Titus 2:1-10
Hier is het derde deel van het onderwerp van den brief. In het voorgaande hoofdstuk had de apostel Titus leiding gegeven in aangelegenheden van regering der gemeenten, en om de dingen te regelen, die dat behoefden. Hier vermaant hij hem:
I. In het algemeen, tot getrouwe vervulling van zijn dienst. Zijn ordenen van anderen om het Woord te verkondigen ontsloeg hem niet van den plicht om zelf te prediken. Ook mocht hij niet alleen zorgen voor dienaren en ouderlingen, hij moest ook de Christenen onderwijzen in hun plichten. Het woord doch wijst terug op de valse leraars, die fabelen, ijdele en nutteloze dingen uitstrooiden. In tegenstelling daarmee, zegt hij tot hem: Doch gij, spreek hetgeen der gezonde leer betaamt, wat overeenkomt met het Woord, dat zuiver en onbedorven is, genezend en voedend ten eeuwigen leven.
A. De ware leerstellingen van het Evangelie zijn gezonde leer, in vorm en uitwerking, zij zijn in zich zelve goed en heilig, en maken het de gelovigen ook, zij maken hen bekwaam in en krachtig tot den dienst van God.
B. Dienaren moeten zorgen alleen zulke waarheden te onderwijzen. Indien de gewone gesprekken der Christenen moeten zijn onberispelijk, nuttig tot stichting, opdat zij genade mogen geven die ze spreken en die ze horen, Efeze 4:29, hoeveel te meer moet de prediking der dienaren dat zijn! Daartoe vermaant de apostel Titus in het algemeen, en daarna:
II. Meer in het bijzonder, geeft Paulus hem voorschriften hoe hij die gezonde leer moet toepassen op verschillende soorten van personen, verzen 2-10. Dienaren moeten het niet bij algemeenheden laten, maar moeten ieder zijn bescheiden deel toedienen naar gelang van leeftijd, plaats, levenstoestand, zij moeten bijzonder zijn zowel als praktisch in hun prediking, zij moeten de mensen hun plichten leren, en ieder zijn eigen plicht. Hier hebben wij een uitnemende Christelijke handleiding, geschikt voor ouden en jongen, voor mannen en vrouwen,. voor den prediker zelf en voor de dienstbaren.
1. De oude mannen. Door oude mannen verstaan sommigen de ouderlingen, met inbegrip van de diakenen enz. Maar het bedoelt meer de ouden in jaren. Oude discipelen van Christus moeten zich in elk opzicht gedragen overeenkomstig de Christelijke leer. Dat de oude mannen nuchter zijn, niet denken dat de zwakheden van den ouden dag hen veroorloven zich enige buitensporigheid of onmatigheid te vergunnen, en daardoor te trachten zich wat te versterken. Zij moeten in alle dingen maat houden, zowel met het oog op hun gezondheid en geschiktheid, als ten raad en voorbeeld voor de jongeren. Stemmig. Lichtzinnigheid is voor ieder ongepast, maar vooral voor bejaarden, zij moeten ingetogen en kalm zijn, stemmig in kleding, omgang, gedrag. Opzichtigheid in kleding, wuftheid en ijdelheid in gedrag zijn voor hen in de hoogste mate onbetamelijk. Voorzichtig. Kalm en voorzichtig, zij moeten hun hartstochten en genegenheden goed kunnen regeren, zodat zij niet weggesleept worden in enig ding, dat. kwaad of on-. gepast is. Gezond in het geloof, oprecht en standvastig, getrouw blijvende bij de waarheid des Evangelies, niet belust op nieuwigheden, niet gereed om in verkeerde denkbeelden en meningen deel te nemen, niet ingenomen met Joodse fabelen en overleveringen, of vertelsels van rabbijnen. Zij, die veel jaren hebben, moeten veel genade en goedheid bezitten, de inwendige mens moet vernieuwd worden van dag tot dag naarmate de uitwendige verbroken wordt. In de liefde, die bij het geloof behoort gevoegd te zijn, die daardoor werkt, die daarin moet openbaar worden, liefde tot God en de mensen, en gezond daarin. Het moet oprechte liefde zijn, zonder geveinsdheid, liefde tot God om zijns zelfs wil, liefde tot de mensen om Gods wil. De plichten van de tweede tafel moeten vervuld worden door kracht van die der eerste, liefde tot de mensen als naasten en tot de heiligen als de heerlijken der aarde, in wie al onze lust is, en liefde ten allen tijde, in tegenspoed zowel als in voorspoed. Er moet ook in de liefde gezondheid zijn. En in de lijdzaamheid. Bejaarde mensen hebben neiging om knorrig, kribbig en hartstochtelijk te zijn, en moeten daarom op hun hoede zijn tegen zulke zwakheden en verzoekingen. Geloof, liefde en lijdzaamheid zijn de drie voornaamste Christelijke deugden, en gezondheid daarin is evangelische volmaaktheid. Er is verdraagzame lijdzaamheid en wachtende lijdzaamheid, beiden moeten betracht worden. Lijdzaamheid, die het kwade met geduld draagt, en lijdzaamheid, die het goede met geduld ontbeert, tot wij er voor geschikt zijn en het goed is voor ons. Weest navolgers van degenen, die door geloof en verdraagzaamheid de beloftenissen beërfd hebben. Dit over de oude mannen.
