Job 33:14-18
Job had geklaagd dat God hem ganselijk in het duister liet ten opzichte van de betekenis van Zijn handelingen met hem, en daaruit leidde hij de gevolgtrekking af dat Hij als een vijand met hem handelde. "Neen," zegt Elihu "Hij spreekt tot u, maar gij bemerkt Hem niet, zodat het uw schuld, niet Zijn schuld is. Hij heeft het wezenlijk goed met u voor, zelfs in die beschikkingen, waaraan gij zo'n harde uitlegging geeft.
Merk op in het algemeen:
1. Welk een vriend God is van ons welzijn. God spreekt tot ons eens of tweemaal, vers 14. Het is een teken van Zijn gunst dat, niettegenstaande de verwijdering en de twist tussen ons en Hem, het Hem toch behaagt tot ons te spreken. Het is een bewijs van Zijn genaderijke bedoeling dat het Hem behaagt tot ons te spreken over onze eigen belangen, ons te tonen wat onze plicht is, wat ons belang is, wat Hij van ons eist, en wat wij van Hem mogen verwachten, ons te spreken van onze fouten en tekortkomingen en ons te waarschuwen voor ons gevaar, ons de weg te wijzen en er ons op te leiden. Dit doet Hij eens, ja tweemaal, dat is: telkens en nogmaals, als de ene waarschuwing veronachtzaamd is dan geeft Hij een andere, niet willende dat enigen verloren gaan. Gebod moet op gebod wezen en regel op regel, opdat de zondaren niet te verontschuldigen zouden zijn.
2. Welke vijanden wij zijn van ons welvaren doch men let daar niet op, dat is: de mens slaat er geen acht op, hij bespeurt het niet en begrijpt het niet, weet niet dat het de stem van God is, neemt de geopenbaarde dingen niet aan, want zij zijn hem dwaasheid, hij sluit zijn oor, staat zichzelf in het licht, verwerpt de raad Gods tegen zichzelf, en zo wordt hij nooit wijzer, ja door de voorschriften van de wijsheid zelf wordt hij niet wijzer.
I. God spreekt tot ons door het geweten, door de leidingen van Zijn voorzienigheid en door leraren, waarover Elihu hier zeer uitvoerig spreekt, om aan Job te tonen dat God hem zowel Zijn wil te kennen gaf als hem goedheid bewees, zelfs nu Hij hem in het duister scheen te houden en hem behandelde als een vreemde, en hem in benauwdheid en ellende scheen te houden, en hem aldus als een vijand scheen te behandelen. Voor zoveel wij weten bestond er toen geen Goddelijke openbaring in geschriften, en daarom wordt zij hier niet genoemd onder de middelen door welke God spreekt tot de mens, hoewel zij thans het voornaamste middel is. In deze verzen toont hij hoe God de kinderen van de mensen onderwijst en vermaant door hun eigen geweten.
Merk op:
1. De geschikte tijd en de gelegenheid voor deze vermaningen, vers 15. In de droom, in de sluimering op het leger, als de mensen zich teruggetrokken hebben van de wereld, het werk ervan en de omgang er mede, dan is het een geschikte tijd voor hen om tot zichzelf in te keren, in hun hart te spreken op hun leger, in stilte en eenzaamheid, Psalm 4:5. Het is de tijd, die God gebruikt om persoonlijk met de mensen te handelen.
2. Als Hij engelen, buitengewone gezanten, op Zijn boodschappen uitzond, dan koos Hij gewoonlijk die tijd om die boodschappen te doen brengen, wanneer, doordat er een diepe slaap op de mensen was gevallen, de lichamelijke zintuigen als opgesloten waren, en de geest zoveel vrijer was om de mededelingen van Goddelijk licht te ontvangen. Aldus heeft Hij aan de profeten Zijn wil bekend gemaakt door gezichten en dromen, Numeri 12:6, aldus heeft Hij een waarschuwing gericht tot Abimelech, Genesis 20:3, tot Laban, Genesis 31:24 :tot Jozef, Mattheus 1:20. Aldus heeft Hij aan Farao en Nebukadnezar bekend gemaakt wat er later geschieden zal. Als Hij het geweten, Zijn gewone vertegenwoordiger bij de ziel heeft opgewekt om zijn ambt te vervullen, dan heeft Hij die gelegenheid gebruikt, hetzij wanneer diepe slaap op de mensen was gevallen, want hoewel dromen meestal uit de verbeelding ontstaan, kunnen sommige dromen door het geweten komen, of in de sluimering, als de mensen tussen slapen en waken zijn, des nachts nadenkende over de gebeurtenissen van de vorige dag, of wel in de morgen plannen makende voor de komende dag. Dan is het de geschikte tijd voor hun hart om hun het kwaad te verwijten, dat zij gedaan hebben, en hen te vermanen en aan te sporen voor hetgeen zij te doen hebben. Zie Jesaja 30:21.
