Psalm 22:1-11
Sommigen menen Christus te zien in het opschrift van deze psalm op Ajeleth hasschachar de hinde des dageraads, Christus is als de vlugge ree op de bergen van de specerijen, Hooglied 8:14, als de lieflijke hinde en het aangename steengeitje voor alle gelovigen, Spreuken 5:19, evenals Nafthali bij een losgelaten hinde vergeleken wordt zo geeft hij schone woorden, Genesis 49:21. Hij is de hinde des dageraads, door de raad Gods van eeuwigheid afgetekend en aangewezen om ter neergeworpen te worden door de honden, die Hem hebben omsingeld vers 17. Anderen echter denken dat deze woorden slechts de melodie aanduiden, waarop de psalm gezongen moest worden.
In deze verzen hebben wij:
I. Een droeve klacht over het zich terugtrekken van God, vers 2,3. Dit kan toegepast worden op David en ieder ander kind van God dat onder het gemis van de tekenen van Zijn gunst, gebukt gaande onder de last van zijn misnoegen, kermt en brult, als iemand, die overstelpt is van smart en angst en vurig bidt om hulp en uitkomst, zich verlaten gevoelende van God, niet geholpen, niet verhoord wordt, maar Hem toch wederom en nogmaals aanroept: "Mijn God, mijn God", en dag en nacht tot Hem blijft roepen, vurig begerende dat Hij tot hem zal weer keuren. Geestelijke verlatenheid is voor de heiligen de zwaarste beproeving, als de bewijzen van hun kindschap omfloerst zijn, de Goddelijke vertroostingen wegblijven, hun gemeenschap met God afgebroken is, en de verschrikkingen Gods zich in slagorde tegen hen stellen, hoe treurig is dan hun ziel, hoe troosteloos hun vooruitzicht! Maar zelfs hun klacht over die zware last is een goed teken van geestelijk leven, en een bewijs dat de geestelijke zintuigen geoefend worden. Uit te roepen: Mijn God, waarom ben ik ziek, waarom ben ik arm?" zou een reden wezen om ontevredenheid en wereldsgezindheid te vermoeden. Maar: "Waarom hebt Gij mij verlaten?" dat is de taal van een hart, dat zijn geluk slechts vindt in Gods gunst. Als wij treuren over het zich terugtrekken van God, dan moeten wij Hem toch nog onze God noemen. Hem als de onze blijven aanroepen. Als wij het geloof van de verzekerdheid missen, dan moeten wij leven door het geloof van de getrouwe aanhankelijkheid: Hoe het ook zij: God is goed, en Hij is de mijne, al zou Hij mij doden, zal ik toch op Hem betrouwen, ofschoon Hij mij niet terstond verhoort, zal ik toch blijven bidden, op Hem blijven wachten, hoewel Hij zwijgt, zal ik niet zwijgen."
Maar het moet toegepast worden op Christus, want in de eerste woorden van deze klacht heeft Hij Zijn ziel voor God uitgestort, toen Hij aan het kruis hing, Mattheus 27:46, waarschijnlijk ging Hij voort met de volgende woorden en sommigen denken dat Hij de gehelen psalm heeft opgezegd, indien niet overluid (omdat zij bij de eerste woorden al spottende aanmerkingen hebben gemaakt) dan toch bij zichzelf, Christus heeft in Zijn lijden vurig tot Zijn Vader geroepen om Zijn gunst en nabijheid. Hij riep bij dag aan het kruis, en des nachts toen Hij in Zijn doodsbenauwdheid was in de hof. Hij heeft sterke roepingen en tranen geofferd tot Hem, die Hem kon verlossen, Hebreeën 5:7. Toch heeft God Hem verlaten, was Hij verre van Zijn verlossing, en heeft Hij Hem niet verhoord, en daarover heeft Hij meer geklaagd dan over Zijn lichamelijk lijden. God heeft Hem overgeleverd in de handen van Zijn vijanden, het was door Zijn bepaalde raad dat Hij werd gekruisigd en gedood, zonder dat Hij merkbare troost heeft ontvangen, maar Christus, zich zonde voor ons gemaakt hebbende, heeft de Vader Hem dienovereenkomstig onder de tegenwoordige druk gelegd van Zijn toorn en misnoegen tegen de zonde. Het "behaagde de Heere Hem te verbrijzelen Hij heeft Hem smart aangedaan," Jesaja 53:10.15 Maar zelfs toen hield Hij vast aan Zijn betrekking tot Zijn Vader als Zijn God, die Hij nu diende, en bij wie Hij weldra verheerlijkt zou worden.