2. Aangaande de oude vrouwen. Deze moeten evenzo ingelicht en gewaarschuwd worden. Sommigen denken dat hier sprake is van de diaconessen, wier diensten grotendeels gevraagd werden voor het bezoeken der armen en het verzorgen der zieken, maar er is meer reden om het te nemen als gezegd over al de vrouwen, die den godsdienst belijden en bejaard zijn. Zij moeten in haar dracht zijn gelijk het den heiligen betaamt, beiden mannen en vrouwen moeten in hun kleding zijn gelijk het met hun godsdienst overeenkomt. De hiervoren vermelde deugden, nuchterheid, stemmigheid, voorzichtigheid, gezondheid in het geloof, in de liefde en in de lijdzaamheid, aanbevolen voor oude mannen, zijn niet alleen voor hen betamelijk, maar moeten door beide seksen betracht worden, door oude vrouwen zowel als door oude mannen. De vrouwen, zo goed als de mannen, moeten haar plicht horen en leren uit het Woord, daar is voor beide seksen slechts een weg ter zaligmaking, beiden moeten dezelfde dingen leren en betrachten als bejaarde lieden en Christenen, de deugden en plichten zijn dezelfde. De oude vrouwen insgelijks (dat is evenzeer als de mannen) dat zij in hare dracht zijn gelijk het den heiligen betaamt, zoals eigenaardig en betamelijk is voor heilige mensen, gelijk zij belijden te zijn en behoren te zijn, zij moeten een ernstig voorkomen in kleding en houding bewaren, in spreken en handelen, kortom in haar gehele gedrag, en dat wel uit een inwendig beginsel en uit gewoonte van heiligheid, dat te allen tijde het uitwendig gedrag moet beïnvloeden en regelen. Ofschoon er geen opzettelijk voorschrift bestaat en geen Schriftwoord kan aangevoerd worden, dat elk woord, elke blik, elke houding in het bijzonder regelt, toch zijn er algemene voorschriften, waarnaar alles behoort gedaan te worden, zoals: 1 Corinthiërs 10:31 :Doet het al ter ere Gods. En Filippenzen 4:8 :Al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat lieflijk is, al wat welluidt, zo er enige deugd is en zo er enige lof is, bedenkt dat. En hier wordt de regel en maatstaf voor het gedrag aangegeven door hetgeen al dan niet betamelijk is. Gene lasteressen, mê diaboloes, geen lasteressen of zaaisters van tweedracht, die haar naasten bekladden en achter den rug kwaad van hen spreken, een grote en zeer algemene zonde, niet alleen gaarne sprekende, maar gaarne kwaad sprekende van de mensen, en daardoor vrienden van elkaar scheidende. Een lasteraar is iemand, wiens tong ontstoken wordt door de hel, zozeer doen zij des duivels werk dat hun naam hem gegeven wordt, waar hij de aanklager der broederen wordt genoemd. Zich niet tot veel wijns begevende, dit woord duidt mensen aan, die er zo op gesteld zijn, dat zij geheel onder heerschappij van den wijn geraken. Dat is een groot kwaad in ieder, maar voornamelijk in bejaarde vrouwen, doch het werd niet zelden gevonden onder de Grieken van dien tijd en die plaats. Hoe onzedelijk en schaamteloos, beide lichaam en ziel bedervende en ontreinigende! Welk een slecht voorbeeld en hoe verkeerden invloed oefenen zulke vrouwen uit, geheel het tegenovergestelde van hetgeen van haar verlangd wordt in hetgeen volgt: leraressen van het goede te zijn! Geen openbare predikers, dat is verboden, 1 Corinthiërs 14:34 :Ik sta de vrouwen niet toe in de gemeente te spreken. Maar op andere wijze kunnen en moeten zij onderwijzen, door haar voorbeeld en goeden wandel. Merk hier op: Zij, wier handelingen en gedrag met heiligheid overeenstemmen, zijn daardoor leraressen van goede dingen, en daarbij kunnen en moeten zij door bijzonder onderricht tehuis en in besloten kring onderwijzen: De woorden van den koning Lemuel, de last waarmee zijne moeder hem onderwees, Spreuken 31:1. Zulk een vrouw wordt geprezen.
