Spreuken 23:6-8
Zij, die weelderig en gulzig van aard zijn, vers 2, zijn blij ergens te wezen, waar goede sier wordt gemaakt, en zij, die geldgierig en schraapzuchtig zijn, zullen blij wezen om aan eens anders tafel te middagmalen, ten einde thuis te kunnen sparen, en daarom wordt hier aan beide geraden, om niet voortdurend te zijn in het aannemen van ieders uitnodiging, maar inzonderheid om zich niet ergens binnen te dringen zonder genodigd te zijn.
Merk op:
1. Er zijn lieden, die beweren hun vrienden welkom te heten, maar het niet van harte en in oprechtheid doen. Zij weten schone woorden te spreken, neem en drink, zegt hij omdat men verwacht dat hij, die het feestmaal aanricht, deze beleefdheid aan zijn gasten zal bewijzen, maar zij zijn boos van oog en misgunnen hun gasten ieder brokje, dat zij eten inzonderheid als zij goede eters zijn. Zij willen de schijn van gulhartige vrijgevigheid hebben in het aanrichten van het feestmaal, en zij willen er de eer van hebben, maar zij hebben zo veel liefde voor hun geld en zo weinig liefde voor hun vrienden, dat zij er het genot niet van kunnen smaken, zij zelf noch hun vrienden genieten ervan. Het feestmaal van de gierigaard is een penitentie voor hem. Als iemand zo zelfzuchtig en vrekkig is, dat hij het niet van zich kan verkrijgen om zijn vrienden welkom te heten aan hetgeen hij heeft, dan moet hij daar niet nog de schuld van veinzerij aan toevoegen door hen uit te nodigen, laat hem zich doen kennen voor wat hij is, opdat de dwaas niet meer milddadig zal genoemd worden, en de gierige niet meer mild zal genoemd worden, Jesaja 32:5.
2. Het kan iemand geen genoegen geven om een uitnodiging aan te nemen, die met weerzin wordt gegeven. Neem het brood niet van zo iemand, laat hem het voor zich houden, wees geen tafelschuimer bij hen, die milddadig zijn wees niemand tot last, maar inzonderheid moet gij het verachten, om iets verplicht te zijn aan hen, die armzalig zijn en niet oprecht zijn. Beter is een gerecht van groen moes en een oprecht, hartelijk welkom, Daarom:
a. Beoordeel de man naar zijn gezindheid. Gij denkt hem uw achting te bewijzen als een vriend daar houdt gij hem voor omdat hij schone woorden spreekt, maar gelijk hij denkt in zijn hart, zo is hij, niet zoals hij spreekt met zijn tong. Wij zijn beide voor God en de mensen werkelijk datgene, wat wij inwendig zijn, en noch Godsdienst noch vriendschap heeft enigerlei waardij, dan in zoverre zij oprecht zijn.
b. Beoordeel de spijze naar dat zij u bekomt. Hij nodigt u om vrijelijk te eten, maar vroeg of laat zal hij zijn gierige, armzalige aard tonen, want gelijk hij bedacht heeft in zijn ziel, zo zal hij er uitzien, en u geven te verstaan dat gij niet welkom zijt, en dan zult gij de bete, die gij gegeten hebt, uitspuwen, zelfs de gedachte er aan zal u wat gij gegeten hebt doen uitspuwen, en u de woorden doen inslikken, die gij tot hem gesproken hebt in antwoord op zijn plichtplegingen, hem dank zeggende voor zijn beleefdheid, en gij zult uw lieflijke woorden verliezen, die hij u gegeven heeft en die gij hem gegeven hebt.