Genesis 21:9-13
Wij zien hier hoe de verdrijving van Ismaël in overweging wordt genomen, en er toe wordt besloten.
I. Ismaël zelf gaf er aanleiding toe door hoon en beschimping, die hij zijn kleine broer aandeed, naar sommigen denken op de dag, toen Abraham de grote maaltijd maakte uit blijdschap, dat Izaak veilig en wel gespeend was. De Joden zeggen, dat het niet was voordat Izaak drie jaar oud was, anderen zeggen vijf. Sara zelf was ooggetuige van de belediging, zij zag de zoon van Hagar, de Egyptische, spottende, vers 9, spottende met Izaak ongetwijfeld, want met verwijzing hiernaar wordt gezegd, Galaten 4:29, dat "die naar het vlees geboren was, vervolgde degene, die naar de geest geboren was." Ismaël wordt hier genoemd "de zoon van de Egyptische," omdat, naar sommigen denken, de vier honderd jaren van verdrukking van het zaad van Abraham door de Egyptenaren toen begonnen waren, en van dat ogenblik af gerekend moeten worden, Hoofdstuk 15:13. Zij zag hem "spelende met Izaak," aldus "de zeventig", en in het spel "hem bespottende." Ismaël was veertien jaar ouder dan Izaak, en als kinderen samen zijn behoren de ouderen zorgzaam en teder te zijn voor de jongeren, maar het was een blijk van een lage, gemene inborst bij Ismaël, dat hij een kind bespotte, dat in geen enkel opzicht tegen hem opgewassen was. God let op hetgeen kinderen bij hun spelen zeggen en doen, en Hij zal met hen afrekenen, als zij iets verkeerds doen of zeggen al doen hun ouders het ook niet. Spotten is een grote zonde, die God zeer tot toorn verwekt. Er is een ingewortelde vijandschap in het zaad van de slang tegen het zaad van de vrouw. De kinderen van de belofte moeten verwachten bespot te worden. Dat is de vervolging, waarop zij, die Godzalig leven, hebben te rekenen. Niemand wordt door God verlaten en verworpen dan zij, die dit het eerst verdiend hebben. Ismaël blijft in Abrahams huisgezin, totdat hij er een beroering, een smart en een ergernis voor wordt.
II. Sara deed het voorstel, vers 10, Drijf deze dienstmaagd uit. Dit schijnt wel enigszins in drift gesproken te zijn, maar in Galaten 4:30 wordt het toch aangehaald, alsof het door een geest van profetie wordt gesproken, en het is het oordeel over alle geveinsden en vleselijk-gezinden, hoewel zij een plaats en naam hebben in de zichtbare kerk, allen, die geboren zijn naar het vlees en niet zijn wedergeboren, die rusten in de wet en de Evangeliebelofte verwerpen, zullen voorzeker uitgeworpen worden. Het ziet inzonderheid op de verwerping van de ongelovige Joden, die hoewel van het zaad van Abraham, toch uitgeworpen werden en buitengesloten zijn van de voorrechten van de kerk, omdat zij zich niet aan het Evangelieverbond hebben onderworpen. En wat meer dan iets anders God tot toorn heeft verwekt tegen hen, zodat Hij hen heeft uitgeworpen, was hun bespotten en vervolgen van de Evangeliekerk, Gods Izaak in haar kindsheid. 1 Thessalonicenzen 2:16. Er zijn velen, die vertrouwelijk bekend zijn met de kinderen Gods in deze wereld, maar toch niet met hen zullen erven. Ismaël kan wel Izaak's speelgenoot zijn en met hem naar school gaan, zonder evenwel zijn mede erfgenaam te zijn.
III. Abraham was er afkerig van, vers 11. Dit woord was zeer kwaad in Abrahams ogen.
1. Het smartte hem, dat Ismaël zoveel reden tot misnoegen had gegeven. Kinderen moeten bedenken, dat hoe meer hun ouders hen liefhebben, hoe meer verdriet zij hebben van hun wangedrag, en inzonderheid van hun onderlinge twisten.
