Genesis 37:1-4
Mozes heeft niets meer te zeggen van de Edomieten, dan wanneer het gebeurt, dat zij met Israël op de een of andere wijze in aanraking komen, maar nu houdt hij zich stipt aan de geschiedenis van het gezin van Jacob. Dit zijn de geschiedenissen van Jacob of geboorten. Het is niet slechts een dorre geslachtslijst, zoals die van Ezau, Hoofdstuk 36:1, maar een gedenkwaardige, nuttige geschiedenis. Hier is:
1. Jakob een bijwoner met zijn vader Izaak, die nog leefde, vers 1. Nooit zullen wij thuis zijn, vóór wij in de hemel komen.
2. Jozef, een herder, weidde de kudde met zijn broers, vers 2 Hoewel hij de lieveling van zijn vader was, werd hij toch niet in ledigheid en wekelijkheid opgebracht. Diegene hebben hun kinderen niet waarlijk lief, die hen niet gewennen aan arbeid en inspanning en ontbering. Het strelen en liefkozen van kinderen wordt met recht kinderbederven genoemd. Zij, die tot niets worden opgeleid, zullen waarschijnlijk ook blijken nergens toe te deugen.
3. Jozef bemind door zijn vader, vers 3, deels om ter wille van zijn dierbare overleden moeder, en deels om hemzelf, omdat hij de grootste troost was voor zijn oude dag. Waarschijnlijk bediende hij hem, en was hij zorgzamer voor hem dan zijn andere zonen. Hij was de zoon van de oude, vertalen sommigen, dat is: toen hij nog een kind was, was hij ernstig en beraden als een oud man, een kind, maar niet kinderachtig. Jakob gaf zijn genegenheid voor hem te kennen door hem fraaier kleren te geven dan aan zijn overige kinderen, hij maakte hem een veelkleurige rok, hetgeen waarschijnlijk een teken was van nog verdere voor hem bestemde eerbewijzen. Hoewel die kinderen gelukkig zijn, die datgene in zich hebben, hetwelk hen terecht in de bijzondere liefde van hun ouders aanbeveelt, zullen de ouders toch wijs doen met geen verschil te maken tussen het ene kind en het andere, tenzij daar een grote en duidelijke oorzaak voor gegeven wordt door de gehoorzaamheid of ongehoorzaamheid van de kinderen, het ouderlijk bestuur moet onpartijdig zijn en met een vaste hand geleid worden.
4. Jozef, gehaat door zijn broers.
a. Omdat zijn vader hem liefhad. Als ouders verschil maken, zullen de kinderen dit spoedig bemerken, en dikwijls veroorzaakt dit veten en twisten in families.
b. Omdat hij hun kwaad gerucht tot hun vader bracht. Jakob's zonen deden, als zij buiten het gezicht van hun vaders waren, hetgeen zij niet zouden durven doen bij hem tehuis, maar Jozef gaf zijn vader bericht van hun slecht gedrag, opdat hij hen zou bestraffen en beteugelen, niet als een boosaardige aanbrenger, om onenigheid te zaaien, maar als een trouwe broer, die, als hijzelf hen niet durfde vermanen, hun verkeerdheden mededeelde aan iemand, die gezag had om hen te vermanen. Het is iets heel gewoons, dat vriendelijke vermaners beschouwd worden als vijanden. Zij, die het haten om zich te verbeteren, haten hen, die hen willen verbeteren, Spreuken 9-8. Het is ook iets heel gewoons dat zij, die bemind worden door God, door de wereld worden gehaat, die door de hemel worden gezegend, worden vervloekt door de hel, met hen, tot wie God spreekt van troost, zullen slechte mensen niet vredig kunnen spreken. Er wordt hier gezegd van Jozef: de jongeling was met de zonen van Bilha en de zonen van Zilpa, sommigen lezen dit: hij was hun als knecht, zij maakten hem tot hun slaaf.