Filippenzen 3:9-14
Wij hebben gehoord wat de apostel verlaten heeft, laat ons nu vernemen wat hij terug ontving en wenst te behouden, namelijk Christus en den hemel. Hij. heeft zijn hart gezet op deze twee grote gaven van het Christendom.
I. De apostel wenst Christus als zijne gerechtigheid. Daarom noemt hij verscheidene punten op.
1. Hij begeert Christus te gewinnen, hij zou het een onuitsprekelijke winst achten, indien hij deel kreeg aan Christus en diens gerechtigheid, indien Christus zijn Heere en Zaligmaker werd.
Dat ik Christus moge gewinnen, gelijk den wedloper den prijs wint, zoals de zeeman de haven behaalt, die het doel zijner reis is. De uitdrukking geeft te kennen, dat wij worstelen moeten om Hem, en dat alles gering is indien wij Hem slechts gewinnen.
2. Dat hij moge in Hem gevonden worden, vers 9, zoals de doodslager werd gevonden in de vrijstad, waar hij veilig was voor den bloedwreker, Numeri 35:25. Ook kan het met een rechtspraak vergeleken worden: Zoals wij door onzen Rechter in vrede gevonden worden, 2 Petrus 3:14. Wij zijn verloren zonder ene gerechtigheid, waarin wij voor God verschijnen kunnen, want wij zijn allen schuldig. Er is ene gerechtigheid voor ons verworven door Jezus Christus, en die is een volmaakte en eeuwige gerechtigheid. Niemand kan daaraan deel verkrijgen of er zegen van hebben, dan hij, die alle vertrouwen in zich zelven verloren heeft en er toe gebracht is van harte in Hem te geloven. Niet hebbende mijne gerechtigheid, die uit de wet is, niet denkende dat mijn uitwendig waarnemen van de wet en mijn goede werken bij machte zijn om mij te reinigen van mijn zonden en dat ik door het een tegenover het ander te stellen voor God de rekening opmaken kan. Neen, de gerechtigheid, waarop ik mij verlaat, is die, welke is door het geloof van Christus, niet een wettische maar een evangelische gerechtigheid. De gerechtigheid, die uit God is door het geloof, verordend en aangewezen door God. De Heere zus Christus is de Heere onze Gerechtigheid, Jesaja 45:24, Jeremia 23:6. Ware Hij niet God geweest, dan kon Hij ook onze gerechtigheid niet zijn, de mededeelbare heerlijkheid van Zijn goddelijke natuur gaf zulk ene waarde en zulk ene kracht aan Zijn lijden, dat het voldoende werd om te betalen voor de zonden der wereld, en rechtvaardig te maken allen, die oprecht in Hem geloven. Het geloof is het verordende middel om werkelijk deel en zaligmakenden zegen te ontvangen in alles, wat Zijn bloed verworven heeft. Het is door het geloof in Zijn bloed, Romeinen 3:25.
3. Dat hij Christus mocht kennen, vers 10.
Opdat ik Hem kenne en de kracht Zijner opstanding, en de gemeenschap Zijns lijdens. Geloof wordt kennis genoemd, Jesaja 53:11. Hem kennen is hier in Hem geloven, het is een ondervindelijke kennis van de kracht Zijner opstanding en de gemeenschap Zijns lijdens, een gevoel van hun veranderende en werkdadige kracht. De apostel was even begerig naar heiligmaking als naar zaligmaking. Hij was even begerig om de kracht van Christus' dood en opstanding, de zonden in hem dodende, te kennen en daardoor in Hem op te staan tot een nieuw leven, als hij was om den zegen van dien dood en die opstanding tot zijn rechtvaardigmaking te ontvangen. 4. Dat hij Zijnen dood gelijkvormig mocht worden, en dat is ook bedoeld van Zijne heiligmaking. Wij worden Zijn dood gelijkvormig wanneer wij der zonden afsterven, zoals Christus voor de zonden stierf, wanneer wij met Christus gekruist worden, het vlees en zijn bewegingen gedood worden, en de wereld ons gekruisigd is en wij het der wereld zijn door de kracht van het kruis van Christus. Dat is onze gelijkvormigheid aan Zijn dood.
II. De apostel hoopte op den hemel voor zijn geluk. Of ik enigszins moge komen tot de wederopstanding der doden, vers 11.
1. Het geluk des hemels wordt hier de wederopstanding der doden genoemd, omdat, ofschoon de zielen van de gelovigen onmiddellijk na hun dood met Christus zijn, hun zaligheid niet volkomen zal zijn voor de opstanding ten laatsten dage, wanneer ziel en lichaam verenigd verheerlijkt zullen worden. Anastasis betekent soms den toekomstigen toestand. De apostel heeft het oog daarop, dien wil hij verkrijgen. Daar zal een opstanding van de onrechtvaardigen zijn, deze zullen verrijzen tot schande en eeuwige veroordeling, en onze zorg moet zijn daaraan te ontkomen. Maar de blijde en heerlijke opstanding der heiligen wordt genoemd de opstanding, kat'exochên, bij uitnemendheid omdat zij het gevolg is van Christus' opstanding, als hun hoofd en voorloper, terwijl de goddelozen zullen opstaan alleen door de macht van Christus als hun rechter. Voor de heiligen zal het inderdaad een wederopstanding zijn, een wederkeren tot zegen, en leven, en heerlijkheid, terwijl de opstanding van de goddelozen is een komen uit het graf om den twee- den dood in te gaan. Zij wordt genoemd de opstanding der rechtvaardigen, en de opstanding ten leven, Johannes 29, en zij worden waardig geacht die eeuw te verwerven en de opstanding uit de doden, Lukas 20:35.
