Genesis 32:9-12
Onze regel is: God aan te roepen op de dag van de benauwdheid, hier hebben wij er een voorbeeld van, en de goede uitslag er van moedigt ons aan om dat voorbeeld te volgen. Het was nu de dag van Jakob's benauwdheid, maar hij zal er uit verlost worden, en hier zien wij hem bidden om die verlossing, Jeremia 30:7. Toen hij bang was riep hij de Heer aan, en Hij hoorde zijn stem. Tijden van vrees en benauwdheid moeten tijden zijn van gebed, al wat ons verschrikt of beangst moet ons op de knieën brengen, tot onze God. Jakob had kort tevoren zijn engelenwacht gezien, maar in deze benauwdheid wendt hij zich tot God, niet tot hen, hij wist, dat zij zijn mede dienstknechten waren, Openbaring 22:9. Hij heeft ook Labans terafim niet geraadpleegd, het was hem genoeg een God te hebben, tot wie hij zich kon begeven. Tot Hem wendt hij zich met alle mogelijke plechtigheid, begeeft hij zich dus om veiligheid tot de naam van de Heer als "tot een sterke toren," Spreuken 18:10. Dit gebed is des te meer merkwaardig, omdat hij er zich de eer door verkregen heeft van een Israël, een vorst van God te zijn, en de vader van het biddend overblijfsel, dat daarom het zaad van Jakob wordt genoemd, tot hetwelk Hij nooit gezegd heeft zoek Mij tevergeefs. Nu is het wel de moeite waard om eens na te gaan wat er zo buitengewoon was in dit gebed, dat het hem, die het opzond, er deze eer door verkregen heeft.
1. Het is een gebed om slechts een zaak maar het is zeer dringend, vers 11. Ruk mij toch uit de hand van mijn broer. Hoewel er, naar de mens gesproken, geen redding mogelijk was, geloofde hij in de kracht en macht van God, die hem als een lam uit de bloedige kaken van de leeuw kon rukken. Het is ons vergund om in ons gebed tot God in bijzonderheden te treden, de bezwaren, die ons drukken de benauwdheid, waarin wij ons bevinden, met name te noemen, want de God, met wie wij te doen hebben is een, met wien wij vrij kunnen zijn, wij kunnen met vrijmoedigheid toegaan tot de troon van de genade.
2. Als onze broeders het er op toeleggen om ons te verderven, dan is het onze troost dat wij een Vader hebben tot wie wij ons kunnen wenden als tot onze bevrijder.
II. De pleitgronden zijn vele, en zij zijn zeer krachtig, nooit was een zaak in betere orde voorgesteld, Job 23:4. Hij zendt zijn bede op tot God met groot geloof, met vurigheid van geest en in diepe ootmoed. Hoe vurig en dringend smeekt hij! vers 11. Ruk mij toch uit de hand van mijn broeder. Zijn vrees maakt hem dringend. Met wat heilige logica redeneert hij! Met wat goddelijke welsprekendheid pleit hij! Hier is een schoon heerlijk voorbeeld om na te volgen.
1. Hij spreekt God aan als de God van zijn vaderen, vers 9. Hij had zulk een ootmoedig besef van zijn eigen onwaardigheid, dat hij God niet zijn God noemde, maar een God in verbond met zijn voorouders. O God van mijn vader Abraham en God van mijn vader Izak en hierop kon hij te eerder pleiten omdat door goddelijke aanwijzing de erfenis van het verbond op hem overging. Als wij in benauwdheid zien kan Gods verbond met onze vaderen ons tot troost wezen. Zo is het dikwijls geweest met Gods volk, Psalm 22:5, 6. Geboren zijnde in Gods huis, neemt Hij ons onder Zijn bijzondere hoede en bescherming.
2. Hij legt zijn volmacht over. Gij hebt tot mij gezegd: Keer weer tot uw land. Hij heeft zijn plaats bij Laban niet roekeloos verlaten, uit wispelturigheid, of een dwaze gehechtheid aan zijn geboorteland, maar in gehoorzaamheid aan het gebod van God. Wij kunnen in de weg van de plicht zijn, en toch in benauwdheid en moeilijkheid komen op die weg. Gelijk voorspoed geen bewijs is dat wij op de goeden weg zijn, zo zal tegenspoed geen bewijs wezen dat wij op de verkeerde weg zijn. Wij kunnen heengaan waar God ons roept en toch bevinden dat onze weg door doornen overwoekerd is. Zolang wij bij onze plicht blijven kunnen wij goedsmoeds God voor onze veiligheid laten zorgen. Als God onze gids is, dan zal Hij ook onze hoeder wezen.
