Efeze 5:21-33
Hier begint de apostel zijne vermaningen tot uitoefening van onze wederzijdse plichten. Tot algemenen grondslag van deze plichten legt hij den regel in vers 21. Er is wederkerige onderdanigheid, welke de Christenen aan elkaar verschuldigd zijn, die bevat het dragen van elkanders lasten, het niet zich zelven verheffen boven anderen, noch het regeren en de wet stellen aan elkaar. Paulus was een voorbeeld van de ware Christelijke gemoedsgesteldheid, want hij werd allen alles. Wij moeten een neerbuigenden en onderdanigen geest hebben, en gereed zijn voor al de plichten van onderscheidene plaatsen en betrekkingen, waarin God ons in de wereld gesteld heeft. In de vreze Gods, dat is zover als bestaanbaar is met de vreze Gods, om Zijnentwil, en gewetenshalve voor Hem, en opdat wij daardoor waarlijk bewijzen mogen dat we Hem vrezen. Waar wederzijdse toegevendheid en onderdanigheid is, zullen alle plichten van alle betrekkingen beter vervuld worden. Van vers 22 tot het einde spreekt hij van de plichten der echtgenoten, en hij doet dat op Christelijke wijze, de gemeente als voorbeeld stellende voor de onderwerping van de vrouw, en Christus als voorbeeld voor de liefde des mans.
I. De plicht, aan de vrouwen voorgeschreven, is onderdanigheid aan haar eigen mannen in den Heere, vers 22, welke onderdanigheid bevat, dat zij hen eerbiedigen en gehoorzamen, en dat uit het beginsel van liefde voor hen. Zij moeten dit doen in onderwerping aan Gods gezag, die het bevolen heeft, dat is: het doen in den Heere. Ook kan men dit beschouwen als een vergelijking, alsof er stond: gelijk gij, Gode gewijd, u aan Hem onderwerpt. Uit het voorgaande kunnen wij leren dat wij, door nauwgezette betrachting van onze plichten jegens onze medeschepselen, God zelven behagen en gehoorzamen, en uit het laatste, dat God niet enkel verlangt en eist de vervulling der plichten, die onmiddellijk Hem betreffen, maar evenzeer die, welke onze naasten aangaan. De apostel wijst op de reden voor deze onderdanigheid van de vrouwen: Want de man is het hoofd der vrouw, vers 23. De vergelijking slaat op het hoofd van het natuurlijk lichaam, dat als zetel der rede, der wijsheid en der kennis, en als de fontein van gevoel en beweging, uitnemender is dan de rest van het lichaam. God heeft den man den voorrang gegeven en het recht om te regeren en te besturen, Hij gaf die door de schepping en in deze wet voor de onderlinge verhouding: Tot uw man zal uwe begeerte zijn en hij zal over u heersen. De ongemakken, die daaruit voortgekomen zijn, zijn het gevolg van de komst der zonde in de wereld. Over het algemeen heeft de man (gelijk ook behoort) de meerderheid in wijsheid en kennis. Hij is daarom het hoofd, gelijk Christus het hoofd is der gemeente. Hier is ene vergelijking met het gezag van Christus over de gemeente, van de meerderheid en de betrekking als hoofd, welke God den echtgenoot verleende. De apostel voegt erbij: En hij is de behouder des lichaams. Christus' gezag over de gemeente wordt uitgeoefend om haar te bewaren voor het kwade en haar te voorzien van al wat goed voor haar is. Op gelijke wijze moet de echtgenoot bezig zijn in de bescherming en verzorging zijner vrouw, en daarom moet zij zich des te meer met liefde aan hem onderwerpen. Dus volgt hier: Daarom, gelijk de gemeente aan Christus onderdanig is, vers 24, met liefde, met nederigheid, met getrouwheid, alzo ook de vrouwen aan haar eigen mannen in alles, in elk ding, waarin hij rechtvaardig gezag oefent, in elk ding, dat wettig en voor God bestaanbaar is.
II. De plicht van de echtgenoten, aan de andere zijde, is hun vrouwen lief te hebben, vers 25, want zonder dat zouden zij hun gezag en meerderheid misbruiken. Maar waar de liefde, zoals behoort, den toon aangeeft, zal zij al de andere plichten van deze betrekking in zich besluiten, want het is een bijzondere en eigenaardige liefde, die jegens de vrouw voorgeschreven is. De liefde van Christus tot de gemeente wordt haar ten voorbeeld gesteld, welke liefde oprecht, rein, vurig en standvastig is, en dat niettegenstaande al de onvolkomenheden en gebreken, waaraan de gemeente schuldig staat. De grootte van deze liefde voor de gemeente bleek daaruit, dat Hij voor haar in den dood ging. Merk op: Gelijk de onderwerping van de gemeente aan Christus de vrouw tot voorbeeld gesteld wordt, zo wordt de liefde van Christus voor Zijne gemeente den man tot maatstaf gegeven, en waar zulke voorbeelden aan beiden gegeven worden, en daardoor van beiden zoveel geëist wordt, heeft geen van beiden reden om zich over de verhouding te beklagen. De liefde, die God van den echtgenoot voor diens vrouw eist, mag aanspraak maken op de onderdanigheid aan haar man, die Hij van haar vordert, en de onderdanigheid aan de vrouw voorgeschreven, is een overvloedige vergoeding van de liefde, die God wil dat haar echtgenoot haar zal toedragen. De apostel, na de liefde van Christus voor de gemeente genoemd te hebben, weidt daarover uit, door de reden aan te wijzen, waarom Hij zich zelven voor haar overgaf, namelijk dat ze in deze wereld geheiligd en in de toekomende verheerlijkt