33. En hij, Abraham, plantte een bos 1) in Berséba, daar hij na het gesloten verbond met de vorst van dat land, hier langer en vreedzaam dacht te wonen; en riep aldaar de naam des HEEREN, de eeuwige God, aan.2)
1) Hebreeën "een tamarisk", een boom bijna zo hoog als een eik, in Syrië en Egypte algemeen, en bruikbaar tot werk- en brandhout. Dat Abraham een bos plantte, is bewijs, dat er voor de aartsvader een tijd van rust, van rustig wonen aanbreekt.
2) Hoe meer Abraham de Heere leert kennen, des te meer worden de eigenschappen Gods gekend. Gelijk Elohiem (God) zich hem geopenbaard heeft als Jehova (Verbondsgod), zo betoont zich weer Jehova als Elohiem in hogere zin. God, de verhevene is zijn Verbondsgod; God, de Almachtige doet wonderen voor hem; God, de eeuwige bevestigt zich aan hem in Zijn eeuwige trouw..
Luther vertaalt: "en predikte aldaar de naam, enz." Abraham roept aan en predikt de naam des Heren. Het een is van het andere niet te scheiden. Het levendig gebed moet vrucht brengen in de verkondiging; de levende verkondiging moet zijn wortel hebben in het gebed..
"En riep de naam des HEEREN, de eeuwige God, aan." "De Heere aanroepen" betekent: des Heren naam prijzen. Dit lezen wij verscheidene malen van de aartsvader. Hier echter heeft het nog een bijzondere betekenis. Deze daad heeft een tweeledig doel. Allereerst, om daarmee God te danken voor de rust, die hem geschonken is, en ten tweede wil Abraham daarmee aan Abimelech tonen, dat hij zijn veiligheid en bescherming niet verwacht in de eerste plaats van het verbond, dat tussen hem en de koning van Gerar is gesloten, hoewel hem dit niet onverschillig is, maar van zijn God, die hier daarom ook de eeuwige God wordt genoemd..