Genesis 49:22-27
Hij eindigt met de zegeningen van zijn meest-beminde zonen, Jozef en Benjamin, daarmee zal hij de laatste adem uitblazen.
I. De zegen van Jozef, die zeer ruim en vol is. Hij wordt vergeleken, vers 22, bij een vruchtbare tak, of jonge boom, want God heeft hem vruchtbaar gemaakt in het land van zijn verdrukking, hij erkende dit, Hoofdstuk 41:52. Zijn twee zonen waren als ranken van een wijnstok, of van een andere zich uitbreidende plant, lopende over de muur. God kan diegenen vruchtbaar maken, een zegen voor zichzelf en voor anderen, die als dor en droog aangezien werden. Er wordt in de geschiedenis meer vermeld van Jozef, dan van de andere zonen van Jakob, en daarom is wat Jakob van hem zegt historisch zowel als profetisch.
Merk op:
1. De leidingen van Gods voorzienigheid met Jozef, vers 23, 24. Die worden vermeld tot eer van God en ter bemoediging van Jakob's geloof en hoop, dat God zegeningen had weggelegd voor zijn zaad. Laat ons hier letten op:
A. Jozefs benauwdheden, vers 23. Hoewel hij nu leefde in welvaart en eer, herinnert Jakob hem aan de moeilijkheden, die hij vroeger te doorworstelen had. Hij heeft vele vijanden gehad, hier schutters genoemd, goed instaat om kwaad te doen, meesters in hun kunst van vervolging. Zij haatten hem, daarmee begint de vervolging, zij beschoten hem met hun giftige pijlen en zo hebben zij hem bitterheid aangedaan. In zijn vaders huis waren zijn broeders zeer boosaardig tegen hem, zij bespotten hem, beroofden hem, dreigden hem, verkochten hem, en dachten dat zij hem de dood veroorzaakt hadden. In het huis van Potifar heeft zijn meesteres hem bitterheid aangedaan, hem beschoten, toen zij onbeschaamd zijn kuisheid heeft aangerand, (verzoekingen zijn vurige pijlen, doornen in het vlees, zeer bitter en smartelijk voor een Godvruchtig gemoed,) toen zij hierin niet bij hem overmocht, heeft zij hem gehaat en hem beschoten met haar valse beschuldigingen-pijlen, waartegen geen of weinig ander verweer is dan in de macht, die God ook op het geweten van de slechtste mensen uitoefent. Ongetwijfeld had hij ook vijanden aan het hof van Farao, die afgunstig waren op zijn bevordering en hem zochten tegen te werken en te ondermijnen.
B. Jozefs sterkte en steun onder al die benauwdheden, vers 24. Zijn boog is in stevigheid gebleven, dat is: zijn geloof wankelde niet, hij behield het veld, en kwam als overwinnaar tevoorschijn. De armen van zijn handen zijn gesterkt geworden, dat is: zijn andere genadegaven deden het hun, zijn wijsheid, moed en geduld, die beter zijn dan krijgswapenen. Kortom hij heeft in al zijn wederwaardigheden zijn oprechtheid behouden en zijn vertroosting, hij heeft al zijn lasten met vastberadenheid gedragen, is er niet onder bezweken, en hij heeft niets gedaan, dat onbetamelijk voor hem was.
C. De bron en oorsprong van zijn kracht hij is gesterkt geworden door de handen van de machtige Jakob, die dus machtig waren om hem te versterken, en door de God van Jakob, een God, in verbond met hem, en daarom verbonden tot zijn hulp. Al onze kracht om verzoekingen te weerstaan en beproevingen te dragen komt van God, Zijn genade is ons genoeg, en Zijn kracht wordt in zwakheid volbracht. D. De staat van eer en nuttige werkzaamheid voor anderen, waartoe hij daarna verhoogd werd, vandaar, van deze wonderbare, voor ons zo vreemd schijnende, handelwijze van de Voorzienigheid is hij een herder en steen, de spijziger en ondersteuner van Gods Israël geworden, van Jakob en zijn familie. Hierin was Jozef een type:
a. Van Christus, Hij werd beschoten en gehaat, maar werd ondersteund in Zijn lijden, Jesaja 50:7-9, en daarna werd Hij verhoogd om de herder en steen van Israël te wezen.
b. Van de kerk in het algemeen en in bijzonder de gelovigen, de hel schiet haar pijlen af op de heiligen, maar de hemel beschermt en versterkt hen, en zal hen kronen.
2. Gods beloften aan Jozef. Zie hoe deze in verband staan met de vorige, vers 25, "Van uws vaders God, Die u zal helpen, en van de Almachtige." Onze ervaringen van Gods macht en goedheid, waarmee Hij ons tot nu toe gesterkt heeft zijn ons tot bemoediging om nog verdere hulp van Hem te verwachten, Hij, die ons geholpen heeft, zal ons verder helpen, wij kunnen veel bouwen op onze Eben-Haëzers. Zie wat Jozef kon verwachten van de Almachtige, de God van zijn vader.