2. Het smartte hem, dat Sara op zo'n straf aandrong. "Zou het niet kunnen volstaan hem te kastijden? Moet de straf in niets minder bestaan dan in uitwerping uit het huis van zijn vader?" Het is zeer smartelijk voor ouders om tot de uiterste gestrengheid te moeten overgaan ten opzichte van slechte, onverbeterlijke kinderen, hoe noodzakelijk die strengheid ook is. Zij doen hen niet gaarne smart aan.
IV. God besliste de zaak, vers 12, 13. Wij kunnen veronderstellen, dat Abraham zeer ontroerd was over deze aangelegenheid, wars van Sara te mishagen, en even wars om Ismaël uit te werpen. Nu komt God tot hem in deze moeilijkheid, en zegt hem wat Zijn wil is, en nu is Abraham tevreden. In twijfelachtige zaken begeert een Godvruchtige niets meer dan zijn plicht te kennen, te weten wat God wil dat hij doen zal, en als dit hem duidelijk is geworden, dan is hij gerust, of behoort dit tenminste te zijn. Om Abraham tot die gerustheid te laten komen, stelt God de zaak in het ware licht voor hem, en toont hem
1. Dat de uitdrijving van Ismaël nodig was om Izaak te bevestigen in de rechten en voorrechten van het verbond. "In Izaak zal uw zaad genoemd worden, " beide Christus en de kerk moeten afstammen van Abraham door de lenden van Izaak, dit is de onvervreemdbare erfenis van de belofte voor Izaak, en wordt aangehaald door de apostel, Romeinen 9:7, om aan te tonen dat niet allen, die uit Abrahams lenden zijn voortgekomen, erfgenamen waren van Abrahams verbond. Izaak, de beloofde zoon, moet de vader wezen van het beloofde zaad, en daarom: "Weg met Ismaël, zend hem ver weg, opdat hij de zeden van Izaak niet verderve, of poge Izaak's rechten te overweldigen." Het zal zijn veiligheid en gerustheid zijn, dat zijn mededinger verbannen wordt. Het verbondszaad van Abraham moet een bijzonder volk wezen, een volk, dat alleen woont, reeds van het begin af onderscheiden van, en dus niet vermengd met, degenen, die buiten het verbond zijn. Daarom moet Ismaël afgezonderd worden. Abraham werd geroepen toen hij alleen was en zo moet Izaak ook alleen zijn, zie Jesaja 51:2. Waarschijnlijk heeft Sara weinig hieraan gedacht, Johannes 11:51, maar God nam hetgeen zij zei, en maakte er een Godsspraak van, zoals ook later, Hoofdstuk 27:10.
2. Dat die uitdrijving van Ismaël hem niet tot verderf zal wezen, vers 13. Hij zal tot een volk gesteld worden, omdat hij uw zaad is. Wij zijn er niet zeker van, dat het zijn eeuwig verderf was, het is aanmatigend om te zeggen dat allen, die buiten de uitwendige bedeling van Gods verbond waren, daarom ook buitengesloten zijn van al Zijn zegeningen en barmhartigheden. Diegenen, die niet aldus geëerd zijn, kunnen toch behouden wezen. In elk geval zijn wij er zeker van, dat het niet tot zijn tijdelijk verderf was. Hoewel hij uitgedreven was uit de kerk, was hij toch niet uitgedreven uit de wereld. Ik zal hem tot een volk stellen. Volken worden door God in het leven geroepen, Hij fundeert ze, Hij formeert ze, Hij bevestigt ze. Velen zijn vervuld van de zegeningen van Gods voorzienigheid, die toch vreemdelingen zijn voor de zegeningen van het verbond. Het gaat de kinderen van deze wereld er dikwijls beter om ten opzichte van uitwendige dingen, als zij aan de kinderen Gods verwant zijn.