2 Kronieken 14:9-15
1. Wij zien hier hoe de vrede van Asa's koninkrijk verstoord werd door een zeer geducht leger van Moren, of Ethiopiërs, dat hen aanviel, vers 9, 10.
Hoewel zij God nog zochten, kwam toch deze verschrikking over hen, opdat hun geloof in God beproefd zou worden, en opdat God de gelegenheid zou hebben grote dingen voor hen te doen.
Het was een ontzaglijke menigte, waarmee Zerah tegen hen optrok, duizend maal duizend mannen, en nu had hij het voordeel van een leger gereed te hebben voor zo'n tijd van nood. De voorziening, die wij onnodig achtten, kan spoedig blijken van groot nut en voordeel te zijn.
2. Hoe Asa zich tot God wendde, toen deze wolken zich boven zijn hoofd samenpakten, vers 11. Hij, die God heeft gezocht in de degen van zijn vrede en voorspoed, kon met heilige vrijmoedigheid tot God roepen ten dage van zijn benauwdheid, en Hem zijn God noemen. Zijn gebed is kort, maar veelbetekenend.
a. Hij geeft Gode de eer van Zijn oneindige macht en soevereiniteit. Het is niets bij U te helpen en te behouden door velen of door weinigen, door hen die machtig zijn of door de krachtelozen. Zie 1 Samuël 14:6.
God werkt in Zijn eigen kracht, niet in de kracht van werktuigen of middelen, Psalm 21:14, ja het is Zijn heerlijkheid de zwaksten te helpen, en zich uit de mond van kinderen en zuigelingen lof te bereiden. "Wij zeggen niet: Heere, stel U aan onze zijde, want wij hebben een goed leger waardoor Gij kunt werken, maar, stel U aan onze zijde, want zonder U hebben wij geen kracht."
b. Hij legt de hand op hun verbondsbetrekking tot God als hun God. O Heere, onze God, en wederom: "Gij zijt onze God, die wij hebben verkoren, en die wij aanhangen als onze God, en die beloofd hebt onze God te zijn.
c. Hij pleit op hun steunen en bebouwen op God, en dat zij in deze krijgstocht het oog op Hem gericht hebben. Hij was er goed op toebereid, maar toch vertrouwde hij niet op zijn toebereidselen, maar, "Heere, wij steunen op U, en in Uw naam zijn wij gekomen tegen deze menigte, krachtens Uw volmacht, bedoelende Uw eer, en betrouwende op Uw sterkte."
d. Hij maakt hun zaak tot Gods zaak. "Laat de sterfelijke mens tegen U niets vermogen. Indien hij tegen ons zou overmogen, dan zou er gezegd worden dat hij tegen U overmocht heeft, omdat Gij onze God zijt en wij op U steunen en uitgaan in Uw naam, waartoe Gij ons hebt aangemoedigd. De vijand is een sterfelijk mens, doe het blijken dat hij niet opgewassen is tegen een onsterfelijken God. Heere, handhaaf Uw eer, Uw Naam worde geheiligd."
3. De glorierijke overwinning, die God hem gaf over zijn vijanden.
A. God versloeg de vijand en bracht hun leger in verwarring, vers 12. De Heere plaagde de Moren, sloeg hen met verschrikking, een onverklaarbare ontzetting, zodat zij vloden zonder te weten waarom of waarheen. B. Asa en zijn krijgslieden maakten gebruik van het voordeel, dat God hun gaf op de vijand.
a. Zij vernietigden hem. Zij waren verbroken, vielen voor de Heere, want wie kan bestaan voor Hen' en voor Zijn leger, hetzij een onzichtbaar heirleger van engelen, die gebruikt werden om hen te verderven, of het leger Israëls, Gods leger genoemd, omdat het door Hem erkend werd?
b. Zij roofden de buit van hun leger, zij droegen zeer veel roof weg van de verslagenen en van de bagage.
c. Zij sloegen de steden, die in verbond waren met de vijand en waarheen zij gevloden waren om er zich te beschutten, en voerden er de buit van weg vers 14, en zij waren niet instaat weerstand te bieden, want de verschrikking des Heeren was over hen, dat is, een verschrikking, waarmee God hen sloeg, en wel in zo'n mate, dat zij geen moed hadden om weerstand te bieden aan de overwinnaars.
d. Zij voerden het vee weg uit des vijands land in groten getale vers 15.
Aldus is het vermogen des zondaars weggelegd voor de rechtvaardige.