zou worden. Opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het woord, vers 26, dat Hij al Zijne leden zou bekleden met een beginsel van heiligheid en hen verlossen van de schuld, de onreinheid en de heerschappij der zonde. De middelen, waardoor dit wordt bewerkstelligd, zijn de ingestelde sacramenten, vooral de wassing in den doop en de verkondiging en aanneming des Evangelies. Opdat Hij haar zich zelven heerlijk zou voorstellen enz., vers 27. Dr. Lightfoot meent, dat de apostel hier het oog heeft op de buitengewone zorgvuldigheid der Joden in hun wassingen ter reiniging. Zij zorgden dat geen deel van het vlees buiten het water bleef, en dat alle spetjes en smetjes geheel werden weggewassen. Anderen denken dat hij zinspeelt op een kleed, zoals het uit handen van den wasser komt, gereinigd van vlekken, ontdaan van rimpels, waarvan de eerste vers waren en de laatste door het lange dragen er in gekomen. Dat Hij haar zich zelven zou voorstellen -opdat Hij haar in den groten dag geheel met zich verenigen moge, ene gemeente, volkomen in kennis en heiligheid, die geen vlek of rimpel heeft of iets dergelijks, waarin niets van mismaking of onreinheid is overgebleven, maar geheel beminnelijk en aangenaam in Zijne ogen, heilig en onberispelijk, zonder enig overblijfsel van zonde hoegenaamd. De gemeente in haar geheel en de gelovigen in het bijzonder zullen niet zonder vlek of rimpel zijn alvorens zij in de heerlijkheid komen. Uit dit en het vorige vers kunnen wij zien, dat de verheerlijking van de gemeente het doel is van hare heiliging, en dat zij-maar zij alleen-die hier geheiligd worden, hiernamaals verheerlijkt zullen zijn. Alzo zijn de mannen schuldig hun eigen vrouwen lief te hebben enz., vers 28. Daar de vrouw een gemaakt werd met haar echtgenoot (niet letterlijk maar in betrekkelijken zin) is dit een beweegreden, waarom hij haar even vurig en oprecht liefhebben moet als zich zelven. Want niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat, vers 29, niemand, hoe misvormd of onvolkomen hij zijn moge, haat zich zelven, integendeel: hij voedt het en onderhoudt het, hij besteedt veel zorg en tederheid aan zich zelven en is er op uit zich alles te verschaffen, wat hij nodig en nuttig acht, voedsel, kleding enz. Gelijkerwijs ook de Heere de gemeente, dat is: gelijk de Heere Zijne gemeente voedt en onderhoudt, die Hij voorziet van alles, dat Hij weet nodig en goed voor haar te zijn en tot haar eeuwig geluk en welzijn te zullen bijdragen. De apostel voegt er bij: Want wij zijn leden Zijns lichaams, van Zijn vlees en van Zijne benen, vers 30. Hij duidt dit aan als de reden, waarom Christus Zijne gemeente voedt en onderhoudt, -omdat allen, die tot haar behoren, leden van Zijn lichaam zijn van Zijn mystiek lichaam. Of: wij zijn leden uit Zijn lichaam, al de genade en heerlijkheid, welke de gemeente heeft, komen uit Christus, gelijk Eva uit den man genomen is. Maar het is de gewoonte van de Heilige Schrift om een samengesteld lichaam aan te duiden door de omschrijving van de verschillende leden, avond en morgen voor etmaal, zo hier voor lichaam vlees en benen, -waardoor wij te verstaan hebben Hem zelven, zodat de bedoeling is: wij zijn leden van Christus. Daarom, (omdat zij een zijn, gelijk Christus en Zijne gemeente een zijn) zal een mens zijn vader en moeder verlaten. De apostel haalt de woorden van Adam aan, toen Eva hem tot een hulpe tegenover hem gegeven was, Genesis 2:24. Wij moeten hieruit niet opmaken, dat de verplichtingen van een man jegens zijn overige betrekkingen door zijn huwelijk ontbonden worden, maar alleen, dat die laatste betrekking voor alle andere gaat, aangezien er tussen die beide mensen nauwer band ontstaan is dan tussen hen en alle anderen, zodat de man liever al die andere moet opgeven dan de band tussen hem en zijne vrouw. En zij twee zullen tot een vlees wezen, door den huwelijksband.
Deze verborgenheid is groot, vers 32. De woorden van Adam, zo-even door den apostel aangehaald, zijn letterlijk van het huwelijk bedoeld, maar zij hebben ook een verborgen mystieken zin, betrekkelijk de vereniging van Christus met Zijne gemeente, van welke de huwelijksvereniging van Adam met ons aller moeder de afschaduwing was. Ofschoon ze niet door God ingesteld of bedoeld was om dat te betekenen, was zij echter een soort van natuurlijk type, zij had er gelijkenis mede: ik zeg dit, ziende op Christus en de gemeente. Hierna besluit de apostel dit deel van zijn redevoering met een korte samentrekking van de plichten van echtgenoten en vrouwen. Zo dan (er is hier zulk een geheimzinnige betekenis, maar de eenvoudige letterlijke betekenis geldt voor u) elk in het bijzonder, een iegelijk hebbe zijn eigen vrouw alzo lief als zich zelven, met zulk een oprechte, bijzondere, buitengewone, voorkeur-gevende liefde als hij zich zelven toedraagt. En de vrouw zie dat zij den man vreze. Vreze bestaat uit liefde en achting, die de behoefte scheppen om te behagen, en uit vrees, die steeds zorgt niet te beledigen. Dat de vrouw deze vreze voor haar man gevoele, is de wil van God en de aard van het huwelijk.