38. Want de wolk van de HEERE was op de tabernakel bij dag, en het vuur was er bij nacht op, en was dus te allen tijde voor de ogen van het gehele huis van Israël, in al hun reizen 1) (
Numeri 9:15;
13:33,
Deuteronomium 1:33 ).
1) Op dezelfde dag van het vorige jaar waren de kinderen van Israël nog in Egypte; hoeveel is er dus in één jaar geschied! Wat is de toestand van de volken veranderd! Zo kan God een lang wachten door een spoedige hulp vergoeden..
SLOTWOORD.
God belooft, de mens moet geloven. Dit is de regel in het koninkrijk van God. Immers Gods beloften zijn op tijd; het geloof heeft ze, maar in de toekomst. Abraham had voor zichzelf niets in eigendom van het land Kanaän, en toch had hij voor zichzelf en zijn kinderen dat land veel zekerder in eigendom, dan de toenmalige inwoners het in bezit hadden, want menigeen is bezitter van goed, dat hij zijn kinderen niet kan nalaten. Doch hoe wonderlijk zijn Gods wegen! Hij begint Zijn beloften te vervullen met de kinderen van Jakob te verwijderen uit het land, dat het hunne is, en hen te verdrukken, die tot heerlijkheid bestemd zijn. Nee, niet in Kanaän moesten zij vermenigvuldigd worden, maar in Egypte. God had hiervoor Zijn redenen. Zij moesten in een gevestigde en geregelde staat, ja, in het beschaafdste en machtigste rijk van de wereld ontwikkeld, opgevoed, verdrukt, en vervolgens daaruit verlost worden..
De geschiedenis van die verdrukking en verlossing geeft ons dit boek, dat in het Hebreeuws genoemd wordt: Defer Sjemoth (boek van de namen) of, naar de woorden, waarmee het aanvangt: weélae sjemoth (dit nu zijn namen), naar het Grieks: Exodus of uittocht, omdat hierin beschreven wordt, hoe de kinderen Israëls uit Egypte verlost zijn, en wat kort vóór en na die uittocht hun overkomen is. Het loopt Jozef's dood tot het bouwen van de tabernakel, omvattende een tijdvak van ongeveer 145 jaar. Wij zien eerst het volk als een slavenvolk bij de ticheloven en ten laatste als een Verbondsvolk met het heiligdom van God in hun midden, eerst gedwongen te gehoorzamen aan de willekeur van een tiran, daarna gezegend met de wetten en instellingen van Jehova, die beter zijn dan uitgegraven fijn goud, en met een dienst van de Heere, die een afschaduwing is van het hoogste heil, van de genade in onze Heere Jezus Christus. Dat is Israël geworden niet door verdienste, want het betoonde zich een weerstrevend volk, maar door de genade van God, Wiens trouw niet bezweek, die met almacht en wijsheid hen leidde en opvoedde..
In algemene trekken schetst ons Ezechiël hun overhelling tot de afgoderij van Egypte (Ezechiel 23; 20:7,8) gedurende dat tijdperk, een neiging, die Jozua, in veel latere dagen nog te bestrijden en uit te roeien had (Jozua 24:14), maar voornamelijk bespeuren wij haar daarin, dat zij in de woestijn die God, die hen uit Egypte had verlost, naar de wijze van Egypte onder het beeld van een stier wensen te vereren; ja, zelfs na de uitroeiing van de openbare afgoderij, maakten zij zich in het geheim schuldig aan de aanbidding van zon en maan, en zelfs aan de gruwelijkste afgoderij van Egypte, de dienst van de Saturms of veldgoden (Amos 5:25,26 Leviticus 17:7 ). In de tijd van hun smadelijke slavernij was vooral de volksgeest diep verbasterd, zodat zij, zelfs bij het genot van de leiding van God te midden van de woestijn, hun vrijheid en zelfstandigheid te duur gekocht achtten, omdat zij voor haar de geriefelijkheden moesten ten offer brengen, die het leven in Egypte hun verschaft had. Zij waren geworden tot een volk, gewoon het slavenjuk te dragen; een volk verwijfd van zeden, weerbarstig tegen alle tucht, wuft en onstandvastig in al zijn doen. Juist hetgeen hen als hun grootste voorrecht eigenaardig van alle overige volken zou moeten onderscheiden, was hun in de hoogste mate onverschillig; ja, van alle bewoners van de aarde schenen zij de allerongeschikste tot het verwezelijken van de grote heilsgedachten van God (Deuteronomium 9:4,5). In die toestand was het, dat de Heere, om de beloften, die Hij de vaderen geschonken had, ter wille van de zegen, die door dat volk over alle geslachten komen zou, Israël met machtige hand uit Egypte redde..
