Lukas 19:1-10
Er zijn ongetwijfeld velen tot geloof in Christus bekeerd, van wie gene melding is gemaakt in de Evangeliën, maar de bekering van sommigen, waarbij iets buitengewoons viel op te merken, wordt verhaald, zoals hier die van Zacheus. Christus ging door Jericho, vers 1. Deze stad was gebouwd onder een vloek, maar Christus eerde haar door Zijne tegenwoordigheid, want het Evangelie neemt den vloek weg. Hoewel zij niet gebouwd had moeten worden, was het toch geen zonde om er in te wonen, toen zij gebouwd was. Christus ging nu van de overzijde der Jordaan naar Bethanië, bij Jeruzalem, om Lazarus op te wekken. Als Hij op weg was om een goed werk te doen, heeft Hij er altijd nog meerdere bij gedaan. Hij heeft zowel aan de ziel als aan het lichaam der mensen goed gedaan, hier hebben wij een voorbeeld van Zijn goed doen aan de ziel. Merk op:
I. Wie en wat deze Zacheus was. Zijn naam duidt hem aan als een Jood. Zaccai was een naam, die veel onder de Joden voorkwam, zij hadden omstreeks dien tijd een zeer vermaarden rabbi van dien naam. Merk op:
1. Zijn beroep en den post dien hij bekleedde: hij was een overste der tollenaren, ontvanger- generaal, andere tollenaars waren beambten onder hem, hij was, naar sommiger mening, pachter van de inkomende rechten. Wij lezen dikwijls van tollenaars, die tot Christus kwamen, maar hier was iemand, die een overste was der tollenaars, iemand met gezag bekleed, die naar Hem vroeg. God heeft Zijn overblijfsel onder alle standen en rangen. Christus is gekomen om ook zelfs den voornaamsten der zondaren te behouden, en daarom ook zelfs den voornaamsten der tollenaars.
2. Zijne omstandigheden in de wereld, hij was rijk. De mindere tollenaars waren gewoonlijk mensen van gering vermogen en lagen stand in de maatschappij, maar hij, die de overste der tollenaren was, had een groot vermogen bijeengegaard. Christus had onlangs aangetoond hoe moeilijk het is voor rijken om tot het koninkrijk Gods in te gaan, maar brengt nu terstond een voorbeeld bij van een rijke, die verloren was, maar gevonden is, zonder, gelijk de verloren zoon, eerst tot armoede en gebrek vervallen te zijn.
II. Hoe hij in den weg van Christus is gekomen, en wat de aanleiding was zijner bekendheid met Hem.
1. Hij wenste zeer Jezus te zien, te zien wat soort van mens Hij was, daar hij zoveel over Hem had horen spreken, vers 3. Het is natuurlijk voor ons om, indien wij kunnen, hen te gaan zien, wier roem tot onze oren is door- gedrongen, daar wij allicht geneigd zijn te denken dat er iets buitengewoons op hun gelaat is te lezen, en wij zullen dan later tenminste kunnen zeggen dat wij dezen of dien beroemden man gezien hebben. Maar het oog wordt niet verzadigd met zien. Wij behoren nu te trachten Jezus te zien met het oog des geloofs, te zien wie Hij is, wij moeten Hem zien in de heilige inzettingen, ons daartoe begeven met het verlangen in ons hart: Wij wilden Jezus zien.
2. Hij kon zijne nieuwsgierigheid niet bevredigen in deze zaak, omdat hij klein van persoon was, en de schare zeer talrijk. Christus heeft er zich niet op toegelegd om zich te vertonen, Hij werd niet op de schouderen der mensen gedragen) zoals de paus in processies) opdat iedereen Hem zou kunnen zien, noch Hij noch Zijn koninkrijk kwam met uiterlijk gelaat, dat is met praalvertoon. Hij reed niet in een open wagen, zoals vorsten, maar, als onzer een, verloor Hij zich in de menigte, want het was nu de tijd Zijner vernedering. Zacheus was klein van gestalte, al de hem omringenden staken boven hem uit, zodat hij Jezus niet te zien kon krijgen. Velen, die klein van gestalte zijn, hebben een grote ziel en zijn levendig van geest. Wie zou niet liever een Zacheus dan een Saul wezen, hoewel deze van zijne schouderen en opwaarts hoger was dan al het volk? Laat hen, die klein van gestalte zijn, niet bezorgd wezen om iets aan hun lengte toe te doen.
