Lukas 17:20-37
Wij hebben hier een rede van Christus betreffende het koninkrijk Gods, dat is: het koninkrijk van den Messias, dat nu gevestigd, of opgericht, stond te worden, en waarvan grote verwachtingen gekoesterd werden.
I. Hier is een vraag van de Farizeeën hieromtrent, die de aanleiding was tot deze rede. Zij vroegen Hem wanneer het koninkrijk Gods komen zou, het zich voorstellende als een wereldlijk koninkrijk, waardoor het Joodse volk boven alle natiën der aarde bevoorrecht en verheven zou worden. Zij waren ongeduldig om tijding te horen van zijn nadering, zij hadden wellicht vernomen dat Christus Zijne discipelen geleerd had er om te bidden, en zij hadden lang verkondigd dat het nabij was gekomen. "Wanneer," zeggen de Farizeeën, "zal die heerlijke komst nu plaatshebben? Wanneer zullen wij dit lang-verwachte koninkrijk aanschouwen?"
II. Christus' antwoord op deze vraag, het eerst gericht tot de Farizeeën, en daarna tot Zijn eigen discipelen, die het beter konden verstaan, vers 22. Wat Hij tot beiden gezegd heeft, zegt Hij ook tot ons.
1. Dat het koninkrijk van den Messias een geestelijk, geen wereldlijk of uitwendig koninkrijk zal zijn. Zij vroegen wanneer het zou komen. "Gij weet niet wat gij vraagt," zegt Christus, "het kan komen zonder dat gij er u van bewust wordt." Want het heeft niet, zoals andere koninkrijken, een uitwendig vertoon. De bloei en de uitbreiding, alsmede de omwentelingen in die koninkrijken worden door de volken der aarde opgemerkt, en de nieuwsbladen worden er mede gevuld, en zij verwachtten dat dit ook met dit koninkrijk zo zijn zou. "Neen", zegt Christus,
a. "Het zal stil en ongemerkt komen, zonder praal of pracht, en zonder gedruis, het komt niet met uiterlijk gelaat", meta paratêreseoos -met uitwendig vertoon. Zij wensten hun nieuwsgierigheid bevredigd te zien betreffende den tijd er van, waarop Christus hun geen antwoord geeft, maar Hij wil hun dwaling verhelpen ten opzichte van den aard er van: "Het komt u niet toe de tijden te weten van dat koninkrijk, dat zijn verborgen dingen, die niet voor u zijn, maar de grote bedoelingen van dat koninkrijk zijn geopenbaarde dingen." Als Messias, de Vorst, komt om Zijn koninkrijk op te richten, dan zullen zij niet zeggen: Ziet hier, of ziet daar, zoals wanneer een vorst reist om zijne provincies te bezoeken, iedereen roept: Hij is hier, of hij is daar, want "waar de koning is, daar is het hof." Christus zal niet komen met al zulk gepraat, Zijn koninkrijk zal niet in deze of gene bijzondere plaats opgericht worden, noch zal het hof van dat koninkrijk hier of daar zijn, al naar de mensen van dit of dat land afkomstig zijn, of in deze of die plaats verblijven, alsof zij hierdoor dichter bij of verder af van dat koninkrijk zouden zijn. Zij, die het Christendom of de kerk tot deze plaats, of die partij willen beperken, roepen: Ziet hier, of Ziet daar, terwijl toch niets meer dan dat in strijd is met de bedoelingen van het katholieke Christendom, evenzo doen ook zij, die voorspoed en uitwendige pracht als kenmerken stellen van de ware kerk.
b. Het zal een geestelijken invloed hebben: Het koninkrijk Gods is binnen ulieden. Het is niet van deze wereld, Johannes 18:36. Zijn heerlijkheid werkt niet op der mensen verbeelding, maar op hun geest, hun gemoed, en het oefent macht uit over hun ziel en hun consciëntie, daarvan ontvangt het hulde, en niet slechts van hun lichaam. Het koninkrijk Gods zal geen verandering brengen in der mensen uitwendigen toestand, maar in hun hart en hun leven. Het komt dan, als het diegenen ootmoedig en ernstig maakt en hemelsgezind, die hoogmoedig en ijdel en vleselijk waren, -als het diegenen van de wereld speent, die aan de wereld gehuwd waren. Ziet dus uit naar het koninkrijk Gods in de veranderingen, de omwentelingen van het hart, niet in die van de burgerlijke regering. Het koninkrijk Gods is onder ulieden, aldus lezen sommigen den tekst. "Gij vraagt, wanneer het zal komen, en bemerkt niet dat het reeds begonnen is opgericht te worden in uw midden. Het Evangelie wordt gepredikt, het is bevestigd door wonderen, het is omhelsd geworden door zeer velen, zodat het onder uw volk is, hoewel niet in uw hart." Het is de dwaasheid van veel nieuwsgierige vragers naar de toekomst, om uit te zien en te verwachten als nog te moeten komen, hetgeen reeds in hun midden is.