Zij doet haren mond open met wijsheid, en op haar tong is leer der goeddadigheid, Spreuken 31:26. Leraressen van het goede zijn het tegenovergestelde van leraressen van het kwade, of van hetgeen beuzelachtig en ijdel is, hetgeen geen goede strekking heeft, van oudwijfse fabelen, bijgelovigheden en menselijke verzinsels. Haar werk is het tegenovergestelde daarvan en daarom mogen zij leraressen van het goede heten.
3. Hier zijn lessen voor de jonge vrouwen, welke de oude vrouwen haar moeten leren door haar te onderwijzen en raad te geven in, de plichten van den godsdienst, overeenkomstig haar leeftijd. Zulk onderricht wordt dikwijls van bejaarde vrouwen beter aangenomen dan van mannen, zelfs dan van dienaren, de bejaarde vrouwen moesten derhalve zich toeleggen op het onderrichten van de jonge vrouwen, voornamelijk van de getrouwde jonge vrouwen: want hij spreekt van haar plichten jegens echtgenoten en kinderen. De oude vrouwen moeten deze jonge vrouwen leren:
A. Zich persoonlijk goed te gedragen: voorzichtig te zijn, het tegenovergestelde van de ijdelheid en losheid, die der jeugd eigen zijn, voorzichtig in haar oordeel en kalm in aandoeningen en gedrag. Voorzichtigheid en kuisheid behoren bij elkaar, menigeen stelt zich aan de zwaarste verzoekingen bloot, die hadden voorkomen kunnen worden indien men in den aanvang wat voorzichtiger geweest was. De bedachtzaamheid zal over u de wacht houden, de verstandigheid zal u behoeden, Spreuken 2:11.
Kuisheid en het huis bewaren zijn samengevoegd. Toen Dina uitging om de dochters des lands te bezien, verloor ze haar kuisheid. Het is te vrezen dat zij, die haar huis als een soort van gevangenis beschouwt, haar kuisheid als een keten voelt. Er zijn-en er mogen ook zijn- gelegenheden om buitenshuis te komen, maar de begeerte naar vermaak en veel gezelschap, met verwaarlozing van de huiselijke werkzaamheden, en een gevoel van onrust wanneer zij thuis is, wordt hier bedoeld als het kwaad, dat tegenover "het huis bewaren" staat, en dat gewoonlijk vergezeld gaat met, of gevolgd wordt door, andere slechte dingen. En meteen ook leren zij ledig omgaan bij de huizen, en zijn niet alleen ledig, maar ook klapachtig, en ijdele dingen doende, sprekende hetgeen niet betaamt, 1 Timotheus 5:13. Haar werk is het huis te bewaren, en zij moeten den vijanden geen aanleiding geven om kwaad van haar te spreken. Goed te zijn, in het algemeen het tegenovergestelde van kwaad te zijn, en in het bijzonder, in haar kring, vriendelijk, hulpvaardig en liefderijk te zijn, als Dorkas, vol van goede werken en aalmoezen. Het kan ook, zoals sommigen menen, de meer bepaalde betekenis hebben van een zacht en teder gemoed te hebben, niet gemelijk en bitter, niet vitziek en kribbig en twistmakend en iedereen berispend, niet van prikkelbare geaardheid, zich zelve en ieder ander tot last, maar van goeden, aangenamen omgang, en hulpvaardig in raad en werk. Zij bouwt haar huis, en doet haar man goed en geen kwaad, al de dagen haars levens. In haar persoonlijk karakter moet zij dus zijn voorzichtig, matig, kuis, het huis bewarende en goed. B. Tegenover haar gezin: Hare mannen lief te hebben en haar eigen mannen onderdanig te zijn. Waar liefde is zal dit geen zwaar gebod zijn. God heeft in de natuur, en door Zijn wil, deze onderdanigheid geboden. Ik wil niet dat de vrouw over den man heerse, 1 Timotheus 2:12. En de reden is er bijgevoegd: Want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva. En Adam is niet verleid, maar de vrouw, verleid zijnde, is in overtreding geweest, vers 13, 14. Zij viel het eerst en was de oorzaak voor den val haars mans. Zij was gegeven tot een hulpe tegenover hem, en werd hem de grievendste aanstoot, het werktuig voor zijn val en ondergang, en daarom werd de band van onderwerping vaster om haar gelegd, Genesis 3:16 :Tot uw man zal uwe begeerte zijn en hij zal over u heersen, hetgeen u moeilijker kan zijn dan vroeger. Het is daarom dubbel genoemd: eerst in den staat der onschuld, toen was er een natuurlijke ondergeschiktheid, want Adam