3. Omdat hij in zijne nieuwsgierigheid niet teleurgesteld wilde wezen, vergat hij zijne deftigheid als overste der tollenaren, en liep als een knaap vooruit en klom op een wilden vijgenboom, opdat hij Hem mocht zien. Zij, die in waarheid Jezus willen zien, zullen de geschikte middelen daartoe gebruiken en zich door vele en velerlei moeilijkheden en tegenstand een weg banen, want zij willen zich gaarne moeite getroosten om Hem te zien te krijgen. Zij, die zich klein bevinden moeten alle middelen aanwenden om zich op te heffen om Christus te kunnen zien, en zich niet schamen te erkennen dat zij die middelen nodig hebben. Laat geen dwerg wanhopen om met goede hulp door hoog te doelen hoog te reiken.
III. Hoe Christus hem opmerkte en hem riep tot nadere kennismaking, vers 5, en de krachtdadige uitwerking dier roeping, vers 6.
1. Christus nodigde zich zelven in het huis van Zacheus, niet twijfelende, of Hij zou er een hartelijk welkom vinden. Overal waar Christus komt brengt Hij Zijn eigen welkom mede, Hij opent het hart en neigt het om Hem te ontvangen. Christus zag op naar den boom, en zag Zacheus. Hij kwam om op Christus te zien en besloot goede nota van Hem te nemen, maar weinig dacht hij, dat Christus van hem nota zou nemen. Dat was een te grote eer, ver boven hetgeen hij verdiende, zodat de gedachte er aan niet eens bij hem kon opkomen. Zie, hoe Christus hem is voorgekomen met de zegeningen Zijner goedheid, en zijne verwachting heeft overtroffen, en zie hoe hij het zwakke begin aanmoedigde en voorwaarts hielp. Hij die zo gaarne Christus wilde kennen, zal van Hem gekend worden, hij, die slechts begeerde Hem te zien, zal toegelaten worden om met Hem te spreken. Aan hen, die in het weinige getrouw zijn, zal meer toevertrouwd worden. En soms zal het gebeuren dat van hen, die komen om het woord van Christus te horen uit blote nieuwsgierigheid, het geweten zal ontwaken en het hart veranderd zal worden. Christus noemde hem bij zijn naam, Zacheus, want Hij kent de Zijnen bij naam, zijn zij niet in Zijn register? Hij had, evenals Nathanaël, Johannes 1:49, kunnen vragen: Vanwaar kent Gij mij? Maar eer hij op den wilden vijgenboom klom, zag Christus hem en kende hem. Hij gebood hem zich te haasten en af te komen. Zij, die door Christus worden geroepen, moeten afkomen, zich verootmoedigen, en er niet aan denken om door hun eigen gerechtigheid tot den hemel te kunnen opklimmen, en zij moeten zich haasten om af te komen, want uitstel is gevaarlijk. Zacheus moet niet aarzelen, maar zich haasten, hij weet, dat het een zaak is, waarvoor geen rijp beraad nodig is, hij behoeft niet te overwegen of hij zulk een gast in zijn huis zal ontvangen. Hij moet afkomen, want Christus wil heden zich verversen in zijn huis, en er een paar uren met hem doorbrengen. Zie, Hij staat aan de deur, en hij klopt. Zacheus was in vervoering van vreugde over de eer, die aan zijn huis geschiedde, vers 6, hij haastte zich en kwam af, en ontving Hem met blijdschap, en dat hij Hem in zijn huis ontving was ene aanduiding, een teken, dat hij Hem ook in zijn hart ontving. Als Christus ons roept, moeten wij ons haasten Zijne roepstem te beantwoorden, en als Hij tot ons komt, moeten wij Hem met blijdschap ontvangen.
Heft uwe hoofden op, gij poorten. Wel mogen wij Hem met blijdschap ontvangen, die alle goed met zich brengt, en als Hij bezit neemt van de ziel, er fonteinen van blijdschap in opent, die springen zullen tot in het eeuwige leven. Hoe dikwijls heeft Christus tot ons gezegd: Doe Mij open, als wij gelijk de bruid ons verontschuldigden, Hooglied 5:2, 3. Zacheus' voortvarendheid om Christus te ontvangen zal ons beschaamd maken. Wij kunnen nu Christus niet onthalen in ons huis, maar wij hebben Zijne discipelen, en wat aan hen gedaan wordt, beschouwt Hij als aan Hem zelven gedaan.
