Exodus 13:17-22
1. Hier is Gods kiezen van de weg, vers 17, 18. Hij was hun gids, Mozes gaf hun slechts de richting aan, zoals hij haar van de Heer had ontvangen. Bij de mens is zijn weg niet, Jeremia 10:23. Hij kan "zijn weg overdenken," er het plan van maken, maar met dat al is het God, die "zijn gang stuurt," Spreuken 16:9. De mens wikt, maar God beschikt, en in Zijn beschikking moeten wij berusten, en er ons toe zetten om de leiding van Zijn voorzienigheid te volgen.
Er waren twee wegen, die van Egypte naar Kanaän leidden. De ene, die de kortste was liep van het noorden van Egypte naar het zuiden van Kanaän in ongeveer vier of vijf dagreizen, de andere was een omweg door de woestijn, en dat was de weg, waarin God verkoos Zijn volk Israël te leiden, vers 18.
1. Er waren veel redenen, waarom God hen door de weg van de woestijn van de Schelfzee leidde. De Egyptenaars moesten in de Schelfzee verdrinken, de Israëlieten moesten verootmoedigd en verzocht worden in de woestijn, Deuteronomium 8:2. God had het aan Mozes gegeven tot een teken, Hoofdstuk 3:12. Gijlieden zult God dienen op deze berg Telkens en nogmaals hadden zij aan Farao gezegd, dat zij drie dagreizen in de woestijn moesten gaan om te offeren, en daarom was het nodig dat hun mars in die richting ging, want anders zou met recht tegen hen als tegen blijkbare veinsaards geroepen zijn. Eer zij in het strijdperk traden met hun vijanden, moesten de zaken geregeld worden tussen hen en hun God, er moesten wetten worden gegeven, verordeningen ingesteld worden, verbonden worden verzegeld, het oorspronkelijke contract moest bevestigd worden, en om dit alles te doen was het nodig, dat zij in de afzondering kwamen van een woestijn, de enige binnenkamer voor zo'n menigte. De grote heirbaan zou voor zulke handelingen de geschikte plaats niet zijn. In Deuteronomium 32:10 wordt gezegd: Hij voerde hem rondom, enige honderden mijlen rondom, en toch: "Hij leidde hen op een rechte weg," Psalm 107:7. Gods weg is de rechte weg, al schijnt hij ook een omweg te zijn. Als wij denken dat Hij Zijn volk niet langs de kortste weg leidt, kunnen wij er toch zeker van zijn, dat Hij hen langs de beste weg leidt, en dat zal blijken, als wij aan het eind van onze reis gekomen zijn. Oordeelt niet voor de tijd.
2. Er was nog een reden, waarom God hen niet leidde langs de kortste weg, die hen na enige dagmarsen, naar het land van de Filistijnen zou hebben gebracht (want dat was het deel van Kanaän, dat het dichtst bij Egypte lag). Die reden was, dat zij nog niet geschikt waren voor de oorlog, en wel het allerminst voor strijd met de Filistijnen, vers 17. Hun moed was terneergeslagen door de slavernij, het viel hun niet licht om zo opeens hun handen van de troffel tot het zwaard te brengen. De Filistijnen waren geduchte vijanden, te sterk en te woest om door onbedreven recruten te worden bevochten, het was gepaster dat zij beginnen zouden met de Amalekieten, en voor de strijd in Kanaän toebereid zouden worden door allerlei moeilijkheden te ondervinden in de woestijn. God maakt de beproevingen van Zijn volk evenredig aan hun kracht, en zal hen niet laten verzocht worden boven hetgeen zij vermogen 1 Corinthiërs 13:10. Als men die belofte vergelijkt met de voorafgaande verzen, dan schijnt zij naar die gebeurtenis te verwijzen als een voorbeeld er van. God weet wat maaksel wij zijn, en let op onze zwakheid en lafhartigheid, en zal ons door kleinere beproevingen toebereiden voor de grotere. God wordt gezegd Israël uit Egypte gevoerd te hebben "gelijk de arend zijn jongen," Deuteronomium 32:11, daar hij ze geleidelijk leert vliegen.
