1 Johannes 3:20-22
Nadat de apostel aangetoond heeft dat er ook onder ons een voorrecht kan zijn van de verzekerdheid van gezonde verzekering van harte voor God, gaat hij voort:
I. Het gezag van de uitspraak des gewetens op den voorgrond te stellen: Want indien ons hart ons veroordeelt, God is meerder dan ons hart en Hij kent alle dingen, vers 20. Ons hart hier is ons zelfbeschouwend oordelend vermogen, die edele, uitnemende bekwaamheid, waardoor wij kennis kunnen nemen van ons zelven, van onze meningen, overleggingen en daden, en daarnaar een oordeel vellen over onzen staat voor God, en dus hetzelfde als ons geweten of de macht van zedelijke zelfkennis. Dit vermogen kan optreden als getuige, rechter en uitvoerder van het oordeel. het beschuldigt, ontschuldigt, veroordeelt of rechtvaardigt, het is door God zelf in deze bediening gesteld. De geest des mensen, op die wijze bekwaam gemaakt en gemachtigd, is een lamp des Heeren, een schijnend licht door den Heere ontstoken, onderzoekende de binnenkamers des buiks, indringende in de diepste geheimen en ziende al de innerlijkste overleggingen des mensen, Spreuken 20:27. Het geweten is Gods onderkoning, het belegt de rechtbank in Zijn naam en handelt namens Hem.
De vraag van een goed geweten naar God, 1 Petrus 3:21. God is de hoofdrechter in deze rechtbank. Indien ons hart ons veroordeelt, God is meer dan ons hart, ver verheven boven ons hart en geweten in macht en oordeel, maar toch zijn de handelingen en het oordeel van die rechtbank handelingen en oordeel van God zelf.
1. Indien ons geweten ons veroordeelt, doet God het ook. Indien ons hart ons veroordeelt, God is meerder dan ons hart en Hij weet alle dingen, vers 20. Gods is een groter getuige dan ons geweten en weet meer aangaande ons dan het geweten, Hij weet alle dingen. Hij is groter Rechter dan het geweten, want daar Hij de opperste Rechter is, zal Zijn oordeel stand houden en volkomen en geheel voltrokken worden. Dit schijnt ook de bedoeling van een anderen apostel te zijn als hij zegt: Ik oordeel ook mij zelven niet, dat is: in het geval waarin ik door anderen beoordeeld word. Ik ben mij niet bewust van enige schuld of van enige ingewilligde ongetrouwheid in mijn rentmeesterschap en in mijne bediening. Maar hierdoor word ik niet gerechtvaardigd, het is niet voor mijn eigen geweten dat ik in de laatste plaats moet staan of vallen, de rechtvaardiging of het vrijsprekend vonnis van mijn geweten of van mijn zelfbewustzijn zal het verschil tussen u en mij niet beslissen, daar gij u niet op dat vonnis beroept zo zult gij ook niet door zijn uitspraak gebonden worden, maar die mij oordeelt, in hoogste beroep en onherroepelijk oordeelt, en bij wiens uitspraak gij en ik ons moeten neerleggen, is de Heere, 1 Corinthiërs 4:4.
2. Indien ons geweten ons vrijspreekt, doet God het insgelijks. Geliefden, indien ons hart ons niet veroordeelt, zo hebben wij vrijmoedigheid tot God, vers 21, dan hebben wij de zekerheid dat Hij ons nu aanneemt, en ons zal vrijspreken in den dag des gerichts. Wellicht zegt een of andere verwaande ziel nu: "Dat doet mij genoegen, mijn hart veroordeelt mij niet, en daaruit mag ik opmaken dat God het ook niet doet". En mogelijk roept een godvrezend, bevend gemoed na het lezen van het vorige vers uit: "God helpe mij! Mijn hart veroordeelt mij en dus moet ik onverbiddelijk de verdoemenis van Gods uitspraak verwachten! Dezulken moeten beiden bedenken dat de verklaringen van de getuigen, wanneer zij dwalen, hier niet gerekend worden voor uitspraken van de rechtbank. Onwetendheid, dwaling, vooroordeel, partijdigheid en aanmatiging zijn, om zo te zeggen, de fouten van de bijzitters van den rechter (zoals het verstand, de wil, de begeerte, de hartstocht, zinnelijke aanleg of verward brein), of van de jury, die een vals verslag geeft, maar niet van den rechter zelf, geweten, dat is suneidêsis, is zelfbewustheid. Daden van onwetendheid of van dwaling zijn geen daden van zelfbewustheid, maar van een of ander dwalend vermogen, en het geweten wordt hier beschreven in zijn voeren van het rechtsgeding, overeenkomstig zijn oorspronkelijke instelling door God zelven, en dienovereenkomstig is hetgeen gebonden is in het geweten, ook gebonden in den hemel. Daarom moet het geweten gehoord, goed ingelicht en nauwlettend betracht worden.
II. Hij wijst het voorrecht aan van hen, die een goed geweten voor God hebben Zij hebben deel in den hemel en in de rechtbank boven, hun getuigenis wordt daar aangehoord. En zo wat wij bidden, ontvangen wij van Hem, vers 22. Hier wordt ondersteld dat de bidders om niets vragen en niet bedoelen iets te begeren, dat strijdig is met de eer en heerlijkheid van de rechtbank of hun geestelijk heil, en dan kunnen zij zeker zijn dat zij ontvangen hetgeen zij begeerden. En deze onderstelling is gerechtvaardigd ten opzichte van de bidders, men kan denken dat zij verkrijgen zullen hetgeen waarom zij bidden, wanneer men in aanmerking neemt hun hoedanigheid en praktijk.
Dewijl wij Zijne geboden bewaren en doen hetgeen Hem welbehaaglijk is, vers 22. Gehoorzame zielen zijn toebereid voor de zegeningen en hebben de belofte, dat zij gehoord zullen worden. Zij, die dingen verrichten die Gode niet welbehaaglijk zijn, kunnen niet verwachten dat het Hem behagen zal hun gebeden te horen en te beantwoorden, Psalm 66:18, Spreuken 28:9.