2. Dat de oprichting van dat koninkrijk zeer veel tegenstand zal ontmoeten en door zeer velen belemmerd zal worden, vers 22. De discipelen dachten dat zij altijd voorspoed zouden hebben op hun werk, dat zij overal de overwinning zouden wegdragen, maar Christus zegt hun dat het anders zijn zal: "Er zullen dagen komen, eer gij uw getuigenis volbracht en uw werk gedaan zult hebben, wanneer gij zult begeren een der dagen van den Zoon des mensen te zien, - zulk een dag als wij nu hebben-"van voorspoed en voortgang van het Evangelie, en gij zult dien niet zien. "In het begin zult gij inderdaad wondervollen voorspoed hebben" -en dien hadden zij ook, toen op een dag duizenden tot de gemeente werden toegedaan-"maar denkt niet dat het altijd zo zijn zal, neen, gij zult vervolgd worden en verstrooid, tot zwijgen gebracht en in de gevangenis geworpen worden, zodat gij geen gelegenheid zult hebben om onbevreesd het Evangelie te prediken, zoals gij die nu hebt. Nadat zij er voor een wijle van genoten hebben, zullen de mensen beginnen er onverschillig voor te worden, zodat gij dan later niet zo groot een oogst van zielen voor Christus zult kunnen inzamelen als in den beginne en niet zulke grote menigten zien komen aangevlogen als duiven tot hare vensters." Dit ziet heen naar de discipelen in latere eeuwen, zij moeten veel teleurstelling verwachten, het Evangelie zal niet altijd met dezelfde vrijheid en dezelfden voorspoed gepredikt worden. Leraren en gemeenten zullen soms onder uitwendig bedwang komen. De leraren zullen naar de uithoeken des lands gedrongen worden, en plechtige bijeenkomsten worden verstoord en uiteengedreven. Dan zullen zij wensen zulke dagen van goede gelegenheid te zien als zij tevoren gehad hebben, sabbatdagen, sacramentsdagen, dagen van prediking, dagen van gebed, dat zijn dagen van den Zoon des mensen, waarin wij van Hem horen en gemeenschap met Hem hebben. De tijd kan komen, wanneer wij tevergeefs naar zulke dagen verlangen. God leert ons de waardij kennen van zulke zegeningen door het gemis er van. Het betaamt ons om, terwijl zij er zijn, ze te gebruiken, er winst mede te doen en in de jaren van overvloed op te garen voor de jaren van hongersnood. Soms zullen zij onder innerlijke belemmering zijn, niet zulke tekenen hebben van de tegenwoordigheid van den Zoon des mensen, als zij vroeger gehad hebben. De Geest heeft zich van hen teruggetrokken, zij zien hun tekenen niet, de engel daalt niet neer om het water te beroeren, er heerst grote stompzinnigheid onder de kinderen der mensen, en een grote lauwheid onder de kinderen Gods. Dan zullen zij wensen zulke overwinnende dagen van den Zoon des mensen te zien, als zij soms gezien hebben, toen Hij voortreed met Zijn boog en Zijn kroon, overwinnende en opdat Hij overwonne, maar zullen ze niet zien. Wij moeten niet denken dat Christus' kerk en zaak verloren zijn, omdat zij niet altijd even zichtbaar de overhand hebben.