3. Hij erkent ootmoedig zijn onwaardigheid om gunst van God te ontvangen, vers 10. Ik ben niet waardig Het is wel een ongewone pleitrede. Sommigen zouden denken dat hij gepleit zou hebben, dat hetgeen nu in gevaar was het zijne was tegenover de gehele wereld en dat hij het zuur genoeg had verdiend maar neen: hij zegt: Heer, ik ben het niet waardig Zelfverloochening en zelfvernedering betamen ons in ons pleiten voor den troon van de genade. Onder allen, die Hem om iets baden heeft Christus niemand zulk een lof toegekend als aan hem, die zei: `Heer, ik ben niet waardig,' Mattheus 8:8, en aan haar, die zei: "Ja Heer! doch de honden eten ook van de brokjes, die er vallen van de tafel van hun heren," Mattheus 15:27. Merk hier nu op:
a. hoe grotelijks hij de weldadigheden Gods aan hem roemt en verheerlijkt. Wij hebben hier weldadigheden in het meervoud, een onuitputtelijke bron en talloze stromen, weldadigheden en trouw, dat is: weldadigheden in het verleden, geschonken overeenkomstig de belofte, en nog verdere weldadigheden, verzekerd door de belofte voor de toekomst. Hetgeen nog weggelegd is in Gods trouw en hetgeen reeds geschonken is in Gods weldadigheid is stof tot vertroosting van de gelovigen, en geeft hun evenzo ook reden om God te loven. Ja meer: let er op, dat hij spreekt van al deze weldadigheden en al deze trouw, de wijze van uitdrukking is overvloedig en geeft te kennen dat zijn hart vol is van Gods goedheid.
b. Hoe gering en nederig hij spreekt van zichzelf alle gedachte aan eigen verdienste van zich werpende. "Ik ben geringer dan al deze weldadigheden en dan al deze trouw, ik ben ze niet waardig, en nog veel minder ben ik de grote gunst waardig, die ik nu van U bid". Jakob was een aanzienlijk man, en in vele opzichten een zeer verdienstelijk man, en in zijn gesprek met Laban heeft hij terecht op zijn verdienste gewezen, maar niet voor God. Ik ben geringer dan al Uw weldadigheden. De beste en grootste mannen zijn nog onwaardig de minste gunst van God, en moeten dit bij alle gelegenheden willen erkennen. De uitnemende George Herbert had tot motto: Geringer dan de geringste van al Gods weldadigheden. Diegene zijn het best bereid voor de grootste weldadigheden, die zich de minste er van nog onwaardig achten.
4. Dankbaar erkent hij Gods goedheid jegens hem in zijn ballingschap, en hoezeer die al zijn verwachtingen ver had overtroffen. "Ik ben met mijn staf over deze Jordaan gegaan, arm en verlaten, als een eenzaam, gering reiziger", hij had geen gidsen, geen metgezellen, geen bedienden, geen reisbenodigdheden, slechts zijn staf, en niets anders om hem tot steun te wezen, "en nu ben ik tot twee legers geworden, nu ben ik omringd door talrijke kinderen, die mij tot troost zijn, en door dienaren, om mij te helpen." Hoewel het zijn angst was, die hem verplichtte om zijn gezin in twee hopen te verdelen, maakt hij daar toch gebruik van om Gods goedheid te verheerlijken in deze toeneming. De toeneming van ons gezin is dan alleen troostrijk en lieflijk als wij er Gods weldadigheid en trouw in zien. Zij, van wie het bezit zeer vermeerderd is, behoren met ootmoed en dankbaarheid te gedenken hoe gering hun begin is geweest. Jakob pleit: Heere, Gij hebt mij onderhouden en bewaard toen ik alleen met mijn staf uitgegaan ben, en slechts een leven te verliezen had, zult Gij mij dan niet bewaren nu de zorg voor zoveel andere levens op mij rust?
5. Hij wijst op de grootheid van het gevaar waarin hij zich bevindt. Ruk mij toch uit de hand van mijn broer want ik vrees hem, vers 11. Het volk van God heeft niet geschroomd God met hun vrees bekend te maken, want zij weten dat Hij er acht op slaat. De vrees, die ons aanspoort tot gebed, is een gezegende vrees. Het was geen rover, maar een moordenaar, voor wie hij vreesde. Het was ook niet slechts zijn eigen leven, dat op het spel stond, maar dat van de moeders en van de kinderen, die hun geboorteland hadden verlaten om met hem te gaan. Onze natuurlijke genegenheid geeft ons goede, Gode welbehaaglijke pleitgronden in het gebed.
6. Hij wijst inzonderheid op de belofte, die God hem gedaan heeft, vers 9. O Heer, die tot mij gezegd hebt, Ik zal wel bij u doen en weer bij het einde, in vers 12 :Gij hebt immers gezegd: Ik zal gewis wel bij u doen. Het beste wat wij tot God kunnen zeggen in het gebed is: wat Hij tot ons gezegd heeft. Gelijk Gods beloften de beste gidsen zijn voor onze begeerten in het gebed, en ons de beste beden in de mond leggen, zo zijn zij ook de meest vaste grond voor onze hoop, en voorzien zij ons van de beste pleitgronden. "Heer, Gij hebt zo en zo gesproken, zult Gij dan niet doen naar Uw woord, "waarop Gij mij hebt doen hopen?" Psalm 119:49. De meest algemene beloften zijn nog toepasselijk op bijzondere gevallen of toestanden. "Gij hebt gezegd: Ik zal wel bij u doen, Heer, doe mij wel in deze zaak." Hij pleit ook op een bijzondere belofte, die van zijn zaad te zullen vermenigvuldigen. "Heer, wat zal er worden van die belofte, indien zij allen verslagen worden?" Er zijn beloften aan de gezinnen van de godvruchtigen, die in het gebed gebruikt kunnen worden als pleitgronden om gewone en buitengewone zegeningen Voor het gezin te verkrijgen, Hoofdstuk 17:7, Psalm 112:2, 102:29. De dreigingen van de wereld moeten ons uitdrijven naar de beloften van God.