II. Zien wij hoe Hij zich hieromtrent bemoedigt, vers 4-6. Hoewel God Hem niet verhoorde, Hem niet hielp, zal Hij:
1. Toch goede gedachten koesteren van God: Doch Gij zijt heilig, niet onrechtvaardig, niet ontrouw, of onvriendelijk in wat Gij ook over mij beschikt, hoewel Gij Uw beproefd volk niet terstond te hulp komt, hebt Gij hen toch lief zijt Gij toch getrouw aan Uw verbond met hen, en steunt Gij toch de ongerechtigheid van hun vervolgers niet, Habakuk 1:13. En gelijk Gijzelf oneindig rein en oprecht zijt, zo verlustigt Gij U in de dienst van Uw oprecht volk, Gij woont onder de lofzangen Israëls, het behaagt U Uw heerlijkheid, genade en bijzondere tegenwoordigheid te openbaren onder Uw volk in het heiligdom waar zij tot U komen met hun lof, daar zijt Gij altijd bereid hun hulde te ontvangen, en van de tent van de samenkomst hebt Gij gezegd: Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid. Het geeft Gods verwonderlijke, nederbuigende goedheid te kennen jegens Zijn getrouwe aanbidders, dat, terwijl Hij de lof ontvangt van engelen, het Hem toch behaagt onder de lofzangen Israëls te wonen. En onder al onze klachten kan het ons vertroosten dat, hoewel God voor een wijle er doof voor schijnt te wezen, Hij toch zo'n welgevallen heeft aan hun lof, dat Hij hun te bestemder tijd reden zal geven om van toon te veranderen: Hoop op God, want ik zal Hem nog loven. In Zijn lijden had onze Heere Jezus het oog op Gods heiligheid om de eer daarvan te bewaren en te bevorderen, en op Zijn genade, waardoor Hij woonde onder de lofzangen Israëls, niettegenstaande de ongerechtigheid hunner heilige dingen.
2. Hij zal troost ontlenen aan de ervaring die de heiligen in vroegere tijden gehad hebben van het voordeel van geloof en gebed, vers 5,6. Op U hebben onze vaders vertrouwd en Gij hebt hen uitgeholpen, tot U hebben zij geroepen en zijn uitgered, daarom zult Gij te bestemder tijd ook mij verlossen, want nooit heeft iemand U tevergeefs gezocht. En Gij zijt nog dezelfde, dezelfde voor Uw volk, die Gij altijd geweest zijt. Zij waren onze vaders, en Uw volk is "bemind om van de vaderen wil," Romeinen 11:28. Het erfdeel des verbonds is bestemd tot instandhouding van het zaad van de gelovigen. Hij, die de God was van onze vaderen moet ook onze God zijn. Hiermede heeft onze Heere Jezus zich in Zijn lijden ondersteund, dat al de vaderen, die typen van Hem geweest zijn in Zijn lijden Noach, Jozef, David, Jona en anderen te bestemder tijd gered en verlost zijn geworden, en ook typen waren van Zijn verhoging, en daarom wist Hij dat ook Hij "niet beschaamd zal worden," Jesaja 50:7.
III. De klacht vernieuwd over een andere grief, namelijk de smaad en de minachting van de mensen. Deze klacht is volstrekt niet zo bitter als de vorige over het zich terugtrekken van God, maar gelijk dat een Godvruchtige zeer bijzonder treft, zo zal dit een edelmoedige ziel op het gevoeligst treffen, vers 7-9. Onze vaders waren geëerd, de patriarchen waren in hun tijd groot in de ogen van de wereld, Abraham Mozes, David, maar Christus is een worm en geen man. Het was een grote neerbuigende goedheid, dat Hij een man, een mens, is geworden, een graad afgedaald is, dat is en dat zal zijn de verwondering en bewondering van engelen, maar alsof dit nog te veel, te groot was om een man te zijn, wordt Hij een worm en geen man. Hij was Adam, een gering man, en ennosh een man van smarten, maar lo ish geen gewichtig, aanzienlijk man, want Hij heeft de gestalte van een dienstknecht aangenomen en "Zijn gelaat was verdorven, meer dan van iemand," Jesaja 52:14. Op zijn best genomen is de mens een worm, maar Hij werd een worm en geen man. Indien Hij zich niet tot een worm had gemaakt, Hij had niet zo vertreden kunnen worden als Hij geweest is. Het woord betekent een worm, zoals die gebruikt werd om scharlaken of purper te verven, weshalve sommigen er een toespeling in zien op Zijn bloedig lijden. Zie de mishandelingen, die Hem werden aangedaan:
1. Hij werd gesmaad als een slecht man, een Godslasteraar, een sabbatschender, een wijnzuiper, een vals profeet, een vijand van de keizer, in verbond met de overste van de duivelen.
