Genesis 20:3-7
Uit deze verzen blijkt dat God zich openbaarde door dromen (die onmiskenbaar van God kwamen) niet alleen aan Zijn dienstknechten, de profeten, maar zelfs aan hen, die buiten het verbond waren en buiten de gemeenschap met de kerk, maar gewoonlijk geschiedde het met betrekking tot, of in het belang van, Gods volk zoals in Farao's droom Jozef, en in Nebukadnezars droom Daniël betrokken was, en hier in Abimelechs droom Abraham en Sara, want om hunnentwil heeft Hij deze koning bestraft, Psalm 105:14, 15.
I. God geeft hem kennis van zijn gevaar, vers 3, het gevaar te zondigen, hem zeggende, dat die vrouw getrouwd was, zodat, indien hij haar neemt, hij haar echtgenoot onrecht aandoet, zijn gevaar te sterven vanwege deze zonde. Gij zijt een man des doods, en Gods zeggen dat iemand dit is, doet hem dit zijn. Aan iedere moedwillige zondaar behoort gezegd te worden, dat hij een man des doods is, zoals dit van de veroordeelde boosdoener en van een zieke, wiens kwaal ongeneeslijk is, gezegd wordt. Indien gij een slecht man zijt, dan voorzeker zijt gij een man des doods.
II. Hij pleit op zijn onwetendheid, zijn onbekendheid met de ware toedracht van de zaak, vers 4, 5, dat Abraham en Sara overeengekomen waren om hem te misleiden, hem onbekend te laten met het feit, dat zij meer dan broeder en zuster voor elkaar waren. Zie hoe vrijmoedig een mens bij God kan wezen, als zijn hart "hem niet veroordeelt," 1 Johannes 3:21. Als ons geweten getuigt van onze oprechtheid en dat wij, hoe ook door misleiding in een strik gelokt, niet willens en wetens tegen God gezondigd hebben, dan zal dit onze blijdschap zijn ten dage des kwaads. Hij pleit bij God zoals Abraham bij Hem gepleit heeft, Hoofdstuk 18:23. Zult Gij ook een rechtvaardig volk doden? Niet zulk een volk als te Sodom, dat inderdaad rechtvaardig gedood werd, maar een volk, dat ten opzichte van deze zaak onschuldig was.
III. God geeft een zeer volledig antwoord op hetgeen hij gezegd heeft.
1. Hij neemt zijn verontschuldiging aan, en erkent dat hij dit in oprechtheid des harten gedaan heeft, vers 6. Ja, Ik weet het. Voor hen, die eerlijk en oprecht zijn, is het een vertroosting, dat God hun oprechtheid kent, en haar zal erkennen, al zouden ook mensen, die wellicht tegen hen bevooroordeeld zijn, er of niet van overtuigd kunnen worden, of niet tot de erkentenis worden gebracht, dat zij er van overtuigd zijn.
2. Hij doet hem weten, dat hij alleen door de goede hand Gods over hem verhinderd werd om met de zonde voort te gaan. Ik heb u ook belet tegen Mij te zondigen. Abimelech werd hierdoor weerhouden om kwaad te doen, Abraham er voor behoed om kwaad te lijden, en Sara voor beiden. Er wordt zeer veel zonde beraamd en in het hart voorgenomen, die nooit ten uitvoer wordt gebracht. Het is God, die de mensen weerhoudt van het kwaad te doen dat zij zouden willen doen. Het is niet van Hem, dat er zonde is, maar het is wèl van Hem dat er niet meer zonde is, hetzij door Zijn invloed op de geest van de mensen, hun neiging tot zonde in toom houdende, of door Zijn voorzienigheid, waardoor hun de gelegenheid om te zondigen wordt ontnomen. Het is een grote genade om van zonde teruggehouden te worden, daarvoor moet God de eer ontvangen, wie er ook het middel toe moge zijn, 1 Samuël 25:32, 33.
3. Hij gebiedt hem de vrouw terug te geven, vers 7. Zo geef dan nu, nu gij beter ingelicht zijt, dezes mans huisvrouw weer. Onwetendheid kan niet langer tot verontschuldiging dienen dan zij duurt, als wij onwetend kwaad hebben gedaan, dan zal dit ons niet verontschuldigen, indien wij er wetens in volharden, Leviticus 5:3-5. De redenen, waarom hij rechtvaardig en vriendelijk moet wezen voor Abraham, zijn:
a. Dat hij een profeet is, Gode zeer na en zeer dierbaar, in wie God zeer bijzonder belangstelt, en over wie Hij zeer bijzonder zorg draagt. God duidt het onrecht Zijn profeten aangedaan, zeer ten kwade, en beschouwt het als Hemzelf te zijn aangedaan.
b. Een profeet zijnde, zal hij voor u bidden, dat is het loon van een profeet, en het is een goed loon. Er wordt hiermede te kennen gegeven, dat er grote kracht is in de gebeden van een profeet, en dat Godvruchtigen bereid moeten wezen om hen, die het nodig hebben te helpen met hun gebed, en tenminste hiermede de vriendelijkheid, die hun wordt bewezen, behoren te vergelden. Abraham was mee schuldig aan de moeilijkheid, waarin Abimelech zich bevond, en daarom was hij gehouden en verplicht om voor hem te bidden.
c. Het is op uw risico om haar niet terug te geven, want weet dat gij dan voorzeker zult sterven. Wie kwaad doet, hij zij vorst of boer, zal voorzeker het loon ontvangen van hetgeen hij gedaan heeft, tenzij hij zich bekeert en vergoeding doet voor het kwaad, dat hij gedaan heeft, Colossenzen 3:25. Geen ongerechtigheid kan gangbaar gemaakt worden voor God, neen, al zou zij ook des keizers beeld en opschrift dragen.