was eerst gemaakt en daarna Eva, en de vrouw was uit den man genomen, en daarna na den val, want de vrouw was eerst in overtreding en verleidde den man. Toen begon een onderwerping, die niet zo gemakkelijk en weldoend was, maar een gevolg, een straf van haar zonde. Doch in Christus werd het een geheiligde toestand, Efeziërs 5:22, 23: Gij vrouwen, weest aan uw eigen mannen onderdanig gelijk den Heere (als erkennende in hen het gezag van Christus, wiens beeld zij dragen), want de man is het hoofd der vrouw, gelijk ook Christus het hoofd der gemeente is, en Hij is de behouder des lichaams. God wilde dat het gezag over de gemeente een beeld zou hebben in het gezag van den man over zijne vrouw. Christus is het hoofd der gemeente, om haar te beschermen en zalig te maken, haar met alles goeds te verzorgen, en haar te beveiligen tegen en te verlossen van alle kwaad. En zo staat de man over zijne vrouw, die hij naar zijn vermogen vrijwaart van beledigingen en voorziet van al wat haar nuttig is. Daarom, gelijk de gemeente aan Christus onderdanig is, moeten de vrouwen haar eigen mannen onderdanig zijn, gelijk het betaamt in den Heere, Colossenzen 3:18, gelijk overeenkomt met de wet van Christus en strekt tot ere van Hem en den Vader. Het is dus geen onbeperkte, volstrekte, slaafse onderdanigheid, die geëist wordt, maar een onderwerping uit liefde, om wanorde en verwarring te voorkomen, en om het doel van de betrekking des te beter te bereiken. Daarom moet de huisvrouwen, in betrekking tot haar echtgenoten, geleerd worden hoe haar verplichting vordert, dat zij zich in liefde aan hem onderwerpen.
Hare kinderen lief te hebben, niet alleen met de natuurlijke liefde, maar met geestelijke liefde, liefde die ontspringt uit een geheiligd hart en bestuurd wordt door het Woord, geen vertroetelende, dwaze liefde, die het kwade in hen duldt, de nodige terechtwijzing en bestraffing verzuimt, maar een geregelde Christelijke liefde, die zich openbaart in een godvruchtige opvoeding, waardoor hun leven en gedrag goed gevormd worden, die voor hun zielen evenzeer zorg draagt als voor hun lichamen, voor hun geestelijk welzijn zo goed als voor hun aardse belangen, en zelfs voor de eerste in de voornaamste plaats. De reden daarvoor wordt er bijgevoegd: Opdat het woord Gods niet gelasterd worde. Gebreken in de huiselijke betrekkingen dienen zeer tot lastering van het Christendom. "Wat zijn dezen door hun nieuwen godsdienst beter dan anderen?, zouden de ongelovigen al spoedig vragen. Het Woord van God en het Evangelie van Christus zijn zuiver, uitnemend, heerlijk in zich zelven, en hun uitnemendheid moet te voorschijn komen en getoond worden in leven en wandel van hun belijders, voornamelijk in hun huiselijke betrekkingen. Gebreken daarin brengen grote oneer, Romeinen 2:24 :Om uwentwil wordt de naam van God onder de heidenen gelasterd. Zij zijn gereed om te zeggen: "Welk een God dat is. kan men zien aan Zijn dienaren, en wat Zijn woord, Zijn leer en Zijn dienst zijn, tonen deze belijders!" Zo wordt Christus gewond in het huis Zijner liefhebbers. Zover over de plichten der jonge vrouwen. 4. De verplichting der jonge mannen. Die zijn geneigd om vurig en voortvarend te zijn, gedachteloos en roekeloos, daarom moeten zij ernstig vermaand worden om kalm te zijn, niet ras, naar raad te luisteren en zich te schikken, niet eigenwillig en koppig te zijn, nederig en zacht, niet hooghartig en trots, want er zijn meer jonge mannen door hoogmoed ten val gebracht dan door enige andere zonde. De jonge mannen moeten deftig en degelijk zijn in gedrag en manieren, zij moeten den ernst van rijper leeftijd voegen bij de levenskracht en den levensmoed der jeugd. Dat zal maken dat de jonge jaren goed besteed worden, en dat men er met gerustheid op kan terugzien wanneer de kwade dagen komen, het zal van veel zonde en leed terughouden, en den grond leggen om veel goeds te doen en te genieten. Men zal zich in het einde niet beklagen, maar vrede en troost in het sterven hebben en daarna de kroon der heerlijkheid beërven.