2. Deze zalige opstanding jaagde de apostel na. Hij was gezind om alles te doen en alles te lijden om deze wederopstanding te verwerven. De hoop en het uitzicht daarop vervulden hem met moed en standvastigheid onder alle moèilijkheden, die hij in zijn werk ontmoette. Hij spreekt alsof hij gevaar loopt haar te zullen missen en of ze hem ontgaan zal. Een heilige vrees van het doel niet te zullen bereiken is de beste aansporing tot volharding. Zijn zorg om in Christus gevonden te worden had tot doel om de wederopstanding der doden te bereiken. Paulus hoopte daar niet toe te komen door eigen verdienste en rechtvaardigheid, maar door de verdienste en gerechtigheid van Jezus Christus. Opdat ik gevonden worde in Christus, opdat ik moge komen tot de wederopstanding der doden, gevonden als een gelovige in Hem en door het geloof aan Hem deelhebbend.
A. Hij beschouwt zich zelven als te zijn in een toestand van onvolmaaktheid en beproeving.
Niet dat ik het alrede gekregen heb, of alrede volmaakt ben, vers 12 Merk op: De beste mensen in de wereld zullen het geredelijkst hun onvolmaaktheid in hun tegenwoordigen toestand erkennen. Wij hebben het nog niet gegrepen en zijn nog niet volmaakt, er ontbreekt nog veel aan onze werken, ons geloof, en onze vertroosting. Indien Paulus (die zulk een hoog standpunt van heiligheid bereikt had) nog niet volmaakt was, hoeveel te minder wij! Nog eens, vers 13 :Broeders, ik acht niet dat ik zelf het gegrepen heb! oe logizomai. Ik oordeel zo over de zaak, ik zeg dit tot mij zelven. Zij, die menen dat zij genade genoeg hebben, tonen daardoor dat zij te weinig hebben, want, waar echte genade is, daar is begeerte naar meer en een voorwaarts streven naar de genade der volmaking.
B. Wat de apostel deed met deze overtuiging. In aanmerking nemende dat hij het nog niet verkregen had en nog niet gegrepen, strekte hij zich uit, Ik jaag er na, vers 12, diookoo, ik vervolg het met inspanning, als een die in de spelen loopt. Ik span mij in om meer genade te verkrijgen en meer goed te doen, en ik denk nooit dat ik genoeg gedaan heb. Of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben, vers 12. Merk op: Vanwaar onze genade komt, van ons gegrepen zijn door Christus Jezus. Niet wij hebben eerst Christus gegrepen, maar Hij ons, en dat is onze zaligheid en verlossing. Wij hebben Hem lief omdat Hij ons eerst liefgehad heeft, 1 Johannes 4:19. Niet dat wij Christus vasthouden, maar dat Hij ons vasthoudt, is onze veiligheid. Wij worden in de kracht Gods bewaard door het geloof tot de zaligheid, 1 Petrus 1:5. Wat het geluk van den hemel is: het is dat te grijpen, waartoe wij door Christus Jezus gegrepen zijn. Toen Christus ons greep was het om ons ten hemel te leiden en om ons te doen grijpen datgene, waartoe Hij ons greep, dat is: de volmaking van onze zaligheid. Hij voegt er verder bij, vers 13 :Maar een ding doe ik (dit was zijn grote zorg en bedoeling), vergetende hetgeen achter is, strek ik mij uit tot hetgeen voor is. Er is een zondig vergeten van vroegere zonden en vroegere weldaden, men moet aan beide blijven denken ter oefening van bestendig berouw en dankbaarheid. Maar Paulus vergat de dingen, die achter waren, niet in dien zin dat hij tevreden was met de verkregen genade, hij verlangde altijd naar meer. Zo strekte hij zich uit, epekteinomenos, jagende naar het doel, de uitdrukking van heftig verlangen.
C. Het doel van den apostel met deze handelingen. Ik jaag na het wit tot den prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus. Hij joeg het wit na. Gelijk iemand in den wedloop niet ophoudt voor hij aan het eind is, maar voorwaarts jaagt zo vlug hij kan, zo behoren zij, die den hemel op het oog hebben, zich uit te strekken in heilige begeerte en hoop en voortdurende pogingen en voorbereidingen. Hoe meer wij voor den hemel wassen, des te meer moeten wij ons er heen uitstrekken. De hemel wordt hier het wit genoemd, omdat hij het is, dien ieder waar Christen in het oog houdt, gelijk de boogschutter het oog heeft gevestigd op het wit, dat hij treffen wil. Tot den prijs der roeping Gods. De roeping des Christens is een hoge roeping, zij komt van den hemel als haar oorsprong, en heeft den hemel tot haar doel. De hemel is de prijs der roeping Gods, to brabeion, de prijs waarvoor wij strijden, en lopen, en worstelen, dien we in het oog hebben bij al wat we doen, en die al onze moeiten belonen zal. Het is van groot nut in de Christelijke loopbaan den hemel in het oog te houden. Het is geschikt om ons de maat van onzen dienst aan te geven en ons op te wekken tot elke stap, dien wij zetten moeten, en het is God, van wie wij den prijs verwachten. Het eeuwige leven is de genadegift Gods, Romeinen 6:23, maar in Christus Jezus, uit wiens hand het tot ons komen moet omdat Hij het ons verworven heeft. Er is geen gaan naar den hemel als ons huis dan door Christus Jezus, die de weg is.