Psalm 105:1-7
Wij worden hier krachtig opgewekt tot Godsdienstige handelingen, en vermaand om onszelf op te wekken om God te loven.
Merk op:
1. De plichten, waartoe wij hier worden geroepen, zij zijn vele, maar de strekking van alle is: Gode de eer te geven van Zijn naam.
a. Wij moeten Gode dankzegging doen, vers 1, daar Hij altijd onze milddadige weldoener is geweest, en alleen eist dat wij Hem zullen danken voor Zijn gunsten, armzalige vergelding voor rijke gaven!
b. Roept Zijn naam aan daar wij afhankelijk van Hem zijn voor nog verdere gunsten. Het bidden om nog meerdere zegeningen wordt aangenomen als een erkenning voor vroegere weldaden. Omdat Hij Zijn oor tot mij geneigd heeft, zal ik Hem aanroepen.
c. Maakt Zijn daden bekend, vers 1, opdat anderen zich met u verenigen om Hem te loven. Spreekt aandachtiglijk van al Zijn wonderen zoals wij spreken van dingen, waarvan we geheel vervuld zijn, waar wij zeer door getroffen werden terwijl wij wensen dat ook anderen ervan vervuld zullen wezen. Gods wonderen behoren het onderwerp te zijn van onze gemeenzame gesprekken met onze bloedverwanten en vrienden, en wij behoren ervan "te spreken als we in ons huis zitten en als wij op de weg gaan," Deuteronomium 6:7, niet bloot om ons te onderhouden, maar om ons op te wekken tot Godsvrucht, en ter bemoediging van ons eigen en anderer geloof in en hoop op God. Zelfs heilige dingen kunnen het onderwerp zijn van gewone gesprekken, mits er eerbied bij in acht worde genomen.
d. Zingt psalmen tot Gods eer, als degenen, die zich in Hem verblijden en van die blijdschap wensen te getuigen tot aanmoediging van anderen, en dat getuigenis over te leveren aan het nageslacht, zoals gedenkwaardige zaken oudtijds overgeleverd werden door liederen, daar geschriften toen nog zeldzaam waren.
e. Roemt in de naam van Zijn heiligheid. Laat hen, die geneigd zijn tot roemen, niet roemen op hun eigen talenten en verrichtingen, maar in hun bekendheid met God en de betrekking, waarin zij tot Hem staan, Jeremia 9:23, 24. Prijst Zijn heiligen naam, aldus sommigen, maar het komt op hetzelfde neer, want door in Hem te roemen, prijzen wij Hem. Zoekt Hem. Stelt uw geluk in Hem, en jaagt dan dat geluk na in al de middelen, die Hij verordineerd heeft. Zoekt de Heere en Zijn sterkte, dat is: de ark van Zijn sterkte, zoekt Hem in het heiligdom, in de weg, het middel, dat Hij verordineerd heeft om Hem te zoeken. Zoekt Zijne sterkte dat is: Zijn genade, de sterkte Zijns Geestes om het goede in u te werken, dat wij niet anders kunnen dan door sterkte, die aan Hem ontleend is, en waar Hij om gebeden wil worden. Zoekt de Heere, en weest bekrachtigd, aldus is de lezing in verscheidene oude overzettingen. Zij, die versterkt willen worden naar de inwendige mens, moeten door geloof en gebed kracht van God ontvangen. Zoekt Zijn sterkte, en zoekt dan Zijn aangezicht, want door Zijn sterkte hopen wij bij Hem te overmogen om Zijn gunst te verkrijgen, zoals Jakob haar op die wijze verkregen heeft, Hosea 12:4. "Zoekt Zijn aangezicht geduriglijk, zoekt Zijn gunst te hebben tot in eeuwigheid, en blijft het daarom zoeken tot aan het einde van uw proeftijd. Zoekt het terwijl gij leeft in deze wereld, en gij zult het hebben terwijl gij leeft in de andere wereld, en zelfs daar zult gij het altijd en eeuwiglijk zoeken in oneindige voortgang, en er tot in eeuwigheid voldaan mee zijn."
D. Het hart dergenen, die Heere zoeken, verblijde zich, vers 3, want zij hebben een goede keus gedaan, en houden zich op een goede wijze bezig, en zij kunnen er zeker van zijn dat hun arbeid niet tevergeefs zal wezen, want Hij zal niet alleen gevonden worden, maar bevonden worden te zijn een beloner dergenen, die Hem zoeken. Indien nu zij, die de Heere zoeken, reden hebben om zich te verblijden, veel meer reden hebben zij dan daartoe, die Hem hebben gevonden.
2. Enige argumenten om ons aan te sporen tot die plichten.
A. Bedenkt wat Hij gezegd en wat Hij gedaan heeft om ons voor altijd aan Hem te verbinden. Gij zult u onder de sterkste verplichtingen zien om Hem te danken en Zijn naam aan te roepen, als gij u de wonderen herinnert, die een diepe en blijvende indruk op u moeten maken, de wonderen van Zijn voorzienigheid, die Hij voor u gewrocht heeft, voor u en voor degenen, die voor u geweest zijn, de wondertekenen, die Hij gedaan heeft, die bij de nadenkenden en dankbaren in eeuwige herinnering zullen blijven, de wonderen van Zijn wet, die Hij voor u geschreven heeft, en die Hij u heeft toevertrouwd, de oordelen Zijns monds, zowel als de oordelen van Zijn hand, vers 5.
B. Denkt aan de betrekking, waarin gij tot Hem staat, vers 6. Gij zijt het zaad van Abraham Zijn knecht, gij zijt ingeborenen Zijns huizes en hierdoor hebt gij recht op het voorrecht van Zijn dienstknechten, op bescherming en verzorging, gij zijt ook gehouden om de plicht te doen van dienstknechten, uw Meester te dienen, te rade te gaan met Zijn eer, gehoorzaam te zijn aan Zijn bevelen, en te doen wat gij kunt om Zijn belangen te bevorderen. Gij zijt de kinderen van Jakob, Zijn uitverkorene, en gij zijt verkoren en bemind om der vaderen wil, en daarom behoort gij in de voetstappen te treden van hen, van wier eer gij de erfgenamen zijt. Gij zijt de kinderen van Godvruchtige ouders, ontaardt dan niet, gij zijt Gods kerk op aarde, wie zal Hem loven, zo gij het niet doet?
C. Denkt aan uw deel aan Hem: Hij is de Heere, onze God, vers 7. Wij betrouwen op Hem, zijn Hem toegewijd, en van Hem is onze verwachting. Zal niet een volk zijn God vragen? Jesaja 8:19, en zijn God niet prijzen?
D. Hij is Jehovah, onze God, Hij, die onze God is, is uit zichzelf bestaande en is zelfgenoegzaam, heeft een onweerstaanbare macht en onbetwistbare soevereiniteit. Zijn oordelen zijn over de gehele aarde, Hij regeert de gehele wereld met wijsheid, en schrijft alle volken de wet voor, zelfs aan hen, die Hem niet kennen. De aarde is vol van de bewijzen van Zijn macht.