IV. De ergernis des volks wegens deze vriendelijke begroeting tussen Christus en Zacheus. De enghartige, bedilzieke Joden murmureerden, zeggende: Hij is tot een zondigen man ingegaan, para hamartoolooi andri, en waren zij zelf dan geen zondige mensen? Was het niet Christus' boodschap in de wereld om te zoeken en zalig te maken mensen, die zondaars zijn? Maar zij vinden, dat Zacheus een zondaar is meer dan allen, die te Jericho waren, zulk een zondaar als met wie om te gaan ongepast is. Nu was het zeer onrechtvaardig Christus te laken wijl Hij naar zijn huis ging, want,
1. Hoewel hij een tollenaar was, en velen van de tollenaars inderdaad slechte mensen waren, volgde hier toch niet uit, dat alle tollenaars slecht waren. Wij moeten er ons voor wachten om mensen in massa te veroordelen, of hen te veroordelen wegens het algemeen gerucht over hen, want voor Gods rechterstoel zal een iegelijk geoordeeld worden naar dat hij persoonlijk is.
2. Hoewel hij een zondaar geweest is, volgt hier nog niet uit, dat hij nu nog even slecht is als tevoren, hoewel zij wisten dat zijn vroeger leven slecht was, zou Christus toch kunnen weten dat zijne gemoedsgesteldheid nu goed is. God geeft der bekering plaats, en dat moeten ook wij.
3. Ofschoon hij nu een zondaar was, behoren zij er toch Christus niet om te laken dat Hij tot hem ging, want Hij liep geen gevaar van kwaad op te doen van een zondaar, of door hem besmet te worden, maar wel kon Hij veel hoop koesteren van een zondaar goed te doen: waar anders behoort een arts heen te gaan dan naar een zieke? Zie echter hoe hetgeen goed gedaan is, verkeerd uitgelegd kan worden.
V. De bewijzen, door Zacheus in het openbaar gegeven, dat hij, hoewel hij een zondaar geweest is, thans echter een berouwhebbende, een wezenlijk-bekeerde zondaar is, vers 8. Hij denkt niet gerechtvaardigd te worden door zijne werken, zoals de Farizeeër, die zich beroemde op hetgeen hij gedaan had, maar door de genade Gods zal hij door zijn goede werken de oprechtheid tonen van zijn geloof en zijn berouw, en hier verklaart hij wat hij besloten is te doen. Hij legde deze verklaring af, staande, opdat hij gezien en gehoord zou worden door hen, die murmureerden, omdat Christus in zijn huis ging, met den mond doet men belijdenis van berouw, zowel als van geloof. Hij stond, hetgeen aanduidt, dat hij het welberaden en plechtig zei, naar den aard van een gelofte aan God. Hij wendde er zich mede tot Christus, niet tot het volk-zij waren zijne rechters niet-maar tot den Heere, hij stond, als het ware, voor Zijn rechterstoel. Wat wij goed doen, moeten wij als aan Hem doen, wij moeten ons op Hem beroepen, ons Hem behaaglijk maken in onze oprechtheid, in al onze goede voornemers en besluiten. Hij laat blijken dat er een verandering is in zijn hart -en dat is bekering- want er is een verandering in zijn wijze van leven en doen. Zijne besluiten hebben betrekking op de plichten van de tweede tafel der wet, want bij alle gelegenheden heeft Christus daar nadruk op gelegd, en zij zijn in overeenstemming met zijn staat en karakter, want daaruit zal het best de oprechtheid van ons berouw en onze bekering blijken.
1. Zacheus was een man van vermogen, en terwijl hij totnutoe slechts voor zich zelven schatten had verzameld, en er zich zelven schade mede toegebracht heeft, besluit hij nu voortaan alleen voor God te leven, en met zijn rijkdom goed te doen aan anderen. Zie, de helft van mijne goederen, Heere! geef ik den armen. Niet: "zal ik door mijn testament, als ik sterf, den armen geven", maar "ik geef het, geef het thans". Waarschijnlijk had hij gehoord van het proefgebod, dat Christus aan een ander rijk man had gegeven, namelijk alles wat hij had te verkopen en het den armen te geven, Mattheus 19:21, en hoe deze hierop met Christus gebroken heeft. "Dat zal ik niet", zegt Zacheus, "ik stem er geheel mede in. Hoewel ik totnutoe onbarmhartig geweest ben jegens de armen, zal ik hun nu te hulp komen, hun, daar ik dien plicht zolang verzuimd heb, nu des te meer geven, tot zelfs de helft van mijne goederen." Dat is een zeer ruim deel om tot werken der Godsvrucht en liefdadigheid af te zonderen. De Joden plachten te zeggen, dat een vijfde van iemands jaarlijks inkomen aan goede werken besteed, al zeer wel was, en een bedrag dat ook ongeveer door de wet werd geëist. Maar Zacheus wilde veel verder gaan, en de helft aan de armen geven, hetgeen hem zou verplichten om alle onnodige uitgaven te mijden, zodat zijne besparing hierop hem instaat zou stellen om velen te helpen uit hetgeen hem overtollig was. Indien wij slechts matiger waren, en meer zelfverloochening hadden, wij zouden ook liefdadiger zijn, en zo wij met minder voor ons zelven tevreden waren, wij zouden meer hebben om aan de behoeftigen te geven. Hij maakt hier melding van als van een vrucht zijner bekering. Wel betaamt het hun, die tot God bekeerd zijn, om barmhartig te wezen jegens de armen.
