Genesis 12:10-13
Hier is:
I. Een hongersnood in het land Kanaän, een zware honger. Dat vruchtbare land was onvruchtbaar geworden, niet alleen om de ongerechtigheid te straffen van de Kanaänieten, die er in woonden, maar om het geloof te beproeven van Abram, die er een vreemdeling en bijwoner was, en een zeer grote beproeving was het. Het beproefde wat hij zou denken:
1. Van God, die hem daar gebracht had of hij nu niet gereed zou zijn te zeggen, zoals zijn murmurerende nakomelingen, dat hij uitgeleid was om "door honger gedood te worden," Exodus 16:3. Door niets minder dan een krachtig geloof kon hij in zulke omstandigheden goede gedachten van God blijven koesteren.
2. Van het land van de belofte, of hij het de moeite waard zou achten de schenking er van te aanvaarden, en het een genoegzame vergoeding zou vinden voor het land, dat hij had verlaten, daar het toch, voor zoveel nu bleek een land was, dat zijn inwoners verteerde. Nu werd hij beproefd om te zien of hij een onwankelbaar vertrouwen kon blijven koesteren dat de God, die hem naar Kanaän heeft gebracht, er hem zou onderhouden, en of hij zich in Hem kon verblijden als in de God zijns heirs, alhoewel de vijgenboom niet bloeien zal, Habakuk 3:17, 18. Een krachtig geloof wordt dikwijls geoefend door menigerlei verzoekingen opdat het bevonden worde te zijn tot lof en eer, en heerlijkheid, 1 Petrus 1:6, 7. Het behaagt God soms om door grote wederwaardigheden het geloof te beproeven van hen, die pas-beginners zijn in de Godsdienst. Het is mogelijk, dat iemand op de weg des plichts is en op de weg van de zaligheid, maar toch grote moeilijkheden en teleurstellingen ondervindt.
II. Abrams vertrek naar Egypte bij gelegenheid van deze hongersnood. Zie hoe wijselijk God het zo beschikt, dat er overvloed is in de ene plaats, als er schaarste is op een andere plaats, opdat wij, als leden van het grote lichaam, niet tot elkaar zeggen: Ik heb u niet van node. In Zijn voorzienigheid heeft God er voor gezorgd, dat er voorraad zou zijn in Egypte, en Abram heeft wijselijk gebruik gemaakt van de gelegenheid, want wij vertrouwen niet op God, maar verzoeken Hem, als wij in de tijd van nood geen gebruik maken van de middelen, die Hij genadig voor ons onderhoud heeft voorzien, wij moeten geen onnodige wonderen verwachten. Maar wat hier tot lof van Abram bijzonder opmerkelijk is, is dat hij bij deze gelegenheid niet wilde terugkeren naar het land, vanwaar hij gekomen was, ja niet eens in de richting er van ging. Het land van zijn geboorte lag ten noord-oosten van Kanaän, als hij nu Kanaän voor een tijd moet verlaten, verkiest hij naar Egypte te gaan, dat ten zuid-westen, dus in tegenovergestelde richting lag, opdat hij zelfs de schijn niet zou hebben van terug te zien, Hebreeën 11:15, 16. Merk voorts ook op, dat toen hij afging naar Egypte, het was om er als vreemdeling te verkeren, niet om er te wonen. Hoewel wij in de weg van de voorzienigheid soms in slechte plaatsen komen, moeten wij er toch niet langer blijven dan nodig is, wij mogen er als vreemdelingen verkeren, maar wij mogen er ons niet vestigen. Zolang een Godvruchtige zich aan deze zijde van de hemel bevindt, zal hij, waar hij ook is, slechts als vreemdeling verkeren.
III. Een grote fout, waaraan Abram zich schuldig maakte door zijn vrouw te verloochenen en voor te geven, dat zij zijn zuster was. De Schrift is onpartijdig in het verhalen van de misstappen van de beroemdste heiligen, die vermeld worden, niet tot onze navolging, maar tot onze waarschuwing, opdat hij, die meent te staan, toezie dat hij niet valle. 1. Zijn fout bestond in het ontveinzen van zijn betrekking tot Sarai, er dubbelzinnig van sprekende, en zijn vrouw, en waarschijnlijk ook zijn dienstboden, lerende om dit ook te doen. In zekere zin was hetgeen hij zei waar, Hoofdstuk 20:12, maar hij zei het met het doel om te misleiden. Hij heeft de ene waarheid zó bedekt gehouden, dat dit neerkwam op een verloochening dier waarheid, en zo heeft hij zijn vrouw en de Egyptenaren er aan blootgesteld om te zondigen.
2. Wat nu op de bodem van de zaak lag, was een jaloers, vreesachtig denkbeeld door hem opgevat, dat sommigen van de Egyptenaren zó bekoord zouden zijn door Sarai's schoonheid, (in Egypte waren zulke schone vrouwen zeldzaam), dat, indien zij wisten dat hij haar man was, zij het een of ander middel zouden vinden om hem uit de weg te ruimen, ten einde haar te kunnen huwen. Hij onderstelde, dat zij zich eerder schuldig zouden maken aan moord dan aan overspel, zó groot een misdaad werd dit toen geacht, en zo groot een eerbied werd toen voor de heiligheid van de huwelijksband gekoesterd. Hieruit leidt hij nu af, doch zonder grond: Zij zullen mij doden. De siddering des mensen legt een strik, en door de vrees voor de dood worden velen tot zonde gebracht, Lukas 12:4, 5. De genadegave, die in Abram het meest kenbaar was, was geloof, en toch is hij aldus door ongeloof en mistrouwen van de Goddelijke voorzienigheid gevallen, zelfs nadat God hem twee maal verschenen was. Helaas, wat zal er van de wilgen worden, als de cederen aldus heen en weer worden bewogen?