5. Aan deze voorschriften hoe Titus anderen-oude mannen en vrouwen, jonge getrouwde vrouwen en mannen, moet onderwijzen, voegt Paulus voor hemzelf (waarschijnlijk was hij toen nog een jonge man) enig bestier. Hij kon niet verwachten, dat hij anderen met goed gevolg zou onderwijzen, indien hijzelf zich niet in wandel en prediking goed gedroeg.
A. Voor zijn gedrag ontving hij deze aanwijzing: Betoon uzelven in alles een voorbeeld van goede werken, vers 7. Zonder dat zou hij met de andere hand afbreken wat hij met de ene bouwde. De verkondigers van goede werken moeten ze zelf ook verrichten, goede leer en goed leven moeten samengaan. Gij, die een ander leert, leert gij uzelven niet? Een gebrek in dit opzicht geeft veel lastering en groten aanstoot. In alles, sommigen lezen: voor alles, of voor allen. Anderen in bijzonderheden op hun plicht wijzen, is nodig, maar boven alles gaat het voorbeeld, en vooral dat van den leraar is nodig, dan alleen gaan voorlichting en invloed samen. Laat hen in uw leven een duidelijk voorbeeld zien van de deugden, die zij moeten tonen. Het voorbeeld onderwijst niet alleen de geleerde dingen, maar prent ze in het geheugen, indien zij reinheid en stemmigheid, matigheid en goedheid in u zien, zullen zij daarvoor des te gemakkelijker zelf gewonnen worden, zij moeten godvrezend en heilig, matig en rechtvaardig kunnen worden zoals gij zelf zijt. Dienaren moeten voorbeelden der kudde zijn, en de gemeente hun navolgers, gelijk zij van Christus. En nu volgt het voorschrift:
B. Voor zijn leer en onderwijs zowel als voor zijn leven. In de leer onvervalstheid, deftigheid, oprechtheid, het woord gezond en onverwerpelijk, vers 7, 8. Het moet duidelijk worden dat het doel van zijne prediking alleen de ere Gods was, en het belang van Christus en diens koninkrijk, en het welzijn en geluk der zielen, dat hij deze bediening niet had aanvaard of gebruikt om geldelijk voordeel, niet uit eerzucht of gierigheid, maar met het zuivere doel van bevordering van deze geestelijke instelling. In zijne prediking moest hij dus niet door fraaie woorden of schone zinnen trachten indruk te maken, ook niet door menselijke geleerdheid of welsprekendheid, maar gezonde taal moest gebruikt worden, die onverwerpelijk was, schriftuurlijke taal voor de mededeling van schriftuurlijke waarheden. Dat is gezonde, onverwerpelijke leer. Wij hebben meer dan eens deze plichten van den dienaar uiteengezet, 1 Timotheus 4:16 :Heb acht op uzelven en op de leer, en vers 12 van hetzelfde hoofdstuk: Niemand verachte uwe jonkheid, maar wees een voorbeeld der gelovigen in leer, enz., in uw woord, als een Christen, wees stemmig, ernstig en opbouwend, laat uw prediking het zuivere Woord Gods zijn en wat daarmee in overeenstemming is, en er op gegrond is. Wees dus een voorbeeld in woord en in gedrag, laat uw leven met uwe leer overeenkomen. Zodoende zult gij èn uzelven behouden èn die u horen. In 2 Timotheus 3:3 :Gij hebt achtervolgd mijne leer en wijze van doen (zegt dezelfde apostel), gij weet hoe aannemelijk die zijn. En zo moet het met anderen ook zijn, hun leer moet overeenkomen met hun leven, en hun leven met hun leer. Dan zijn zij goede en getrouwe dienaren. Nacht en dag arbeidende, opdat wij u niet lastig zouden zijn, hebben wij het Evangelie van God onder u gepredikt. Gij zijt getuigen en God, hoe heilig en rechtvaardig en onberispelijk wij u, die gelooft, geweest zijn, 1 Thessalonicenzen 2:9, 10. Daar moeten de dienaren naar streven, zoals de volgende woorden aantonen, die bevatten:
C. De reden, zowel voor de onberispelijkheid van het leven van den dienaar als voor den ernst en de gezondheid van zijn prediking.