2. Zacheus was er zich wel van bewust, dat hij al wat hij bezat niet op wettige of billijke wijze had verkregen, maar deels door onwettige middelen, en hij belooft om wat hij op die wijze had verkregen terug te geven. "Indien ik iemand iets door bedrog (of door vals aangeven) ontvreemd heb, of iemand verongelijkt heb door mijn ambt als tollenaar, meer van hem eisende dan hetgeen door de wet was vastgesteld, dan beloof ik het hem vierdubbel weer te geven." Dat was de restitutie, of teruggave, waartoe een dief verplicht werd, Exodus 22:1. Hij schijnt duidelijk te erkennen, dat hij onrecht gepleegd heeft. Zijn ambt van tollenaar bood hem gelegenheid om onrecht te doen, kooplieden door bedrog geld af te persen, ten einde daardoor de gunst der regering voor zich te winnen. Ware boetvaardigen zullen zich niet slechts in het algemeen schuldig erkennen voor God maar in het bijzonder hun eigen ongerechtigheid in het licht stellen, die welke hen in hun ambt of beroep lichtelijk omringt, en waaraan zij zich hebben schuldig gemaakt. Dat hij onrecht gedaan had door valse beschuldiging, dat was de verzoeking, waaraan de tollenaars waren blootgesteld, en waartegen Johannes de Doper hen inzonderheid had gewaarschuwd, Hoofdstuk 3:14. Zij hadden het oor der regering, en alles werd uitgelegd ten gunste van de inkomsten van den staat, hetgeen hun de gelegenheid gaf om, zo zij iemand een kwaad hart toedroegen, aan hun wraaklust te voldoen. Hij belooft, als hij iemand benadeeld had, het hem viervoudig te vergoeden, in zover hij zich het toegebrachte nadeel kon herinneren, of uit zijne boeken kon ontdekken. Hij zegt niet: "Als mij een proces wordt aangedaan en ik genoodzaakt word tot schadevergoeding (sommigen zijn eerlijk, als zij niet anders kunnen), maar hij zal het vrijwillig, uit eigen beweging doen. Zij, die er van overtuigd zijn onrecht gedaan te hebben, kunnen de oprechtheid van hun leedwezen er over niet anders tonen, dan door vergoeding te doen. Hij denkt niet dat zijn geven van de helft zijner goederen aan de armen het onrecht zal vergoeden, dat hij gedaan heeft. God haat den roof in het brandoffer, en wij moeten eerst recht doen, en dan weldadigheid liefhebben. Het is geen liefdadigheid, maar geveinsdheid, om te geven hetgeen ons niet toebehoort, en wij moeten datgene niet als het onze beschouwen, waaraan wij niet op een eerlijke wijze gekomen zijn, noch datgene, hetwelk het onze niet is, als wij al onze schulden betaald en rechtmatige vergoeding voor onrecht gedaan hebben. VI. Christus' goedkeuring en aanneming van Zacheus' bekering, waardoor Hij zich tevens rechtvaardigde wegens zijn ingaan in zijn huis als gast, vers 9, 10.
