Jozef is als een morgenster in Jakob's huis, waarmee zijn broeders niet te vergelijken zijn. Hij heeft rechtvaardigheid en eerbaarheid bemind, is vol liefde en gehoorzaamheid, jegens zijn vader geweest, zodat hij voor hem niets heeft kunnen verzwijgen, wanneer zijn broeders iets misdreven hadden, waardoor anderen leed was aangedaan, of waardoor op van zijn vaders huis een smaadheid zou kunnen komen.