3. Dat wij naar Christus en Zijn koninkrijk niet moeten uitzien in een bepaalde plaats, Zijne verschijning zal algemeen en overal tegelijk wezen, vers 23, 24. "Zij zullen tot u zeggen: Ziet hier, of daar is Hij. Hier is een, die de Joden uit de macht der verdrukkende Romeinen zal verlossen, of dáár is een, die de Christenen uit de handen van de verdrukkende Joden zal bevrijden. Hier is de Messias, en dáár is een profeet, hier op dezen berg of daar te Jeruzalem, zult gij de ware kerk vinden. Gaat niet heen, en volgt niet, geeft geen acht op zulke voorstellingen. Het koninkrijk Gods was niet bestemd om de heerlijkheid te zijn van een particulier volk, maar om licht te geven aan de heidenen, want gelijk de bliksem, die van het ene einde onder den hemel bliksemt en tot onder het andere schijnt, plotseling en onweerstaanbaar, alzo zal ook de Zoon des mensen wezen in Zijn dag."
a. De oordelen, die de Joodse natie zullen verderven, om de Christenen uit hun handen te verlossen, zullen als bliksemen door het land gaan, zullen alles van het ene einde tot het andere verwoesten, en zij, die voor dit verderf getekend zijn, kunnen het niet meer ontwijken of weerstaan, dan zij een bliksemstraal ontwijken of weerstaan kunnen.
b. Het Evangelie, dat Christus' koninkrijk moet oprichten in de wereld, zal als bliksemen door de natiën heen vliegen. Het koninkrijk van den Messias is geen lokale zaak, maar moet wijd en ver over de ganse oppervlakte der aarde verbreid worden, het zal schijnen van Jeruzalem naar alle zijden, en dat wel in een ogenblik. De koninkrijken der aarde zullen van den zuurdesem des Evangelies doortrokken zijn, eer zij het weten. De trofeeën van Christus' overwinningen zullen opgericht worden op de puinhopen van het rijk des duivels, zelfs in die landen, welke nooit aan het Romeinse juk konden onderworpen worden. De bedoeling, waarmee Christus' koninkrijk werd opgericht, was niet om ene natie groot te maken, maar om alle natiën goed te maken-tenminste uit alle natiën sommigen, en dit doel zal bereikt worden, hoewel de heidenen woeden en de koningen der aarde zich met al hun macht er tegen stellen.
4. Dat de Messias moet lijden eer Hij moet regeren, vers 25. Eerst moet Hij veel lijden, veel harde dingen, en verworpen worden van dit geslacht, en als Hij aldus behandeld wordt, moeten Zijne discipelen ook niets anders verwachten dan te zullen lijden en om Zijnentwil verworpen te worden. Zij dachten dat het koninkrijk van den Messias in uitwendige pracht en praal opgericht zou worden. Neen, zegt Christus, wij moeten door het kruis tot de kroon komen. De Zoon des mensen moet veel lijden. Pijn, en schande, en dood, daarin bestaat dat vele. Hij moet verworpen worden door dit geslacht van ongelovige Joden, eer Hij door een ander geslacht van gelovige heidenen kan worden aangenomen, opdat Zijn Evangelie de eer hebbe van te triomferen over den grootsten tegenstand van hen, die er den grootsten steun aan hadden behoren te geven, en zo zal de uitnemendheid der kracht blijken te zijn van God, en niet van den mens, want, hoewel Israël niet wordt verzameld, zal Hij nochtans verheerlijkt worden tot aan de einden der aarde.
