Genesis 41:33-45
Hier is:
I. De goede raad, die Jozef gaf aan Farao, namelijk:
1. Dat hij in de jaren van overvloed moest opleggen voor de jaren van honger, koren moest opkopen, als het goedkoop was, ten einde beide zichzelf te verrijken en het land van koren te kunnen voorzien, als het duur en schaars zal zijn.
a. Een trouwe waarschuwing moet altijd gevolgd worden door goede raad. Een kloekzinnig mens ziet het kwaad, opdat hij zich verberge. God heeft ons in Zijn woord gesproken van een dag van beproeving en nood, die aanstaande is, wanneer wij al de genade nodig zullen hebben, die wij kunnen verkrijgen. Voorzie u er dan van.
b. Tijden van verzamelen moeten naarstig gebruikt worden, omdat er een tijd van uitgeven zal komen. "Laat ons naar de mier gaan, en wijsheid van haar leren," Spreuken 6:6-8.
2. Omdat hetgeen ieders werk is, gewoonlijk blijkt niemands werk te zijn, raadt hij Farao aan om beambten aan te stellen, die dit tot hun werk moeten maken, en een persoon te kiezen, die over allen het toezicht heeft, vers 33. Indien Jozef die raad niet gegeven had, zou het waarschijnlijk niet geschied zijn, Farao's raadslieden waren even weinig instaat een goed gebruik te maken van de droom, als zijn tovenaars om hem uit te leggen, daarom is van hem gezegd: dat hij "de oudsten heeft onderwezen." Psalm 105:22. Hieruit kunnen wij dus terecht met Salomo afleiden: "Beter is een arm en wijs jongeling, dan een oud en zot koning," Prediker 4:13.
II. De grote eer, die Farao Jozef aandeed.
1. Hij gaf hem een eervol getuigenis: Hij is een man, waarin Gods Geest is, en dat geeft aan een ieder mens een grote voortreffelijkheid mee, zulke mensen behoren gewaardeerd te worden, vers 38. Hij overtreft ieder in wijsheid: er is niemand zo verstandig en wijs als gij, vers 39. Nu is hij ruim beloond voor de smaad, die hem was aangedaan, en zijn gerechtigheid komt voort als het licht, Psalm 37:6.
2. Hij stelt hem in een eervol ambt, hij gebruikt hem niet slechts om koren te kopen, maar maakt hem tot eerste staatsminister, opziener van het huis van de koning, Gij zult over mijn huis zijn, hoofdrechter van het rijk, naar uw woord zal al mijn volk geregeerd worden of gewapend worden, zoals sommigen dit lezen, en dan duidt het hem aan als generaal van het leger. Zijn opdracht was zeer omvangrijk: ik heb u over heel Egypteland gesteld, vers 41, zonder u zal niemand zijn hand of zijn voet opheffen, vers 44, al de zaken van het rijk moeten door zijn hand gaan. Ja meer, alleen deze troon zal ik groter zijn dan gij, vers 40. Het is verstandig van vorsten om diegenen te bevorderen tot plaatsen van macht en vertrouwen, in wie de Geest Gods is, en het is het geluk van de volken als de zodanigen aldus bevorderd worden. Waarschijnlijk waren er wel personen aan het hof, die tegen Jozefs bevordering waren, wat aan Farao aanleiding gaf om hem zijn benoeming zo dikwijls te herhalen, en wel met die plechtige verzekering, vers 44. Ik ben Farao. Toen het voorstel gedaan werd, dat er een korenmeester-generaal benoemd zou worden, was dit goed in de ogen van al zijn knechten, vers 37, daar ieder van hen hoopte de post te zullen krijgen, maar toen Farao tot hen zei: "Jozef zal de man er voor zijn", lezen wij niet, dat een van hen een antwoord gaf, omdat het hun niet beviel, maar zij berustten er in, omdat zij niet anders konden. Jozef had ongetwijfeld vijanden, schutters, die hem hebben beschoten en gehaat, Hoofdstuk 49:23, evenals ook Daniël, Hoofdstuk 6:4, 5.
3. Hij schonk hem alle mogelijke eretekenen, ten einde hem in de achting en eerbied van het volk te verheffen, als des konings gunsteling in wiens eer de koning een welbehagen heeft.
a. Hij gaf hem zijn eigen ring, als bevestiging van zijn aanstelling en ten teken van zijn bijzondere gunst, of wel: het stond gelijk met hem het grootzegel over te geven.
b. Hij gaf hem fraaie kleren, inplaats van zijn gevangeniskleren. Want zij, die in de paleizen van de koningen zijn, moeten zachte kleren dragen. Hij, die `s morgens nog zijn ijzeren boeien voortsleepte, was eer de avond kwam met een gouden keten gesierd.
c. Hij deed hem rijden op de tweede wagen, die op de zijne volgde, en gaf bevel dat men zich voor hem zou buigen: "Knielt, zoals voor Farao zelf.
d. Hij gaf hem een nieuwe naam, om zijn gezag over hen te kennen te geven, maar die tevens de uitdrukking was van zijn waardering van hem: Zafnath-Paäneah-een ontdekker van verborgenheden.
e. Hij heeft hem een eervol huwelijk doen aangaan met de dochter van een vorst. Waar God vrijgevig is geweest in het geven van wijsheid en andere gaven, daar was Farao niet karig in het schenken van eerbewijzen. Nu was deze verhoging van Jozef:
a.a. Een overvloedige beloning voor zijn onschuldig en geduldig lijden, een blijvend voorbeeld en bewijs van de rechtvaardigheid en goedheid van de Voorzienigheid en een aanmoediging voor alle Godvruchtigen om op een goede God te vertrouwen.
b.b. Zij was een type van de verhoging van Christus, de grote verklaarder van verborgenheden, Johannes 2:18, of, gelijk sommigen Jozefs nieuwe naam vertalen: de "behouder der wereld." De grootste heerlijkheid van de bovenwereld is Zijn deel, de grote belangen zijn aan Hem toevertrouwd, en alle macht is Hem gegeven in hemel en op aarde. Hij is de verzamelaar, de bewaarder en de beschikker van al de schatten van de Goddelijke genade, de opperbestuurder van het koninkrijk Gods onder de mensen. Het is het werk van Zijn dienstknechten om voor Hem uit te roepen: "Knielt, kust de Zoon!"