Opdat degene, die daartegen is, beschaamd worde en niets kwaads van ulieden hebbe te zeggen, vers 8. Tegenstanders zullen misschien gelegenheid zoeken om aanmerking te maken, en zullen het zeker doen wanneer zij iets verkeerds in leven of leer bemerken, maar indien beide recht en goed zijn, kunnen zulke dienaren den laster beschamen. Er zal niets met reden aan te merken zijn, en dus zal de laster beschaamd worden over zijn tegenstand. Getrouwe dienaren zullen ondervinden dat vijanden op hun gedrag letten, die zullen trachten fouten te vinden in hun leer of wandel, des te meer reden hebben zij om op zich zelven toe te zien, opdat geen wettige oorzaak tegen hen gevonden worde. Aan tegenstand en laster kan men niet altijd ontkomen, mensen met bedorven zinnen zullen de waarheid tegenstaan, en dikwijls de verkondigers en belijders van de waarheid verwijtingen doen. Maar dezen moeten door weldoen de onwetendheid der dwaze mensen tot zwijgen brengen, opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij uit de goede werken, die zij in u zien, God verheerlijken mogen in den dag der bezoeking, 1 Petrus 2:12. Dit is de regel voor Titus zelf, en de plicht van alle vrijen onder hen, mannen en vrouwen, ouden en jongen. Nu volgen:
6. De besturingen voor de dienstbaren. Dienstbaren mogen niet menen, dat hun lage en geringe staat hen plaatst beneden Gods waarneming of de onderhouding van Zijn wetten, dat zij, omdat ze dienstknechten van mensen zijn, ontslagen zijn van het dienen van God. Neen, de dienstknechten moeten hun plichten jegens hun aardse meesters weten en doen, maar met het oog op hun hemelsen Meester. En Titus had hen niet alleen te onderrichten en te waarschuwen in de openbare prediking, maar ook in afzonderlijke gesprekken. Hij moest niet alleen den aardsen meesters hun roeping voorhouden, maar ook de dienstknechten hun plicht leren. Dienstknechten moeten, niet minder dan hun meesters, tot hun eigen vorming en vertroosting Gods verordeningen naleven. In deze bestiering van Titus zijn de plichten zelf opgenoemd, waartoe hij de dienstknechten moet vermanen, maar ook de gewichtige beweegreden, waarmee hij er bij hen op moest aandringen.
A. De plichten zelf zijn deze:
a. Zij moeten hun eigenen heren onderdanig zijn, vers 9. Dat is de voornaamste plicht, die al de andere kenmerkt. Gij zijt dienstknechten desgenen, dien gij gehoorzaamt, Romeinen 6:16. Er moet zijn inwendige onderwerping en verschuldigde achting en eerbied in de gedachten.
Ben ik een heere, waar is mijn vreze? de verschuldigde achting voor mij, gepaard aan de betamelijke uitwendige tekenen en openbaring daarvan, in het doen van hetgeen ik u beveel? Die moet in de dienstknechten zijn, hun wil moet onderworpen zijn aan den wil huns meesters, hun tijd en arbeidskracht moeten ter beschikking van huns meesters bevel staan. Gij huisknechten, zijt met alle vreze onderdanig den heren, niet alleen den goeden en bescheidenen, maar ook den harden, 1 Petrus 2:18. Die plicht vindt zijn oorsprong in den wil van God en in de betrekking, waarin Zijne voorzienigheid hen geplaatst heeft, niet in de hoedanigheid van den persoon. Indien hij een meester is, dan zijn hem als zodanig de plichten van een dienstknecht verschuldigd. Dienstknechten moeten daarom vermaand worden tot gehoorzaamheid aan hun meesters.