2. Hij was veracht van het volk, als een verachtelijk mens, niet de moeite waard om notitie van te nemen, Zijn vaderland heeft een slechte naam, Zijn bloedverwanten zijn arme handwerkslieden, Zijn volgelingen behoren niet tot de oversten of tot de Farizeën, maar tot het geringe volk.
3. Hij werd bespot als een dwaas, iemand, die niet slechts anderen bedroog maar ook zichzelf. Zo ver was het van hen om medelijden met Hem te hebben of zich om Hem te bekommeren, dat zij nog toededen aan Zijn lijden met al de gebaren en uitdrukkingen van de onbeschoftheid, Hem smadelijk Zijn val verwijtende, zij maakten zich vrolijk over Hem, spotten met Zijn lijden, zij staken de lip uit, schudden het hoofd, zeggende: Hij heeft het op de Heere gewenteld, dat Hij hem nu uithelpe. Onze Heere Jezus, op zich genomen hebbende om vergoeding te doen voor de oneer, Gode aangedaan door onze zonden, deed het door zich te onderwerpen aan de grootst mogelijke schande en versmaadheid.
IV. Ook hieromtrent schept Hij moed, vers 10, 11. De mensen verachten mij, maar Gij zag het, die mij uit de buik hebt uitgetogen. David en andere Godvruchtigen hebben dikwijls tot onze besturing zich hiermede bemoedigd dat God niet slechts de God was van hun vaderen zoals in vers 5, maar ook de God van hun kindsheid, die reeds vroeg begonnen is zorg voor hen te dragen, reeds zodra zij het aanzijn hadden ontvangen, en daarom hopen zij, dat Hij hen nooit zal verstouten of verlaten. Hij, die zo goed voor ons gezorgd heeft in die hulpeloze, nutteloze toestand, zal ons niet verlaten na ons zover gebracht te hebben, dat wij enigszins instaat zijn Hem te dienen. Zie het vroege voorbeeld van Gods voorzienige zorg over ons:
1. In de geboorte. Hij heeft ons uit de buik uitgetogen, anders zouden wij daar gestorven zijn, of gesmoord zijn in de geboorte. De bijzondere tijd van ieder mens begint met dit veelbetekenend bewijs van Gods voorzienigheid, zoals de tijd in het algemeen begon met de schepping, dat veelbetekenend bewijs van Zijn bestaan.
2. Aan de borst: "Toen hebt Gij mij doen vertrouwen" dat is: Gij hebt door mij van het levensonderhoud te voorzien en mij te beschermen tegen de gevaren, waaraan ik blootgesteld was, datgene voor mij gedaan, dat mij aanmoedigt om geheel mijn leven lang op U te vertrouwen." Gelijk de zegeningen van de borsten de zegeningen van de baarmoeder kronen, zo zijn zij ook onderpanden van de zegeningen van geheel ons leven. Voorzeker, Hij, die ons toen gevoed heeft, zal ons nooit van honger laten omkomen.
3. In onze vroege toewijding aan Hem, op U ben ik geworpen van de baarmoeder af. Hetgeen misschien verwijst naar zijn besnijdenis op de achtste dag, toen werd Hij door zijn ouders toevertrouwd en overgegeven aan God als zijn God in het verbond, want de besnijdenis was een zegel van het verbond, en dit moedigde Hem aan om op God te vertrouwen. Diegenen hebben reden om zich vellig te achten, die zo spoedig, zo plechtig vergaderd werden onder de vleugelen van de Goddelijke majesteit.
4. In de ervaring, die wij hadden van Gods goedheid van die tijd af, gebleken in een onafgebroken reeks van bewaringen en voorzieningen, Gij ziet man Gods die voor mij hebt voorzien, over mij hebt gewaakt ten goede, van de buik van mijn moeder aan zijt Gij mijn God, van dat ik in de wereld ben gekomen tot op deze dag. En indien wij, zodra wij instaat waren om ons verstand te gebruiken, ons vertrouwen op God hebben gesteld, ons en onze weg Hem bevolen hebben, dan behoeven wij niet te twijfelen, of Hij zal "van de weldadigheid onder jeugd, van de liefde Dezer ondertrouw gedenken," Jeremia 2:2. Dit is van toepassing op onze Heere Jezus, over wiens vleeswording en geboorte. de Goddelijke voorzienigheid met zeer bijzondere zorg had gewaakt, toen Hij geboren werd in een stal, neergelegd werd in een kribbe, en terstond was blootgesteld aan de boosaardigheid van Herodes en genoodzaakt om te vluchten naar Egypte, "toen hij een kind was, heeft God hem liefgehad en Hem vandaar geroepen," Hosea 11:1. En de herinnering daaraan vertroostte Hem in Zijn lijden, de mensen smaadden Hem en ontmoedigden Hem in Zijn vertrouwen op God, maar God had Hem geëerd en Zijn vertrouwen op Hem aangemoedigd.