Daar er nu orders gegeven zijn omtrent de weg, die zij zouden gaan, wordt ons gezegd: a. Dat zij opgingen, niet als een verwarde hoop, maar in goede orde, bij gelederen. Zij gingen gewapend of geharnast, vers 18 Zij togen bij vijven, zoals sommigen lezen, volgens nog anderen: in vijf afdelingen. Zij togen als een leger met banieren, hetgeen veel bijdroeg tot hun kracht en eer.
b. Zij namen het gebeente van Jozef met zich mee, vers 19, en waarschijnlijk ook die van de andere zonen van Jakob, tenzij deze (zoals sommigen denken) heimelijk reeds naar Kanaän overgebracht waren, Handelingen 7:16, afzonderlijk, na het sterven van ieder van hen. Jozef had inzonderheid bevolen dat zijn gebeente opgevoerd zou worden, als God hen bezocht, Genesis 50:25, 26, zodat hun opvoeren van zijn gebeente niet slechts de nakoming was van de eed, die hun vaderen aan Jozef hadden gezworen, maar ook een erkenning van de vervulling van Gods belofte aan hen door Jozef, dat Hij hen zou bezoeken en hen zou uitvoeren uit het land van Egypte, en een aanmoediging voor hun geloof en hun hoop, dat Hij ook het andere deel van de belofte zou vervullen, namelijk dat Hij hen naar Kanaän zou brengen, in de verwachting waarvan zij dit gebeente meevoerden terwijl zij reisden in de woestijn. "Jozefs gebeente moeten ten slotte rusten", konden zij denken, "en dan zullen ook wij rusten." Er wordt gezegd dat Mozes dit gebeente meenam, Mozes was nu een zeer groot man, en dat is Jozef in zijn dag ook geweest, toch was hij nu slechts een kist vol dorre beenderen, dat was alles wat er van hem in de wereld overbleef, hetgeen een waarschuwing kon zijn voor Mozes, hem toeroepende om te gedenken aan zijn sterfelijkheid. Ik heb wel gezegd: gij zijt goden, dit was uitdrukkelijk gezegd aan Mozes, Hoofdstuk 7:1, nochtans zult gij sterven als een mens.
II. Hier is de leiding, waarmee zij gezegend waren op de weg, vers 21, 22. De Heer toog voor hun aangezicht in een wolkkolom. Tot aan de eerste twee pleisterplaatsen was het genoeg, dat God aan Mozes zei in welke richting zij gaan moesten, hij kende het land en de weg zeer goed, maar nu zij aan de rand van de woestijn kwamen, vers 20 hadden zij behoefte aan een gids, en zij hadden een voortreffelijke, een, die oneindig wijs, vriendelijk en getrouw is: de Heer ging voor hun aangezicht, de Shechina, of verschijning van de goddelijke majesteit, die Christus voorafschaduwde, of wel een voorafgaande openbaring van het eeuwige Woord, dat in de volheid van de tijd vlees zou worden en onder ons zou wonen, Christus was met de kerk in de woestijn, 1 Corinthiërs 10:9. Nu "is hun Koning voor hun aangezicht heengegaan, de Heer in hun spits", Micha 2:13. God zal hen, die Hij in een woestijn heeft gebracht, daar niet verlaten, Hij zal hen zorgzaam er door heen leiden. Wij kunnen ons voorstellen welk een voldoening het voor Mozes en de vrome Israëlieten was, om zeker te wezen dat zij zich onder goddelijke leiding bevonden. Zij, die aldus geleid werden, behoefden niet te vrezen van te zullen verdwalen, zij behoefden niet te vrezen door de nacht te worden overvallen, die aldus voorgelicht werden, noch beroofd te zullen worden, die aldus beschermd werden. Zij, die zich de heerlijkheid van God ten doel en het woord van God ten regel stellen, de Geest van God om hun genegenheden te leiden en de voorzienigheid van God om hun zaken te besturen, kunnen vertrouwen dat de Heer voor hun aangezicht heengaat, even waarlijk en wezenlijk als Hij voor het aangezicht van Israël ging in de woestijn, al is het ook niet op zo zichtbare wijze, wij moeten door geloof leven.