5. Dat de oprichting van het koninkrijk van den Messias de inleiding zal zijn van de verwoesting van het Joodse volk, dat dan in een diepen slaap van gerustheid zal verzonken zijn, verzonken ook in zinnelijkheid, zoals de oude wereld in den tijd van Noach, en Sodom in de dagen van Lot, vers 26 en verder. Merk op:
a. Hoe het tevoren met zondaars geweest is, en in welke houding of gemoedsgesteldheid de oordelen Gods, waarvoor zij gewaarschuwd waren geworden, hen eindelijk hebben gevonden. Sla een terugblik op de oude wereld, toen alle vlees zijn weg verdorven had op de aarde, en de aarde vervuld was met wrevel. Kom wat nader tot onzen tijd, en gedenk hoe het geweest is met de mannen van Sodom, die boos waren en grote zondaars tegen den Heere. Merk nu op, betreffende deze beiden: a. Dat zij behoorlijk waren gewaarschuwd voor het verderf, dat wegens hun zonden over hen komen zou. Noach was een prediker der gerechtigheid voor de oude wereld, en dat was Lot voor de inwoners van Sodom. Zij hebben hun intijds kennis gegeven wat het einde zou wezen van hun goddeloze handelingen, en dat dit einde niet meer ver was. Dat zij op de hun gegeven waarschuwingen geen acht sloegen, er niet aan geloofden, er zich niet om bekommerden. Zij waren zeer gerust, gingen gans onbezorgd voort met hun zaken: zij aten, zij dronken, gaven zich toe in hun genietingen, en bekommerden zich om niets anders dan om het vlees te verzorgen, rekenden op de bestendigheid van hun tegenwoordigen bloeienden toestand, en gingen dus huwelijken aan, zij huwden en werden ten huwelijk gegeven, opdat hun geslachten en huisgezinnen opgebouwd zouden worden. Zij waren allen zeer vrolijk, dat waren ook de mannen van Sodom, en toch hadden zij het ook zeer druk: zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden. Dat was alles zeer geoorloofd, maar de fout school daarin, dat zij al te veel aan deze dingen hechtten, daaraan uitsluitend hun hart gaven, zodat zij zin noch lust had- den om zich tegen de bedreigde oordelen te voorzien. Terwijl zij als de mannen van Nineve hadden behoren te wezen, vastende en biddende, berouw hebbende en hun leven beterende op de aankondiging van het naderend oordeel, gingen zij rustig voort vlees te eten en wijn te drinken, als God riep tot geween en tot rouwklage, Jesaja 22:12, 13. b. Dat zij volhardden in hun gerustheid en hun zinnelijkheid, totdat het bedreigde oordeel kwam. Tot aan den dag, dat Noach in de ark ging, en Lot van Sodom uitging, heeft niets, dat hun gezegd of gedaan werd, hen kunnen opschrikken of doen ontwaken. Hoewel de stompzinnigheid der zondaren in een zondigen weg even vreemd als onverschoonbaar is, moeten wij het toch niet vreemd achten, want het is niet zonder voorbeeld. Het is het pad der eeuw, dat de ongerechtige lieden betreden hebben, die sluimerend naar de hel zijn gegaan, alsof hun verdoemenis sluimerde terwijl zij sluimerden,
c. Dat God zorg droeg voor de behoudenis der Zijnen, die geloofden en vreesden, en de waarschuwing, die zij aan anderen gaven, ook zelf ter harte namen. Noach ging in de ark, en daar was hij veilig, Lot ging uit Sodom, en zo ging hij het kwaad uit den weg. Gaan sommigen achteloos en roekeloos het verderf tegemoet, dat zal gene verhindering wezen voor de behoudenis van hen, die geloven, d. Dat zij verrast, overvallen werden door het verderf, dat zij niet wilden vrezen, en er tot hun onuitsprekelijk afgrijzen door werden verzwolgen. De zondvloed kwam, en verdierf al de zondaren der oude wereld, vuur en sulfer kwamen en verdierven al de zondaren van Sodom. God heeft veel pijlen in Zijn pijlkoker, en gebruikt welke Hij wil om krijg te voeren tegen Zijn rebellerende onderdanen, want Hij kan welke Hij wil van kracht en uitwerking doen zijn. Hetgeen hier echter inzonderheid bedoeld wordt is, aan te tonen welk een ontzettende verrassing het verderf zal wezen voor hen, die zich zo gerust aan hun zinnelijke genietingen overgeven.
b. Hoe het nu nog met de zondaren zijn zal, vers 30. Even alzo zal het zijn in den dag, op welken de Zoon des mensen geopenbaard zal worden. Als Christus komt om de Joodse natie door de Romeinse legers te verderven, dan zal het gros dier natie in even zulke gerustheid en stompzinnigheid worden bevonden. Zij zijn thans door Christus gewaarschuwd, en na Hem zullen zij door de apostelen worden gewaarschuwd, zoals Noach en Lot hun tijdgenoten hebben gewaarschuwd, maar het zal alles tevergeefs zijn. Zij zullen in hun gerustheid volharden, zullen voortgaan met hun veronachtzamen en hun tegenstaan van Christus en Zijn Evangelie, totdat alle Christenen uit het midden van hen zijn uitgegaan en naar hun toevluchtsoord der veiligheid zijn gegaan. God zal aan gene zijde der Jordaan voor hen zorgen, en dan zal een stortvloed van oordelen komen, die al de ongelovige Joden zal verdoen. Men zou gedacht hebben dat deze rede van onzen Zaligmaker, die in het openbaar was uitgesproken en niet lang daarna in de wereld werd bekend gemaakt, hen wakker geschud zou hebben, maar het was niet zo, want het hart des volks was verhard tot hun verderf. Even alzo zullen, als Jezus Christus komt om de wereld te oordelen, de zondaars in dezelfde geruste, zorgeloze houding worden gevonden, gans onverschillig voor het naderend oordeel, hetwelk daarom over hen zal komen als een strik, en evenzo gaan de zondaars van alle tijden gerust voort op hun boze wegen, zonder aan hun einde te denken, of aan de rekenschap, die zij hebben te geven. "Wee den gerusten te Zion".