Bij de behandeling van de historische en profetische boeken, geschreven vóór de ballingschap, zullen we gelegenheid hebben aan te tonen, dat gebruiken, daarin meegedeeld niet strijden tegen de opvatting, dat de tabernakel, zoals deze in dit boek beschreven wordt, ook werkelijk in de woestijn is opgesteld; dat het priesterschap onder Israël in de woestijn en later in Kanaän vóór Salomo's dagen is ingericht, zoals dit ook hier is beschreven, en daardoor de waarheid te handhaven, dat Exodus evenzeer als Leviticus, niemand minder dan Mozes zelf, gedreven door de Heilige Geest, tot schrijver heeft gehad..
Het gehele boek, in het bijonder de geschiedenissen van Israëls verdrukking, van Mozes' roeping, van Israëls Verbondsbreuk bij de berg Sinaï, vertonen zo duidelijk de sporen, dat een oor- en ooggetuige dit alles meedeelt, dat men waarlijk willens blind moet zijn, om te kunnen vast stellen, dat eerst vele jaren later het boek Exodus is opgesteld..
Wat in strijd schijnt te zijn met wetten en rechten hier gegeven, blijkt bij een gezonde, onbevooroordeelde uitlegging dit niet te wezen, indien men elke verandering of gewijzigde wetordening, indien men elke zaak, die in strijd met deze wettelijke verordeningen schijnt te zijn, slechts beschouwt uit het oogpunt van veranderde tijdsomstandigheden, of van ongestalten, waarin Israël in latere dagen verkeerde..
En overigens blijkt genoegzaam, dat én in de dagen van de Richteren, én in die van Samuël en David de wetten hier en in de volgende boeken meegedeeld, de grondslag uitmaakten van het theocratisch gebouw, dat door hen werd hersteld en opgebouwd; dat de psalmist verheerlijkt en bezingt, wat de Heere God in wet en schaduwdienst had gegeven aan Zijn volk; dat de profeet uit deze boeken put en zijn voorspellingen met hetgeen hierin beschreven is en wordt, in verband brengt..
De psalmisten en profeten zijn dikwijls niet te verstaan, indien men niet mag aannemen, dat God Zijn rechten en instellingen, omtrent de verering van Zijn Heilig Wezen in de woestijn, aan Israël heeft bekend gemaakt.. Bovendien, wat voor het levend geloof alles afdoet, onze Heere en Zaligmaker heeft aan niemand anders dan aan Mozes het auteurschap van de gehele Pentateuch toegekend, en tegenover hen, die ervan spreken, dat op het gebied van de kritiek, de Heere noch Zijn Apostelen mag worden aangehaald, brengen ook wij het woord in herinnering van Hermannus Witsius*): Christus Jezus en de Apostelen mogen geen doctoren in de kritiek zijn geweest, zoals zij willen geacht worden, die zich heden de heerschappij van de wetenschappen in iedere tak van wetenschap toekennen; zij zijn echter doctoren van de waarheid geweest, en hebben niet geduld dat zij door een algemene onkunde van zaken of door een verreikende list bedrogen werden. Zij zijn althans niet in de wereld gekomen, om algemeen verspreide dwalingen te helpen voortbreiden, en door het gezag van hun naam te bevestigen, noch om deze dwalingen niet alleen door de Joden, maar ook door de volken, die op het nauwst met hen verbonden waren, wijd en zijd uit te strooien..
*) Miscell. ss. L. p.117
De hoofdpersoon in dit boek, Mozes, door Egypte's vorstenhuis zelf gevoed en onderwezen, de man, die de versmaadheid van Gods volk boven al de heerlijkheid van Egypte stelde, de zachtmoedige onder de mensenkinderen, die van ijver voor het huis van de Heere verteert, en nochthans zijn ziel wil stellen voor zijn volk, de knecht van God, die met Hem sprak, zoals een man spreekt met zijn naaste, de Middelaar van het Verbond, die de woorden van Gods eigen lippen verneemt, is de type van Hem, die alle verloste eeuwige dank en aanbidding zullen toebrengen en voor wie Mozes zelf neerknielt. Ook deze middelaar wordt in de hemel niet vergeten, daar zingen de gezaligden het lied van Mozes en het Lam.