Bijbelstudie
Boeken
Genesis 36
Statenvertaling
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
1
DIT
a
nu zijn
1
de geboorten van Ezau, welke is
2
Edom.
2
3
Ezau nam zijn vrouwen uit de dochteren
4
van Kanaän:
5
Ada, de dochter van Elon den
6
Hethiet, en
7
Aholibáma, de dochter van
8
Ana,
9
de dochter van Zibeon den
10
Heviet;
3
En
11
Basmath, de dochter van Ismaël,
12
zuster van Nebajoth.
4
Ada nu baarde aan Ezau
13
Elifaz, en Basmath baarde
14
Rehuël.
5
En Aholibáma baarde Jehus, en Jáëlam en
15
Korach. Dit zijn de
16
zonen van Ezau, die hem geboren zijn in het land Kanaän.
6
Ezau nu had genomen zijn vrouwen en zijn zonen en zijn dochters en al de
17
zielen zijns huizes, en zijn
18
vee en al zijn beesten en al zijn bezitting, die hij in het land Kanaän verworven had, en was vertrokken naar
19
een
ander
land,
20
van het aangezicht van zijn broeder Jakob.
7
Want
21
hun
b
have was te veel om tezamen te wonen; en het
22
land hunner vreemdelingschappen kon hen niet dragen vanwege hun vee.
8
Derhalve
c
woonde Ezau
23
op het gebergte Seïr;
24
Ezau is Edom.
9
Dit nu zijn de geboorten van Ezau, den vader der
25
Edomieten, op het gebergte Seïr.
10
Dit zijn de namen
26
der zonen van Ezau: Elifaz, de zoon van Ada, Ezaus huisvrouw; Rehuël, de zoon van Basmath, Ezaus huisvrouw.
11
En de zonen van Elifaz waren: Theman, Omar,
27
Zefo, en Gáëtam en Kenaz.
12
En Timna was een bijwijf van Elifaz, den zoon van Ezau, en zij baarde aan Elifaz
28
Amalek; dit zijn
29
de zonen van Ada, Ezaus huisvrouw.
13
En dit zijn de zonen van Rehuël: Nahath en
30
Zerah, Samma en Mizza; dat zijn geweest de zonen van Basmath, Ezaus huisvrouw.
14
En dit zijn geweest de zonen van Aholibáma, dochter van Ana, dochter van Zibeon, Ezaus huisvrouw; en zij baarde aan Ezau Jehus, en Jáëlam en Korach.
15
Dit zijn
31
de vorsten der zonen van Ezau: de zonen van Elifaz, den eerstgeborene van Ezau, waren: de vorst Theman, de vorst Omar, de vorst
32
Zefo, de vorst Kenaz,
16
De vorst
33
Korach, de vorst Gáëtam, de vorst Amalek; dat zijn de vorsten van Elifaz in het land Edom; dat zijn de zonen van Ada.
17
En dit zijn de zonen van Rehuël, den zoon van Ezau: de vorst Nahath, de vorst Zerah, de vorst Samma, de vorst Mizza; dat zijn de vorsten van Rehuël in het land van Edom; dat zijn de zonen van Basmath, de huisvrouw van Ezau.
18
En dit zijn de zonen van Aholibáma, de huisvrouw van Ezau: de vorst Jehus, de vorst Jáëlam, de vorst Korach; dat zijn de vorsten van Aholibáma, de dochter van Ana, de huisvrouw van Ezau.
19
Dat zijn de zonen van Ezau, en dat zijn hunlieder vorsten; die is Edom.
20
d
Dit zijn de zonen van
34
Seïr, den Horiet, inwoners van dat land: Lotan, en Sobal, en Zibeon, en Ana,
21
En
35
Dison, en Ezer, en Disan; dat zijn de vorsten
36
der Horieten, zonen van Seïr, in het land van Edom.
22
En de zonen van Lotan waren Hori en
37
Hemam; en Lotans zuster was
38
Timna.
23
En dit zijn de zonen van Sobal:
39
Alvan en Manáhath en Ebal, en
40
Sefo en Onam.
24
En dit zijn de zonen van Zibeon: Aja en Ana; hij is die Ana,
41
die de muildieren in de woestijn gevonden heeft, toen hij de ezels van zijn vader Zibeon weidde.
25
En dit zijn de
42
zonen van Ana: Dison; en
43
Aholibáma was de dochter van
44
Ana.
26
En dit zijn de zonen van Disan:
45
Hemdan, en Esban, en Jithran en Cheran.
27
Dit zijn de zonen van
46
Ezer: Bilhan, en Záävan en
47
Akan.
28
Dit zijn de zonen van Disan:
48
Uz en Aran.
29
Dit zijn de vorsten
49
der Horieten: de vorst Lotan, de vorst Sobal, de vorst Zibeon, de vorst Ana,
30
De vorst Dison, de vorst Ezer, de vorst Disan; dit zijn de vorsten der Horieten,
50
naar hun vorsten in het land Seïr.
31
e
En dit zijn de
51
koningen die geregeerd hebben in het land Edom,
52
eer een koning regeerde over
53
de kinderen Israëls.
32
Bela dan, de zoon van Beor, regeerde in Edom; en de naam
54
zijner stad was Dinhába.
33
En Bela stierf; en Jobab, de zoon van Zerah, van
55
Bozra, regeerde in zijn plaats.
34
En Jobab stierf; en Husam,
56
uit der Themanieten land, regeerde in zijn plaats.
35
En Husam stierf; en in zijn plaats regeerde Hadad, de zoon van Bedad, die
57
Midian versloeg in het veld van Moab; en de naam zijner stad was Avith.
36
En Hadad stierf; en Samla, van Masréka, regeerde in zijn plaats.
37
En Samla stierf; en
58
Saul van Rehobôth,
59
aan de rivier, regeerde in zijn plaats.
38
En Saul stierf; en Baäl-Hánan, de zoon van Achbor, regeerde in zijn plaats.
39
En Baäl-Hánan, de zoon van Achbor, stierf, en Hadar regeerde in zijn plaats; en de naam zijner stad was Pahu; en de naam zijner huisvrouw was Mehetábeël, een dochter van Matred,
60
de dochter van Mezahab.
40
f
En dit zijn de namen der
61
vorsten van Ezau naar hun geslachten, naar hun plaatsen,
62
met hun namen: de vorst
63
Timna, de vorst Alva, de vorst Jetheth,
41
De vorst Aholibáma, de vorst Ela, de vorst Pinon,
42
De vorst Kenaz, de vorst Theman, de vorst
64
Mibzar,
43
De vorst Magdiël, de vorst Iram; dit zijn de vorsten van Edom, naar hun woningen in het land hunner bezitting; hij is Ezau, de vader
65
van Edom.