Genesis 16:4-6
Wij hebben hier de onmiddellijke slechte gevolgen van Abrams ongelukkig huwelijk met Hagar, snel heeft het veel kwaad veroorzaakt. Indien wij niet wèl doen, liggen zowel zonde als moeite en verdriet aan de deur, en de schuld en smart, die er voor ons op volgen als wij uit de weg gaan voor onze plicht, hebben wij aan onszelf te wijten. Zie er een voorbeeld van in deze geschiedenis.
I. Sarai wordt veracht, en hierdoor tot toorn geprikkeld, vers 4. Niet zodra bemerkte Hagar dat zij zwanger was van haar meester, of zij ziet met minachting op haar meesteres, verwijt haar misschien haar onvruchtbaarheid, juicht en triomfeert over haar, om haar te vergrimmen, zoals 1 Samuël 1:6, en beroemt zich op het vooruitzicht van aan Abram een erfgenaam te geven voor het goede land en voor de belofte. Zij vindt zich nu een betere vrouw dan Sarai, meer begunstigd door de hemel, en waarschijnlijk nu ook meer bemind door Abram en daarom zal zij niet voortgaan zoals tot nu toe. Als personen van een lage, slaafse geest bevorderd worden, hetzij door God of de mens, worden zij allicht hoogmoedig en onbeschoft, en vergeten dan hun plaats en hun oorsprong. Zie Spreuken 29:21, 30:21-23. - Het is moeilijk om eer en aanzien op de rechte wijze te dragen.
2. Wij lijden rechtvaardig door hen, aan wie wij op zondige wijze hebben toegegeven en het is rechtvaardig van God om diegenen tot werktuigen te maken van ons verdriet, die wij tot werktuigen hebben gemaakt van onze zonde en ons te verstrikken in onze eigen boze beraadslaging. Deze steen zal terugkeren op hem, die hem wentelt.
II. Abram kan niet rustig zijn zolang Sarai verdrietig en uit haar humeur is. Zij spreekt hem aan met heftigheid, en is daarbij zeer onrechtvaardig, zij geeft hem de schuld van de haar aangedane belediging, vers 5. Mijn ongelijk is op u, met zeer onredelijke naijver hem verdenkende, dat hij Hagar had gesteund in haar onbeschoftheid, en als iemand, die niet wil horen naar hetgeen Abram te zeggen had om haar vergissing aan te tonen en zich te verontschuldigen, doet zij roekeloos een beroep op God: de Heere richte tussen mij en tussen u alsof Abram geweigerd had haar recht te doen. Zo gebeurt het, dat Sarai in haar drift als een der zottinnen spreekt. Het is een ongerijmdheid, waaraan driftige lieden zich dikwijls schuldig maken, dat zij anderen verwijten hetgeen hun eigen schuld is. Sarai kon niet anders dan erkennen, dat zij haar dienstmaagd aan Abram had gegeven, en toch roept zij: Mijn ongelijk is op u, terwijl zij had moeten zeggen: Welk een zottin was ik om te doen wat ik gedaan heb! Het is nooit een wijs gezegde, dat door hoogmoed en toorn is ingegeven, als de hartstocht op de troon is, is het verstand, de rede, buiten de deur, en wordt dan noch gehoord noch gesproken. Diegenen hebben niet altijd gelijk, die het luidst en het ijverigst zijn in hun beroep op God, roekeloze verwensingen zijn gewoonlijk blijken van schuld en van een slechte zaak.
III. Hagar wordt vernederd en er toe gedreven om het huis te verlaten, vers 6. Wij moeten hier letten op:
1. Abram's zachtmoedigheid, waarmee hij de zaak van de dienstmaagd Sarai in handen geeft want haar kwam het toe dit deel van de zaken van het huis te besturen. Uwe dienstmaagd is in uwe hand. Hoewel zij zijn vrouw was wilde hij haar toch niet steunen in iets, dat onbeleefd en oneerbiedig was tegenover Sarai voor wie hij dezelfde genegenheid bleef koesteren die hij altijd voor haar gehad heeft. Zij, die vrede en liefde willen bewaren, moeten op harde beschuldigingen een zacht antwoord geven, echtgenoten inzonderheid moeten het samen eens worden, en trachten niet beide tegelijk toornig te zijn, "toegeven, of zachtzinnigheid, stilt grote zonden," Prediker 10:4, zie ook Spreuken 15:1.
2. Sarai's hartstocht wil wraak op Hagar. Zij vernederde haar, door haar niet slechts haar gewone plaats aan te wijzen en haar het gewone werk te laten doen als een dienstmaagd, maar haar waarschijnlijk laten dienen met hardheid. God neemt kennis van en is misnoegd over, de harde behandeling, die hardvochtige meesters hun dienstboden laten ondergaan, zij behoren de dreiging na te laten, en met Job te denken: "Heeft niet Hij, die mij maakte, hem ook gemaakt? Job 31:15.
3. Hagars hoogmoed kan dit niet dragen haar trots hart is ongeduldig geworden onder bestraffing, zij vluchtte van haar aangezicht. Zij ontweek niet slechts haar toorn voor het ogenblik, zoals David Sauls toorn ontweek, maar zij verliet haar dienst en liep weg van het huis vergetende:
a. Welk een onrecht zij hierdoor deed aan haar meesteres, van wie zij de dienstmaagd was, en aan haar meester, van wie zij de vrouw was. Hoogmoed zal ternauwernood door enige band van plicht ten onder worden gehouden, ja niet door velen.
b. Dat zij zelf de toorn van haar meesteres had uitgelokt door haar te verachten. Zij, die lijden door hun eigen schuld, behoren hun lijden geduldig te dragen, 1 Petrus 2:20.