b. Dat zij in alles welbehaaglijk zijn, in alle geoorloofde dingen, en zulke als waarin de meesters hun bevelen mogen, in elk geval zulke als niet strijdende tegen den wil van hun groten en oppersten Heere. Wij moeten hier niet uit opmaken, dat zij hen onvoorwaardelijk moeten gehoorzamen en behagen, zonder enige beperking, maar altijd onder voorbehoud van Gods rechten, waarop in geen geval inbreuk mag gemaakt worden. Indien Zijn gebod en dat van den aardsen meester met elkaar in botsing komen, wordt ons geleerd dat wij Gode meer moeten gehoorzamen dan den mensen, maar dan moeten dienstknechten dat doen op goede gronden, zodat er geen twijfel mogelijk is, anders zijn zij niet te verontschuldigen. En de wil van God moet niet alleen de maatstaf van de gehoorzaamheid der dienstknechten zijn, maar hij is er ook de reden voor. Alles moet gedaan worden uit eerbied voor Hem, krachtens Zijn gezag, en in de eerste plaats en in hoofdzaak om Hem te behagen, Colossenzen 3:22-24. Door het dienen van den aardsen meester om Christus' wil wordt Hij gediend, en bijgevolg zal dat door Hem ook beloond worden. Doch hoe kunnen dienstknechten hun meesters in alles behagen, en toch geen mensen behagers zijn? Mensen behagers in den slechten zin van het woord zijn zij, die alleen, of voornamelijk, mensen naar de ogen zien in al wat zij doen, en er God buiten laten of Hem aan den mens onderschikken. Zij, die den wil van den mens volbrengen, ofschoon die tegen Gods wil ingaat, die meer er op letten om den mens dan om God te behagen, die, als dit door den aardsen meester geëist wordt, hem behagen ofschoon het God mishaagt, en die er meer voor zorgen dat de aardse meester, dan dat God tevreden is. Tegen zulk zondig mensen behagen moeten allen op hun hoede zijn. Gij dienstknechten, zijt gehoorzaam uwen heren naar het vlees, met vreze en beven, in eenvoudigheid des harten, gelijk als aan Christus, niet naar ogendienst als mensen behagers, maar als dienstknechten van Christus, doende den wil van God van harte, dienende met goedwilligheid den Heere, en niet de mensen, Efeze 6:5-7. Dient niet als zij, die alleen letten op de gunst of de ongenade van mensen, of die daar in de eerste plaats op letten. Bewijst de diensten niet voornamelijk aan de mensen, maar aan Christus, die ze van u eist, en die ieder het goede, dat hij gedaan heeft, zal belonen, hetzij dienstknecht, hetzij vrije. Merk hier dus op: De Christelijke vrijheid gaat zeer wel samen met maatschappelijke dienstbaarheid en onderwerping. Men kan mensen dienen en toch dienstknechten van Christus zijn, dat staat er niet tegenover, maar is er aan ondergeschikt, in zoverre als het dienen van mensen overeenkomstig den wil van Christus is en om Zijnentwil geschiedt. Christus kwam niet om de maatschappelijke orde en standsverschillen te vernietigen of te benadelen. Zijt gij, een dienstknecht zijnde, geroepen, laat u dat niet bekommeren, 1 Corinthiërs 7:21. Laat dat u niet verontrusten, alsof dat een stand ware een Christen onwaardig, en ook niet alsof een zo geroepen persoon Gode minder aangenaam zou zijn, die in den Heere geroepen is, een dienstknecht zijnde, die is een vrijgelatene des Heeren, niet vrij van dien dienst, maar vrij daarin, geestelijk vrij, ofschoon niet maatschappelijk. Desgelijks ook die, vrij zijnde, geroepen is, die is een dienstknecht van Christus, hij is aan Hem verbonden, al is hij maatschappelijk aan niemand onderworpen. Zodat gebondenen en vrijen allen een zijn in Christus. Dienstknechten moesten daarom niet bedroefd of bezorgd zijn over hun toestand, maar getrouw en gewillig in den stand, waarin God hen geplaatst had, en er naar trachten om hun meesters in alles welbehaaglijk te zijn. Het zou zwaar zijn onder een of anderen bozen Nabal te dienen, maar het moest zo goed mogelijk geschieden. c. Niet tegensprekende, hun meesters niet tegensprekende, of met hen redetwistende, of hun enig oneerbiedig en prikkelend antwoord gevende. Job beklaagde zich over zijn dienstknechten, dat hij hen riep en zij hem niet antwoordden, maar dat was op andere wijze zondig. Zulk zwijgen geeft verachting te kennen, maar hier bedoelt Paulus eerbiedig zwijgen, liever met nederig stilzwijgen een verwijt of een bestraffing aanhoren, dan bedaard of brutaal tegenwerpingen maken. Die zich van een overtreding bewust is, en haar dan nog vergoelijkt of rechtvaardigt, maakt haar dubbel zwaar. Toch sluit dit niet tegenspreken niet uit, dat men met een zacht antwoord den toorn zou kunnen afwenden, wanneer plaats en omstandigheden daartoe gunstig zijn. Goede en wijze meesters zullen bereid zijn daarnaar te luisteren en recht te doen. Maar een ontijdig antwoord, of een woord op ongepaste wijze, of aanmatigend en brutaal zijn wanneer de zaak geen verontschuldiging toelaat, toont een gebrek aan die nederigheid en zachtheid, welke door den stand van den dienstknecht geëist worden.
