1 Corinthiërs 7:10-16
In deze afdeling geeft de apostel hun leiding in een geval, dat in dien tijd zeker dikwijls moest voorkomen, vooral onder de Joodse bekeerlingen, de vraag: hoe zij hadden te handelen met heidense betrekkingen in den gehuwden staat. Mozes' wet had echtscheiding toegelaten, en het was een belangrijk ogenblik in den Joodsen staat geweest, toen het volk verplicht was geworden de afgodische vrouwen te verstoten, Ezra 10:3. Dit kon de bedenking in hun hart doen oprijzen, of tot het Christendom bekeerden niet geroepen waren hun echtgenoten, die heidens bleven, te verstoten of te verlaten. Omtrent dit vraagstuk geeft de apostel thans leiding.
I. Hij zegt hun, dat het huwelijk volgens de verordening des Heeren over `t algemeen voor het leven is, en dat daarom de gehuwden niet aan echtscheiding mogen denken. De vrouw mag van den man niet scheiden, vers 10, en de man de vrouw niet verlaten, vers 11. Dit gebied niet ik, maar de Heere. Nooit gebood de apostel iets op zijn eigen gezag. Wat hij ook gebood, het waren des Heeren geboden, hem voorgeschreven door den Heiligen Geest en door diens gezag opgelegd. Maar hij bedoelt hier dat de Heere zelf zulke scheidingen verboden heeft, Mattheus 5:32, 19:9, Markus 10:11, Lukas 16:18. Man en vrouw kunnen niet scheiden en hun huwelijksbetrekking ontbinden wanneer zij het maar goedvinden. Zij mogen elkaar niet anders verlaten dan in de door Christus genoemde gevallen. En daarom raadt de apostel, dat indien enige vrouw gescheiden is, hetzij op haar eigen verlangen, hetzij door den wil van haar man, dat zij ongetrouwd blijve en verzoening met haar man zoeke, opdat ze opnieuw samenwonen mogen. Echtgenoten behoren in `t geheel niet te twisten, maar in elk geval zich spoedig met elkaar te verzoenen. Zij zijn levenslang aan elkaar verbonden. De goddelijke wet veroorlooft geen scheiding. Zij kunnen den last niet afwerpen en behoren daarom eenparig de schouders er onder te zetten en het elkaar wederkerig zo licht mogelijk te maken.
II. Thans gaat hij over tot de bespreking van het geval, dat iemand een ongelovige tot echtgenoot heeft, vers 12. Maar den anderen zeg ik, niet de Heere, dat is: hierover heeft de Heere zich niet zo opzettelijk uitgelaten als over echtscheiding. Hij bedoelt niet, dat hij hier zonder lastgeving van den Heere spreekt, of in deze zaak zonder ingeving des Heiligen Geestes uit zijn eigen wijsheid beslist. Want hij eindigt de bespreking van dit onderwerp juist met de tegenovergestelde verklaring, vers 40. En ik meen ook den Geest Gods te hebben. Maar na zo zijn raad ingeleid te hebben, moeten we letten op:
1. Den raad zelf, welke inhoudt dat zo een ongelovige man of vrouw er genoegen in neemt met een Christelijken echtgenoot te leven, de ander niet moet scheiden. De man moet geen ongelovige vrouw verlaten en de vrouw niet haar ongelovigen man, vers 12, 13. De roeping tot het Christendom ontbindt het huwelijk niet, maar maakt den band vaster, door het huwelijk tot zijn oorspronkelijken staat terug te brengen, het beperkende tot twee voor levenslang met elkaar verenigde personen. De gelovige wordt niet door zijn geloof in Christus losgemaakt van den huwelijksband met een ongelovige, maar wordt daardoor verplicht een beter echtgenoot te zijn. Maar, ofschoon een gelovige man of vrouw niet moet scheiden van een ongelovigen echtgenoot, toch, indien de ongelovige de scheiding verlangt en er geen middelen tot hereniging meer mogen baten, wordt de broeder of zuster in zodanige gevallen niet dienstbaar gemaakt, vers 15, niet gebonden door des anderen onzedelijk gedrag, niet gehouden om slaafs den verlater te volgen, ook niet gehouden ongehuwd te blijven, nadat alle geoorloofde middelen tot hereniging beproefd zijn, en vooral indien de verlater een ander huwelijk aangaat of zich schuldig maakt aan overspel, hetgeen zich licht het geval kon zijn, daar het een zeer gewone zaak was onder de Corinthiërs. In zulk een geval is de verlatene vrij om te hertrouwen, het is in alle opzichten vergund. Sommigen houden zulk een kwaadwillige verlating voor even deugdelijke ontbinding van het huwelijk als door den dood. Want hoe is het mogelijk dat die twee een vlees zullen zijn, wanneer de een door den ander moedwillig verlaten of verstoten is? Maar de verlater schijnt nog door de huwelijksovereenkomst gebonden te blijven en daarom zegt de apostel, vers 11, Indien de vrouw scheidt (op grond van de ongelovigheid van haar man) dat zij ongetrouwd blijve. Maar aan de verlaten partij schijnt meer vrijheid gelaten te zijn om een ander te huwen (maar nooit dan nadat alle middelen om tot hereniging te komen uitgeput zijn, en andere omstandigheden het nodig maken). Het schijnt niet redelijk te zijn dat ze nog gebonden zouden zijn, want het is onmogelijk gemaakt huwelijksplichten te vervullen en huwelijksgenoegens te genieten, alleen door de schuld van de wederhelft, in zulk een toestand zou het huwelijk inderdaad een staat van dienstbaarheid worden. Maar welke vrijheid den Christenen ook in dit geval geschonken worde, het is hun niet geoorloofd alleen om de ongelovigheid van een der echtgenoten te scheiden, maar indien de ongelovige daartoe bereid is, heeft men de betrekking voort te zetten en samen te blijven wonen. Dit is de algemene leiding, welke de apostel geeft.