A. Hij zal u helpen in moeilijkheden en gevaren, die u nog te wachten kunnen zijn, uw nakomelingen helpen in de oorlogen, die zij te voeren zullen hebben. Uit hem is Jozua voortgekomen, die de opperbevelhebber was bij de verovering van Kanaän.
B. Hij zal u zegenen, en Hij alleen zegent in waarheid. Jakob bidt om een zegen over Jozef, maar Jakob's God gebiedt de zegen. Let op de zegeningen aan Jozef geschonken.
a. Het zijn verschillende en overvloedige zegeningen, zegeningen des hemels van boven, regen op zijn tijd, en mooi weer op zijn tijd, en de weldadige invloeden van de hemellichamen, zegeningen van de afgrond, die daaronder ligt, met onderaardse mijnen en bronnen. Geestelijke zegeningen zijn zegeningen van de hemel van boven, die wij in de eerste plaats moeten begeren en zoeken, en waaraan wij de voorkeur moeten geven, terwijl tijdelijke zegeningen, die van deze aarde zijn, in onze schatting daar onder moeten liggen. Zegeningen van de "baarmoeder en van de borsten" zijn gegeven, als kinderen veilig geboren en voorspoedig gezoogd worden. In het woord Gods, door welk wij wedergeboren zijn, en door welk wij opwassen 1 Petrus 1:23, 2:2,. zijn voor de nieuwe mens zegeningen beide van de baarmoeder en de borsten.
b. Uitnemende zegeningen, die "De zegeningen uws vaders gaan te boven de zegeningen mijner voorvaderen, tot aan het einde van de eeuwige heuvelen, " vers 26. Zijn vader Izaak had slechts een zegen, en toen hij die aan Jakob gegeven had, was hij verlegen om een andere, die hij aan Ezau zou kunnen geven, maar Jakob had voor ieder van zijn twaalf zonen een zegen, en nu, ten laatste, een ruime en overvloedige voor Jozef. De grote zegen, aan dit geslacht geschonken, was toeneming, die niet zo onmiddellijk en zo merkbaar volgde op de zegeningen, die Abraham en Izaak aan hun zonen gaven, als zij volgde op de zegeningen, die Jakob aan de zijnen gaf want kort na zijn dood vermenigvuldigden zij zich overvloedig.
c. Duurzame en uitgestrekte zegeningen, tot aan het einde van de eeuwige heuvelen, al de voortbrengselen insluitende van de vruchtbaarste heuvelen, en durende zolang als zij zelf duurden, Jesaja 54:10. De zegeningen van de eeuwige God sluiten de schatten in van de eeuwige heuvelen, en nog veel meer. Van deze zegeningen nu wordt hier gezegd: zij zullen zijn-aldus luidt de belofte of, laat hen zijn-dat is zijn gebed-op het hoofd van Jozef, als een kroon om het te versieren, en als een helm om het te beschutten. Jozef was afgezonderd van zijn broeders-zo lezen wij de tekst-voor een tijd, maar anderen lezen hier: hij was een nazireër onder zijn broeders, beter en voortreffelijker dan zij. Het is niets nieuws dat de beste mensen de slechtste behandeling ondervinden, maar de zegen Gods zal hun dit vergoeden.
II. De zegen van Benjamin, vers 27. Hij "zal als een wolf verscheuren." Hieruit blijkt dat Jakob in wat hij zei geleid werd door een geest van profetie, en niet door natuurlijke genegenheid, want anders zou hij van zijn beminde zoon Benjamin met meer tederheid hebben gesproken, betreffende wie hij slechts dit voorziet en voorzegt, dat zijn nakomelingen oorlogszuchtig zullen zijn, sterk en stoutmoedig en dat zij zich zullen verrijken met de roof van hun vijanden, dat zij werkzaam en bedrijvig zullen zijn in de wereld, een stam, even gevreesd door zijn naburen als iedere andere. "des morgens zal hij roof eten, en des avonds zal hij buit uitdelen." Of, in de eerste tijden van Israël zullen zij merkwaardig zijn om hun ijver en werkzaamheid, hoewel velen van hun linkshandig waren, Richteren 3:15, 20:16. Ehud, de eerste rechter, en Saul, de eerste koning, waren van die stam, en zo waren in latere tijden ook Esther en Mordechai van die stem. De Benjaminieten woedden als wolven toen zij hartstochtelijk de zaak omhelsden van de mannen van Gibea, die kinderen Belials, Richteren 20:14. De gezegende Paulus was van deze stam, Romeinen 11:1, en heeft in de morgen van zijn dag de roof gegeten als een vervolger maar in de avond heeft hij de buit uitgedeeld als een prediker. God kan door de verschillende karakters van de mensen Zijn eigen doeleinden tot stand brengen, "Bij Hem is kracht en wijsheid, Zijns is de dwalende, en die doet dwalen.".