26. En zijn vrouw, misschien een te Sodom geborene, zag om van achter hem, 1) van achter Lot, die met zijn dochters voorttrok; zij bleef eerst terug en wilde wellicht teruggaan, om nog iets te halen, of omdat zij aan de zaak geen geloof sloeg (
Lukas 17:29); en zij werd tot een zoutpilaar. 2) De vreselijke gebeurtenis overviel haar; door de met vuur en zwaveldamp vervulde lucht stikte zij, en werd met een zoutkorst overtrokken.
1) Ten eerste, de begeerte, om om te zien, kwam voort uit ongeloof. Er is nu geen groter belediging voor God, dan dat men geloof weigert aan Zijn woord. Vervolgens maken wij uit de woorden van de Heere Christus op, dat zij door een zondig verlangen werd geprikkeld en niet van harte zich gehaast heeft Sodom te verlaten, wat God bevolen had. Want wij weten, dat Hij ons daarom herinnert, gedachtig te zijn aan de vrouw van Lot, opdat geen verlokking van de wereld, of wat ook, ons verhindere, onze zorgen te richten op de hemelse dingen. Het is derhalve aannemelijk, dat zij, niet tevreden met de gunst Gods, haar verleend, tot verkeerde wensen zich heeft laten verleiden, waarvan dan ook haar traagheid een teken was. Mozes wijst toch duidelijk aan, dat zij haar man achteraan kwam, daar hij zegt: dat zij van achter hem omzag. Want zij zag niet om van voor hem, maar (omdat zij, door langzaam voorwaarts te gaan, minder vorderde, zodat zij achter hem aankwam) "van achter hem". Doch, ofschoon omtrent haar eeuwig heil men niets mag verzekeren, zo is het toch aan te nemen, dat God, door haar een tijdelijke straf op te leggen, haar ziel gespaard heeft, evenals Hij dikwijls de zijnen naar het vlees kastijdt, opdat dezen van het eeuwig verderf zouden worden bevrijd. Maar, daar het niet zeer nuttig is dit te weten, ja, het zonder enig nadeel verborgen kan blijven, laten wij liever op het voorbeeld opmerkzaam zijn, wat God voor alle eeuwen heeft daar gesteld. Indien de zwaarte van de straf ons geen vrees aanjaagt, laten wij ons dan herinneren, dat zij niet minder erg zondigen, die niet van Sodom, maar van het helse vuur zelf bevrijd, op iets anders hun zinnen gevestigd hebben, dan op de voorgestelde prijs van hun goddelijke roeping.. Niet tevergeefs roept de Heere zijn tijdgenoten en ook met ernstig waarschuwende stem toe, "gedenk de vrouw van Lot" (Lukas 17:32). Dat woord des Heren bevestigt de trouw van het bijbelverhaal, is bewijs voor de waarheid van het feit zelf en ontneemt het recht van twijfel aangaande deze gebeurtenis aan ieder, die gelooft, dat de Heere met onbedriegelijken mond heeft gesproken en dat Hij, in Wiens mond geen bedrog ooit geweest is, persoonlijk de volkomen zuivere waarheid is. Dat woord des Heren waarschuwt tegen het halve werk, vermaant niet stil te staan op de weg des levens; niet om te zien naar de wereld, als onze weg naar de hemel leidt; het hart niet te hechten aan de dingen van dit leven, waar het te doen moet zijn om het eeuwige leven..
Duidelijk wordt het hier openbaar; dat traagheid in het beijveren van de roeping, waarmee de Heere tot de ziel komt, zeer gevaarlijk is. Lots vrouw is voor alle eeuwen een ontzettend waarschuwend voorbeeld voor hen, die de weg van de middelen verwerpen en van het vastmaken van roeping en verkiezing niets willen weten. Lots vrouw deed het tegenovergestelde van het vastmaken van de roeping, en kwam om, tenminste voor het tijdelijke..
2) Bij de berg Usdum aan de zuidwestzijde van de Dode zee bevindt zich een zoutkegel, die men bij de Joden voor het gedenkteken van de ongelovige vrouw heeft gehouden. Het heeft van voren de vorm van een cilinder, van achteren die van een piramide; het bovenste afgeronde gedeelte is ongeveer 40 voet hoog en rust op een soort van eirond voetstuk van 40-60 voet boven de oppervlakte van de zee..