6. Dat het van Zijne discipelen en volgelingen de zorg moet zijn om zich te dien dage van de ongelovige Joden te onderscheiden, en dat zij hen verlatende, hun stad en hun land aan hen overlatende, op een gegeven teken moeten vluchten naar de richting, die hun dan aangewezen zal worden. Laat hen zich terugtrekken zoals Noach in de ark, en Lot te Zoar. Gij zoudt Jeruzalem gemeesterd hebben, maar zij is niet genezen, en daarom: Vliedt uit het midden van haar, en redt een iegelijk zijne ziel, Jesaja 51:6, 9. Deze hun vlucht van Jeruzalem moet snel geschieden en door geen zorg over hun wereldse zaken vertraagd worden, vers 51: Wie op het dak zal zijn, als het alarmteken gegeven wordt, en zijn huisraad in huis, die kome niet af om het weg te nemen, omdat hij er geen tijd voor heeft, en ook omdat het medenemen van zijn goed hem in zijn vlucht zou belemmeren. Laat hem in zulk een tijd geen achtslaan op zijn huisraad, als het schier een wonder van genade zal wezen, indien zijne ziel -dat is zijn leven, hem tot een buit zal zijn. Het zal beter wezen om zijn huisraad achter te laten, dan te blijven om er zorg voor te dragen, en om te komen met de ongehoorzamen. Het zal zaak voor hen zijn om te doen wat aan Lot en zijn gezin bevolen was te doen: Behoudt u om uws levens wil. "Wordt behouden van dit verkeerd geslacht".
a. Als zij ontkomen zijn, moeten zij er niet aan denken terug te keren, vers 32. Gedenkt aan de vrouw van Lot, en laat haar ene waarschuwing voor u zijn, om niet slechts dit Sodom te ontvlieden (want alzo is Jeruzalem geworden, Jesaja 1:10), maar te volharden in uwe vlucht en niet, evenals zij, om te zien. Hebt er geen afkeer van om een plaats te verlaten, die ten verderve is gewijd, wie of wat gij er ook in achter moet laten, dat u nog zo dierbaar is. Laat hen, die het Sodom van den natuurlijken staat hebben verlaten, voorwaarts gaan, en niet eens een vriendelijken blik achter zich werpen. Laat hen niet terug zien, opdat zij niet in verzoeking komen van terug te gaan, ja opdat dit niet aangezien worde als een teruggaan met het hart, of als een blijk dat het hart achtergebleven is. De vrouw van Lot werd in een zoutpilaar veranderd, om een blijvend gedenkteken te zijn van Gods ongenoegen over afvalligen, die beginnen in den geest en eindigen in het vlees.
b. Er zal geen ander middel wezen om hun leven te redden dan door de Joden te verlaten, en, zo zij hun leven dachten te kunnen redden door ene verbintenis met hen, dan zullen zij zich teleurgesteld zien, vers 33, "Zo wie zijn leven zal zoeken te behouden door af te wijken van zijn Christendom en toe te geven aan de Joden, die zal het met hen verliezen en in de algemene ramp omkomen." Maar wie bereid is zijn leven te wagen met de Christenen, op dezelfden grond waarop zij het wagen, die part en lot met hen wil hebben in leven en in sterven, die zal zijn leven behouden, want hij zal zich het eeuwige leven verzekeren, en in dien tijd zal het meer waarschijnlijk een middel zijn om het leven te behouden, dan om met de Joden lotgemeen te zijn, of bij hen veiligheid te zoeken. Zij doen het best, die op God vertrouwen in den weg des plichts.
