Genesis 30:1-13
Wij hebben hier de slechte gevolgen van Jakob's huwelijk met twee zusters. Hier is:
I. Een ongelukkig geschil tussen hem en Rachel, vers 1, 2, veroorzaakt niet zozeer door haar eigen onvruchtbaarheid als wel door de vruchtbaarheid van haar zuster. Rebekka, de enige vrouw van Izaak, is lang kinderloos geweest, en toch bevinden wij niet dat hierdoor enigerlei moeilijkheid was ontstaan tussen haar en Izaak, maar hier, omdat Lea kinderen baart, kan Rachel niet vreedzaam leven met Jakob.
1. Rachel ergert zich en is verdrietig, zij benijdt haar zuster. Nijd is zich bedroeven over het goed van een ander, geen zonde is meer beledigend voor God en meer schadelijk voor onze naaste en voor onszelf. Zij bedacht niet dat het God was, die het verschil maakte, en dat zij, hoewel haar zuster in dit opzicht meer bevoorrecht was dan zij, toch in andere opzichten de begunstigde was. Laat ons zorgvuldig waken tegen het opkomen en het werken van die hartstocht in ons gemoed. Laat ons oog niet boos zijn voor onze mededienstknechten, omdat het oog van onze meester goed is. Maar dit was nog niet alles. Geef mij kinderen, zei zij tot Jakob, of indien niet, zo ben ik dood. Wij zijn zeer onderhavig aan dwalen in ons verlangen naar tijdelijke zegeningen, zoals Rachel hier,
a. Eén kind voldeed haar niet, omdat Lea meer dan een heeft, moet zij er ook meer hebben: Geef mij kinderen.
b. Haar hart is daar buitengewoon op gezet, indien zij niet heeft wat zij wil hebben, dan zal zij het leven en al zijn genoegen en vertroosting wegwerpen. "Geef ze mij, of ik sterf", dat is: "ik zal mij doodkniezen, het derven van deze voldoening zal mijn dagen verkorten." Sommigen denken dat zij Jakob dreigt zich het leven te zullen benemen, als zij die zegen niet verkrijgt.
c. Zij heeft zich niet tot God gewend in het gebed, maar alleen tot Jakob, vergetende dat "kinderen een erfdeel des Heeren zijn," Psalm 127:3. Wij doen onrecht aan God en aan onszelf, als ons oog meer gericht is op mensen, de werktuigen van ons verdriet en van onze zegeningen, dan op God, de werker er van. Zie het verschil tussen Rachels vragen om die zegen en dat van Hanna 1 Samuël 1:10 enz. Rachel benijdde, Hanna weende, Rachel moet kinderen hebben, en zij sterft als zij het tweede ter wereld brengt, Hanna bad om een kind en zij krijgt er nog vier. Rachel is dringend en dwingend, Hanna is onderworpen en vroom. "Indien Gij mij een kind geeft, zal ik hem de Heere geven." Laat dan Hanna en niet Rachel nagevolgd worden, en laten onze begeerten steeds door verstand en Godsdienst geleid worden.
2. Jakob bestraft haar, en zeer terecht, vers 2. Hij had Rachel lief, en daarom bestraft hij haar om hetgeen zij verkeerd gezegd had. Een getrouwe bestraffing is het voortbrengsel en bewijs van ware liefde, Psalm 141:5, Spreuken 27:5, 6. Job bestrafte zijn vrouw, omdat zij de taal sprak van een zottin, Job 2:10, zie 1 Corinthiërs 7:16. Hij was toornig, niet op de persoon, maar op de zonde, hij drukte zich uit op een wijze, waaruit zijn misnoegen bleek. Soms is het nodig dat een bestraffing warm wordt gegeven, zoals een medicijn, niet te heet, opdat het de zieke niet brandt, en niet te koud, opdat het niet zonder uitwerking blijve. Het was een zeer ernstig en Godvruchtig antwoord, dat Jakob gaf op Rachels gemelijke eis: Ben ik dan in plaats van God. In de Chaldeeuwse overzetting is dit zeer goed aldus omschreven: Eist gij zonen van mij? Behoordet gij ze niet van God te vragen? In het Arabisch luidt het: "Ben ik boven God, kan ik u geven wat God u ontzegt?" Dit was gezegd als door een eenvoudig, oprecht man. Merk op:
a. Hij erkent de hand van God in de beproeving, die hij met haar deelde. Hij heeft de vrucht des buiks van u geweerd. Wat het ook zij, dat ons ontbreekt, het is God, die het ons onthoudt. Hij, de vrijmachtige Heere, is wijs, heilig en goed, en kan met het Zijne doen wat Hij wil, en is niemands schuldenaar, Hij heeft nooit aan een Zijner schepselen onrecht gedaan, en kan dit ook niet. De sleutelen van de wolken, van het hart, van het graf en van de buik zijn vier sleutelen, die God in Zijn hand heeft, en Hij vertrouwt ze, (zeggen de rabbijnen) noch aan engelen noch aan serafim toe, zie Openbaring 3:7, Job 11:10, 12:14.