2. We komen thans tot de redenen voor dezen raad.
A. De betrekking is geheiligd door de heiligheid van de ene partij. Want de ongelovige man is geheiligd door de vrouw en de ongelovige vrouw is geheiligd door den man, vers 14. De betrekking zelf en ook de huwelijksgemeenschap is geheiligd door den gelovige.
Alle dingen zijn den reinen rein, Titus 1:15. Het huwelijk is een goddelijke instelling, en naar Zijn beschikking een band voor het leven. Indien samenleving en omgang met een ongelovige in dien staat den gelovige bezoedeld of hem beledigend voor God gemaakt had, dan zou, in de omstandigheden waarin de Corinthiërs verkeerden, het gehele doel van het huwelijk vernietigd worden en zijn geluk verwoest. Maar de apostel zegt hun, dat zij, ofschoon onder een juk met ongelovigen, in zich zelven heilig waren, het huwelijk was hun een heilige staat, en de zegeningen des huwelijks, zelfs met een ongelovige, waren geheiligde genoegens. Het behaagde Gode evenzeer dat zij met heidense en ongelovige echtgenoten bleven samenleven, als wanneer deze zich bekeerd hadden. Indien een der echtgenoten heilig was, kon geen der plichten of genoegens van den huwelijken staat hem ontheiligen en in Gods ogen onaannemelijk maken, ofschoon de ander heiden ware. Hij is door de vrouw geheiligd. Zij is door haar man geheiligd. Beiden zijn een vlees. Hij wordt gerekend rein te zijn, die een vlees is met haar die heilig is, en omgekeerd. Anders waren uwe kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig, vers 14, dat is: anders zouden uwe kinderen heidenen zijn, buiten de grenzen van de kerk Gods. Zij zouden niet het heilige zaad zijn (zoals de Joden in Jesaja 6:13 genoemd worden) maar gemeen en onrein, op dezelfde wijze als de heidenen zo genoemd werden in het gezicht van Petrus, Handelingen 10:28. Deze spreekwijze is aan de Joden ontleend, die een uit heidense ouders geboren kind noemden buiten de heiligheid verwekt, maar van een kind uit proselieten geboren, zeiden dat het binnen de heilige omgeving verwekt was. Zo worden de Christenen gewoonlijk heiligen genoemd, omdat ze het door hun belijdenis zijn, afgezonderd om een eigen volk Gods te zijn en als zodanig onderscheiden van de wereld, en daarom mogen de kinderen, geboren uit Christenen die met ongelovigen gehuwd zijn, niet gerekend worden een deel van de wereld te zijn, maar een deel van de kerk, een heilige, en niet een gemeen of onrein zaad. Gaat daarom voort te leven ook met ongelovige echtgenoten, want omdat gij heilig zijt, is uw huwelijk het ook, gij moogt ook in gemeenschap met ongelovigen een heilig gebruik maken van de huwelijksplichten, want ook uw kinderen zullen heilig zijn. Welk een troost is dat, waar beide ouders gelovigen zijn!
B. Een andere reden is dat God ons tot vrede geroepen heeft, vers 15. Het Christelijk geloof verplicht ons in alle natuurlijke en huiselijke betrekkingen vredelievend te handelen. Wij zijn geroepen, zoveel in ons is, vrede te houden met alle mensen, Romeinen 12.. 18, en daarom moeten we voor alles den vrede bevorderen met onze naaste betrekkingen, met hen die een vlees met ons zijn, zelfs al zijn ze ongelovig. Het is de plicht en roeping van echtgenoten elkaar zo gelukkig te maken als mogelijk is.
C. Een derde reden is, dat wellicht de gelovige het middel kan zijn tot redding van den ander, vers 16. Want wat weet gij, vrouw, of gij den man zult zalig maken? Het is duidelijk de roeping van hen, die zo innig met elkaar verbonden zijn, om elkanders zaligheid te zoeken. Gaat niet scheiden! Ge zijt nu tot een anderen plicht geroepen. De huwelijksbetrekking roept u tot de innigste en nauwste toegenegenheid, ze is een band voor het leven. En zou dan de Christen zijn echtgenoot verlaten, wanneer de gelegenheid zich voordoet om het schitterendst blijk van liefde te geven? Blijf, en werk hartelijk aan de bekering van uw echtgenoot. Tracht een ziel te redden! Wie weet wat er gebeurt! Het is niet onmogelijk. En al zou het niet waarschijnlijk zijn, de redding van een ziel is zulk een goed en heerlijk werk, dat de eenvoudige mogelijkheid ons moet aansporen om er alle krachten toe in het werk te stellen. De eenvoudige mogelijkheid van welslagen moet een voldoende reden zijn om onze beste pogingen in te spannen ten einde de zielen onzer betrekkingen te redden. Hoe weet gij of gij hem zult zalig maken? moet ons bewegen om het te beproeven.