d. Niet onttrekkende, maar alle goede trouw bewijzende. Dat is een ander groot vereiste in goede dienstknechten: eerlijk zijn, nooit tot eigen gebruik nemen wat hun meester toebehoort, niet verspillen wat aan hun zorgen is toevertrouwd. Dat is onttrekken. Zij moeten rechtvaardig en trouw zijn, en voor huns meesters goed doen alsof het hun eigen ware. -Wie zijn vader of zijne moeder berooft en zegt: Het is gene overtreding, die is des verdervenden mans gezel, Spreuken 28:24, die is instaat om met dien man mede te doen. Die er zo gemakkelijk over denkt om meer te nemen dan recht is, al is het ook van zijne ouders of van zijn meester, zal waarschijnlijk zijn geweten wel verharden en verder gaan, het is slecht op zichzelf en het voert tot erger. Het kan zijn dat de meester hard en karig is en nauwelijks voldoende in den nooddruft zijner dienstknechten voorziet, toch mogen zij hun eigen rechters niet zijn en niet door diefstal zich zelven voorzien, zij moeten hun lot dragen en aan God overlaten hun zaak te rechten en hen te verzorgen. Ik heb hier niet het oog op uiterste gevallen, om in het leven te blijven, want de dienstknecht heeft een recht op hetgeen daarvoor nodig is. Niet onttrekkende, maar alle goede trouw bewijzende, hij moet niet alleen niet stelen en niet verkwisten, maar hij moet het goed zijns meesters verbeteren en zijn best doen om diens voorspoed te behartigen. Hij, die het talent zijns meesters niet gebruikt om er winst mede te doen, is schuldig aan ontrouw, al heeft hij het ook begraven om het niet te verliezen. De getrouwheid van een dienstknecht bestaat in de spoedige, stipte en goede uitvoering van de bevelen zijns meesters, het bewaren van zijn geheimen, het behartigen van zijn zaken en het uitvoeren met bekwaamheid, en het voordeel aanbrengen zoveel in zijn vermogen is. Hij moet voor het hem toevertrouwde zorgvuldig waken en zoveel hij kan alle verwaarlozing, verlies en schade voorkomen. Op die wijze brengt hij een zegen over zich zelven, door het tegenovergestelde berokkent hij dikwijls zich zelven nadeel. Zo gij in eens anders goed niet getrouw zijt geweest, wie zal u het uwe geven? Lukas 16:12. Dit zijn de plichten, waartoe de dienstknechten moesten aangespoord worden. Daarop volgt:
B. De overweging, waarmee Titus op de vervulling daarvan moest aandringen. Opdat zij de leer van God, onzen Zaligmaker, in alles mogen versieren, dat is, dat zij het Evangelie en den heiligen godsdienst van Christus aanbevelen mogen in de goede mening van hen, die buitenstaan, door hun zacht, nederig, gehoorzaam en getrouw gedrag in alle dingen. Zelfs dienstknechten, ofschoon zij wellicht denken dat zij in hun nederen en ondergeschikten stand weinig kunnen bijdragen tot de eer van het Christendom of de leer van Christus kunnen versieren en de uitnemendheid van Zijn waarheid en wegen bekend maken, kunnen wanneer zij getrouw hun plicht vervullen, de heerlijkheid Gods en de eer van den godsdienst bevorderen. De ongelovige meesters zullen beter gaan denken over dien verachten weg, die overal tegengesproken wordt, wanneer zij zien dat hun Christelijke dienstknechten beter zijn dan de andere, gehoorzamer, onderworpener, getrouwer, eerlijker en ijveriger. De ware godsdienst is een eer voor zijn belijders, en die moeten zorgen dat zij hem geen oneer aandoen, maar veeleer zoveel in hen is, versieren. Ons licht moet schijnen voor de mensen, opdat zij onze goede werken mogen zien en onzen Vader, die in de hemelen is, verheerlijken. En daarom gaf Paulus aan Titus deze verschillende bevelen aan de onderscheidene personen, die hij te bedienen had.