II. De kracht en macht, waarmee deze vermaningen tot hen komen, vers 16. Als God het goede voor de mensen wil werken door de overtuigingen en de inspraak van hun eigen geweten.
1. Dan bewerkt Hij, dat er acht op wordt geslagen, dan opent Hij de oven van de mensen die tevoren gesloten waren voor de stem van deze belezer, Psalm 58:6. Hij opent het hart zoals Hij het hart van Lydia geopend heeft, en aldus opent Hij de oren. Hij neemt weg hetgeen het oor toegestopt heeft, zodat de overtuiging een weg vindt, of zich baant, ja meer, Hij werkt een onderworpenheid in het hart aan de leefregel van het geweten, want dat volgt op Gods openen van het oor, Jesaja 50:5. De Heere Heere heeft mij het oor geopend, en ik ben niet weerspannig, ik wijk niet achterwaarts.
2. Hij geeft hun vastheid in die overtuiging. Hij verzegelt hun onderricht, vers 16, dat is: het onderricht, dat voor hen bestemd en gepast is. Hij maakt dat de ziel daar een diepe en blijvende indruk van heeft, zoals het was van het zegel. Als het hart overgegeven is aan het Goddelijk onderricht, dan is het werk geschiedt
III. Het doel, waarmee deze vermaningen gezonden worden.
1. Om de mensen terug te houden van de zonde, inzonderheid van de zonde van hoogmoed, vers 17. Opdat Hij de mens afwende van zijn voornemen, dat is: van zijn boos voornemen, zijn geestesgezindheid verandere zijn neigingen, de uitgangen van zijn hart, of om een bepaalde zonde te voorkomen, waarin hij gevaar liep te zullen vallen, opdat Hij de mens af wende van zijn werk, hem doe aflaten van het werk van de mens, dat werk is voor de wereld en het vlees, en hem aan het werk van God doe werken. Menige mens is midden in het najagen van een zondig bedrijf gestuit door de tijdige bestraffingen van zijn eigen geweten, zeggende: Doe toch deze gruwelijke zaak niet, die de Heere haat. God zal inzonderheid door dit middel van de man de hovaardij verbergen, dat is: die dingen voor hem verbergen, die de stof opleveren voor zijn hoogmoed, zijn gedachten er van afleiden door hem voor te houden welke reden hij heeft om nederig te zijn. Opdat Hij de hovaardij wegneme van de mens, zo lezen sommigen deze woorden, opdat Hij die wortel van de bitterheid uitrukke, die de oorzaak is van zoveel zonde. Al degenen, voor wie God genade heeft weggelegd, zal Hij verootmoedigen en de hovaardij voor hen verbergen. Hoogmoed maakt de mensen vurig en vastberaden in het najagen van hun doel, zij willen hun doel bereiken, hun zin doordrijven, daarom verijdelt God hun voornemens, door hun hoogmoed te vernederen. 2. Om de mensen af te houden van het verderf, vers 18. Als de zondaren hun boze plannen najagen en toegeven aan hun hoogmoed, spoedt hun ziel zich heen naar de afgrond naar het zwaard en de verwoesting, beide in dit en het toekomende leven, maar als God hen door de vermaningen en waarschuwingen van hun geweten terughoudt van de zonde, houdt Hij daardoor ook hun ziel terug van de bodemloze afgrond, en redt hen van het zwaard van de Goddelijke wraak, en zo zal de ongerechtigheid hun niet ten verderve zijn. Hetgeen de mensen terughoudt van zonde, redt hen van de hel, behoudt hun ziel van de dood, Jakobus 5:20. Zie welk een genade het is om onder het bedwang te zijn van een ontwaakt geweten, getrouw zijn de wonden en lieflijk zijn de banden van die liefhebben, want de ziel wordt er door bewaard om voor eeuwig om te komen.