1. Zij hadden zichtbare blijken van het heengaan van God voor hun aangezicht. Zij allen zagen een verschijnsel van de hemel als van een zuil of kolom, dat op de heldere dag als een wolk was, en in de duistere nacht als een vuur. Gewoonlijk zien wij dat hetgeen ons in de nacht een vlam toeschijnt, over dag als rook is, en zo was ook dit. God gaf hun dit zichtbaar bewijs van Zijn tegenwoordigheid in mededogen om tegemoet te komen aan de zwakheid van hun geloof, en in inschikkelijkheid jegens die staat van kindsheid van de kerk, die het nodig maakte, dat er aldus in hun eigen taal tot hen gestameld zou worden. Maar: zalig zijn zij, die niet gezien hebben, en nochtans geloofd hebben in de genadige tegenwoordigheid van God met hen, overeenkomstig Zijn belofte.
2. Zij hadden merkbare uitwerkselen van het heengaan van God voor hun aangezicht in deze kolom. Want:
a. Zij wees hun de weg in deze grote, huilende wildernis, waarin geen gebaande weg, geen pad, geen spoor was, waarvan zij geen kaarten hadden en geen gidsen om hen er door heen te leiden. Als zij op mars waren, ging deze kolom voor hen uit met een snelheid, die zij konden volgen en wees hun de plaats aan waar zij moesten kamperen, naar de oneindige wijsheid het geschikt oordeelde, hetgeen hen tegelijk onthief van zorg en beveiligde tegen gevaar zowel bij hun voortgaan als bij hun rusten.
b. Zij beschutte hen overdag tegen de hitte, die daar op sommige tijden van het jaar zeer groot is.
c. Zij verschafte hun licht bij nacht, als zij het nodig hadden, en te allen tijde maakte zij hun kamp aangenaam, en de woestijn, waarin zij zich bevonden, minder verschrikkelijk.
III. Dit waren voortdurende wonderen, vers 22. Hij nam de wolkkolom overdag en de vuurkolom s'nachts niet weg van het aangezicht van het volk, neen, zelfs dan niet, als zij haar minder nodig schenen te hebben, wanneer zij door bewoonde streken reisden, neen, ook niet als zij murmureerden en tergend waren, zij heeft hen niet verlaten vóór zij aan de grenzen van Kanaän kwamen. Het was een wolk, die door geen wind uiteengedreven kon worden. Deze gunst werd lang daarna dankbaar erkend, Nehemia 9:19, Psalm 78:14.
Er was iets geestelijks in deze wolk- en vuurkolom.
1. De kinderen Israëls zijn in Mozes gedoopt in deze wolk, die, naar sommigen denken, dauw op hen afdroop, 1 Corinthiërs 10:2. Door onder deze wolk te komen, gaven zij te kennen dat zij zich stelden onder de leiding en het bevel van God door de dienst van Mozes. Bescherming brengt de verplichting mee van gehoorzaamheid en trouw, die wolk was het teken van Gods bescherming, en werd aldus mee het teken van hun verplichting om trouw en gehoorzaamheid te betonen. Aldus werden zij bij hun intrede in de woestijn als het ware ingeleid tot en toegelaten onder de regering en het bestuur Gods door de dienst van Mozes.
2. Sommigen achten dat deze wolk een type was van Christus. De wolk van Zijn menselijke natuur was een sluier voor het licht en het vuur van Zijn Goddelijke natuur. Wij vinden Hem, Openbaring 10:1, "bekleed met een wolk, en Zijn voeten waren als pilaren van vuur." Christus is onze weg, het licht en de gids op de weg.
3. Zij betekende de bijzondere leiding en bescherming, waaronder Christus' kerk is in deze wereld. God zelf is de bewaarder Israëls en "Hij sluimert noch slaapt," Psalm 121:4, Jesaja 27:3. Er is een beschutting gemaakt, niet slechts over Zions vergaderingen, maar ook over alle woningen in Zion, zie Jesaja 4:5, 6. Ja meer, ieder Israëliet is verborgen onder de schaduw van de vleugelen van God, Psalm 17:8. Engelen van wie de dienst in deze wolk gebruikt werd, worden gebruikt hun ten goede, en legeren zich rondom hen. Welgelukzalig zijt gij, o Israël, wie is u gelijk!