b. Hij erkent zijn onmacht om Gods bestel te veranderen. "Ben ik dan in plaats van God? Hoe! Maakt gij een God van mij?" (Deos qui rogat ille facit. Hij, tot wie wij smekingen richten, is ons een God.) Er is geen schepsel dat voor ons is of zijn kan, inplaats van God. God kan ons in de plaats zijn van elk schepsel, zoals de zon inplaats van de maan en de sterren, maar de maan en al de sterren kunnen voor ons niet inplaats zijn van de zon. Geen wijsheid, macht en liefde van enig schepsel kan voor ons in de plaats zijn van de wijsheid, macht en liefde van God. Daarom is het onze zonde en dwaasheid om enig schepsel inplaats van God te stellen, in enig schepsel het vertrouwen te stellen, dat wij alleen in God moeten hebben.
II. Een ongelukkige overeenkomst tussen hem en de twee dienstmaagden.
1. Op aandringen van Rachel nam hij Bilha, haar dienstmaagd, tot vrouw opdat, naar het gebruik van die dagen, zijn kinderen bij haar als de kinderen van haar meesteres aangenomen en erkend zouden worden, vers 3 en verv. Zij wilde liever kinderen in naam dan in het geheel geen kinderen hebben, kinderen, die zij zich als de hare kon voorstellen, en de hare kon noemen, hoewel zij het niet waren. Men zou zo denken, dat de kinderen van haar eigen zuster haar nader stonden dan die van haar dienstmaagd, en dat zij ze met meer genoegen als haar eigen kinderen had kunnen aannemen indien zij het gewild had, maar (zo natuurlijk is de neiging in ons om macht uit te oefenen) kinderen, over wie zij het recht had te regeren waren begerenswaardiger voor haar dan kinderen waarvoor zij meer reden had ze lief te hebben, en, als een vroeg voorbeeld reeds van haar heerschappij over de kinderen, die in haar vertrekken geboren waren, vindt zij er genoegen in hun namen te geven, waarin geen andere betekenis ligt opgesloten dan haar nastreven van haar zuster. Alsof zij de overhand over haar had verkregen:
a. Naar de wet, noemt zij de eerste zoon van haar dienstmaagd Dan, oordeel of rechterlijke uitspraak, zeggende. "God heeft mij gericht", vers 6 dat is: uitspraak gedaan tot mijn voordeel."
b. In den strijd, noemde zij de volgende Naftali, Worstelingen, zeggende: Ik heb worstelingen Gods met mijne zuster geworsteld, ook heb ik de overhand gehad, vers 8, alsof alle zonen Jakob's geboren mannen des strijds moesten zijn. Zie welk een wortel der bitterheid afgunst en twist zijn, en welk kwaad zij onder bloedverwanten stichten.
2. Op aandringen van Lea nam Jakob ook Zilpa, haar dienstmaagd, tot vrouw. Rachel had de dwaze, ongerijmde daad gedaan, om in wedijver met Lea hem haar dienstmaagd te geven, en nu doet Lea, omdat zij een jaar geen kinderen gebaard had, hetzelfde, om met haar gelijk te zijn, of liever om haar vooruit te blijven. Zie de macht van naijver en mededinging, en bewonder de wijsheid van Gods bestel, die slechts één man met één vrouw samenvoegt, want God heeft ons tot "vrede geroepen en tot reinheid," 1 Corinthiërs 7:15. Zilpa baarde twee zonen aan Jakob, op wie Lea achtte recht te hebben, als teken waarvan zij de een Gad noemde, vers 11, zich vleiende nu een kleine bende, een troepje kinderen te hebben, en kinderen zijn de krijgsmacht van een gezin, zij vullen de pijlkoker, Psalm 127:4, 5. De tweede noemde zij Aser, Gelukkig, zich gelukkig achtende in hem, en zich vleiende dat ook haar naburen haar gelukkig zullen achten, vers 13, de dochters zullen mij gelukkig achten. Het is een voorbeeld van de ijdelheid der wereld en de dwaasheid van ons hart, dat de meeste mensen zich schatten en regeren, meer naar hetgeen men van hen zegt, dan naar verstand of Godsdienst, zij achten zich gelukkig, indien de dochters hen slechts zo noemen. Er was veel verkeerds in de strijd en de naijver tussen deze twee zusters, maar uit dit kwaad heeft God het goede doen voortkomen, want de tijd was nu nabij waarop het zaad Abrahams zich moest vermenigvuldigen. Zo werd Jakob's gezin vervuld met twaalf zonen, hoofden van de duizenden Israël's, uit wie de vermaarde twaalf stammen zijn voortgekomen, en naar wie zij genoemd zijn.