7. Dat alle goede Christenen voorzeker dit verderf zullen ontkomen, doch velen slechts ternauwernood, vers 34-36. Als Gods oordelen alles verwoesten, dan zal Hij krachtige, afdoende maatregelen nemen om de Zijnen te behouden, door merkwaardige leidingen Zijner voorzienigheid onderscheidende tussen hen en anderen, die hun het naast waren: twee zullen op een bed zijn, de een zal aangenomen en de ander zal verlaten worden, de een uit den brand weggerukt en naar een veilige plaats gebracht, terwijl de ander in het algemene verderf mede omkomt. Hoewel het zwaard allen verteert, en aan allen enerlei schijnt te wedervaren, toch zal het vroeg of laat blijken dat de Heere kent degenen, die de Zijnen zijn, en degenen, die dit niet zijn, en dat Hij het kostelijke van het snode uittrekt. Wij zijn er zeker van, dat de Rechter der ganse aarde recht zal doen, en daarom, als Hij een oordeel zendt om den dood Zijns Zoons te wreken op hen, die Hem gekruisigd hebben, dan zal Hij er zorg voor dragen, dat geen van hen, die Hem hebben verheerlijkt en geroemd hebben in Zijn kruis, door dat oordeel zal worden weggenomen.
8. Dat dit werk van onderscheiding en afscheiding gedaan zal worden aan alle plaatsen, zover het koninkrijk Gods zal reiken, vers 37.
Waar, Heere? Zij hadden gevraagd naar den tijd, en hieromtrent heeft Hij hun nieuwsgierigheid niet willen bevredigen, daarom doen zij nu een andere vraag: "Waar, Heere? Waar zullen zij, die aangenomen worden, veilig zijn? Waar zullen zij, die verlaten worden, omkomen?" Het antwoord is spreekwoordelijk en kan zo verklaard worden, dat het de vraag naar alle kanten beantwoordt: Waar het lichaam is, aldaar zullen de arenden vergaderen.
a. Waar ook de ten verderve gewijde bozen zijn, daar zullen zij door de oordelen Gods worden gevonden, evenals waar ook een dood lichaam is, de roofvogels er op af zullen komen. De Joden hebben zich tot een dood lichaam gemaakt, hatelijk en afzichtelijk voor Gods heiligheid en gerechtigheid, waar ook iemand van dat ongelovig geslacht is, het oordeel Gods zal hem treffen, zal op hem neerkomen, als de arend op zijne prooi. Uwe hand zal al Uwe vijanden vinden, Psalm 21:9, al stelden zij hun nest tussen de sterren, Obadja 4. De Romeinse soldaten zullen de Joden opsporen in alle hoeken en holen, en niemand hunner zal ontkomen.
b. Waar de Godvruchtigen ook zijn, die getekend zijn ter behoudenis, zij zullen gevonden worden in de zalige genieting van Christus. Gelijk de ontbinding der Joodse kerk zich naar alle kanten zal uitstrekken, zo zal het ook met de instelling der Christelijke kerk wezen. Waar Christus ook is, zullen de gelovigen tot Hem toestromen en Hem ontmoeten, zoals arenden om hun prooi, zonder dat hun den weg gewezen werd, door het instinct der nieuwe natuur. Nu is Christus waar Zijn Evangelie is, waar Zijne inzettingen zijn, waar Zijne kerk is, Want waar twee of drie vergaderd zijn in Zijn naam, daar is Hij in het midden van hen, en daar zullen dus ook anderen tot Hem vergaderd worden Het koninkrijk van den Messias zal geen bepaalde plaats tot metropolis of hoofdstad hebben, zoals Jeruzalem voor de Joodse kerk geweest is, waar alle Joden zich heen moesten begeven, maar waar het lichaam is, waar het Evangelie gepredikt en de sacramenten bediend worden, daar zullen vrome zielen komen, daar zullen zij Christus vinden, en door het geloof zich in Hem verblijden. Aan alle plaats waar Christus Zijns naams gedachtenis sticht, daar zal Hij tot Zijn volk komen en hen zegenen, Johannes 4:21, 1 Timotheus 2:8. Veel goede schriftverklaarders verstaan dit van de bijeen vergadering der heiligen met Christus in het koninkrijk der heerlijkheid: Vraag niet, waar het dode lichaam zijn zal, en hoe zij er den weg heen zullen vinden, want zij zullen onder onfeilbare leidingen wezen, tot Hem, die hun levend, leven gevend Hoofd is, en het middelpunt van hun eenheid, tot Hem zullen de volken verzameld worden.