1. Zacheus wordt nu verklaard een gelukkig mens te zijn. Hij is bekeerd van de zonde tot God, hij heeft Christus welkom geheten in zijn huis, hij is een eerlijk, liefdadig, vroom man geworden: Heden is dezen huize zaligheid geschied. Nu hij bekeerd is, is hij in waarheid zalig, behouden, zalig gemaakt van zijne zonden, van de schuld dier zonden, van de macht dier zonden, al de voorrechten en weldaden der zaligheid, der behoudenis, zijn zijn deel. Christus is in zijn huis gekomen, en waar Christus komt, brengt Hij zaligheid met zich. Hij is, en zal zijn, de oorzaak der eeuwige zaligheid voor allen, die Hem erkennen, zoals Zacheus Hem erkend heeft. Maar dat is niet alles. Heden is dezen huize zaligheid geschied. Als Zacheus bekeerd is, dan zal hij meer dan hij ooit geweest is, een zegen wezen voor zijn huis. Hij zal de middelen der genade en des heils tot zijn huis brengen, want nu is hij in waarheid een zoon van Abraham, en daarom zal hij, evenals Abraham, zijn huis bevelen den weg des Heeren te houden. Die met kwade gierigheid giert voor zijn huis, brengt er een vloek over, Habakuk 2:9, maar hij, die barmhartig is voor de armen, bewijst vriendelijkheid aan zijn eigen huis en brengt er zegen en heil over, voor het tijdelijke tenminste, Psalm 112:3.. Als Zacheus zelf tot Christus gebracht is, komt ook zijn gezin met Christus in betrekking, en zijne kinderen worden toegelaten als leden Zijner kerk, en aldus geschiedt dezen huize zaligheid, omdat hij een zoon is van Abraham, en daarom deelheeft in Gods verbond met Abraham, dien zegen van Abraham, die tot de tollenaren komt, en tot de heidenen door het geloof, dat God hun en hunnen kinderen een God zal zijn, en daarom, als hij gelooft, geschiedt zijnen huize zaligheid, evenals aan het huis van den stokbewaarder, tot wie gezegd werd: Geloof in den Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden, gij en uw huis, Handelingen 16:31. Zacheus is van geboorte een zoon van Abraham, maar, een tollenaar zijnde, wordt hij geacht een heiden te zijn. Heidenen en tollenaren worden gelijk gesteld, Mattheus 18:17. En als zodanig meden de Joden allen omgang met hem, en zij verwachtten dat Christus dit ook zou doen, maar Hij toont dat Zacheus een oprecht-berouwhebbende zijnde, rectus in curia, is geworden, een evengoed zoon van Abraham is, alsof hij nooit een tollenaar was geweest, hetgeen hem dus niet meer verweten mag worden.
2. Wat Christus gedaan had om hem inzonderheid tot een gelukkig, een zalig mens te maken, was in overeenstemming met het grote doel, waartoe Hij in de wereld is gekomen, vers 10. Hij had reeds tevoren met hetzelfde argument Zijn omgang met tollenaren gerechtvaardigd, Mattheus 9:13. Daar heeft Hij gezegd, dat Hij gekomen is om zondaars tot bekering te roepen, nu zegt Hij dat Hij is gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was, to apoloolos -het verlorene. Merk op:
a. Den betreurenswaardigen toestand van de kinderen der mensen: zij waren verloren, en hier wordt van het ganse geslacht der mensen gesproken als van een lichaam. Door den val is de gehele wereld van het mensdom een verloren wereld geworden, verloren zoals een stad verloren is, als zij gemene zaak maakt met de rebellen, zoals een reiziger verloren is, als hij in een woestijn van den weg is afgedwaald, zoals een zieke verloren is, als zijne ziekte ongeneeslijk is, of zoals een gevangene verloren is, als het doodvonnis over hem is uitgesproken.
b. De genaderijke bedoeling van den Zone Gods, Hij is gekomen om te zoeken en zalig te maken, te zoeken ten einde zalig te maken, te behouden. Hij is van den hemel op de aarde gekomen-een lange reis- om het verlorene te zoeken-hetgeen weggedwaald en dus verdwaald was, en het terecht te brengen, Mattheus 18:11, 12, en zalig te maken te behouden wat verloren was, hetgeen omkwam en in zekeren zin vernietigd, afgesneden was. Christus ondernam de redding van hetgeen reeds als verloren was opgegeven, Hij heeft het ondernomen om diegenen tot zich zelven te brengen, die verloren waren voor God en alle goedheid. Christus kwam in deze wereld om haar te zoeken en zalig te maken. Zijn doel was te behouden, toen er in niemand anders heil of verlossing was. Om dat doel te bereiken heeft Hij gezocht, alle middelen aangewend, om die verlossing tot stand te brengen. Hij zoekt hen, die niet waardig waren gezocht te worden, Hij zoekt hen, die Hem niet zochten en, gelijk Zacheus hier niet naar Hem vroegen.