Exodus 33:7-11
I. Hier is, tot hun verdere verootmoediging nog een teken van ongenoegen, hun gegeven. Mozes nam de tent, niet zijn eigen tent voor zijn gezin, maar de tent, waarin hij audiëntie gaf, rechtszaken hoorde en God raadpleegde, het gemeentehuis, als het ware, van hun leger, en spande haar buiten het leger, ver van het leger afwijkende, vers 7, om hun te kennen te geven dat zij zich haar onwaardig hadden gemaakt, en dat zij, tenzij er vrede tussen hen was, niet tot hen zou terugkeren. God wilde hun aldus doen weten, dat Hij verschil met hen had, "de Heere is verre van de goddelozen." Aldus is de heerlijkheid des Heeren geweken van de tempel, toen hij verontreinigd was door de zonde, Ezechiël 10:4, 11:23. Het is een teken dat God toornig is, als Hij Zijn tabernakel wegneemt, want Zijn inzettingen zijn vruchten van Zijn gunst en tekenen van Zijn tegenwoordigheid, zolang wij die hebben, hebben wij Hem onder ons. Deze tent was misschien een plan, of liever model van de tabernakel, die later opgericht werd, een vluchtige schets naar het voorbeeld, dat hem op de berg getoond was, bestemd tot leiding of voorlichting voor de werklieden en intussen gebruikt als een tent van samenkomst tussen God en Mozes voor de openbare aangelegenheden. Deze tent werd op een afstand van het leger gespannen, om het volk het verlies te doen gevoelen van het heerlijke gebouw, dat, indien zij hun eigen weldadigheid niet hadden verlaten voor valse ijdelheden, in hun midden opgericht zou zijn. Laat hen zien wat zij verbeurd hebben.
II. Er worden hun echter vele bemoedigingen gegeven om te hopen, dat God nog met hen verzoend zal worden.
1. Hoewel de tent verplaatst was, zal toch ieder, die de Heere wenst te zoeken, haar mogen volgen, vers 7. Particuliere personen werden, evengoed als Mozes, genodigd en aangemoedigd om zich als voorbidders tot God te wenden bij deze gelegenheid. Er was hun een plaats aangewezen om heen te gaan buiten het leger, om God te bidden tot hen weer te keren. Evenzo werden, toen Ezra (een tweede Mozes) voor Israël bad, tot hem verzameld allen, "die voor de woorden van de God Israëls beefden," Ezra 9:4. Als God voornemens is genade te bewijzen, wekt Hij op tot gebed. "Hij wil hierom van het huis Israëls verzocht worden," Ezechiël 36:37, en, geloofd zij Zijn naam Hij kan gezocht worden, en zal ook de zwakste voorbede niet afwijzen. Ieder Israëliet, die de Heere zocht, was welkom in deze tent, evengoed als Mozes, de man Gods.
2. Mozes nam op zich middelaar te zijn tussen God en Israël. Hij ging uit naar de tent, de plaats der onderhandeling, opgericht waarschijnlijk tussen hen en de berg, vers 8, en hij ging in de tent, vers 9. Het moest wel goed gaan met de zaak, die zo goed behartigd was, als hun rechter (onder God) hun voorspraak wordt, en hij, die aangesteld was om hun wetgever te zijn, een voorbidder voor hen is, dan is er hoop voor Israël betreffende deze zaak.
3. Het volk scheen in een zeer goede gemoedsstemming te zijn, en zeer bereid tot verzoening.
A. Als Mozes uitging naar de tent, zag het volk hem na, vers 8, ten teken van hun eerbied voor hem, die zij tevoren geminacht hadden, en van hun algehele afhankelijkheid van zijn middelaarschap. Hieruit bleek, dat zij zeer bezorgd waren over de zaak, begerig naar vrede met God, en verlangend om te weten wat het einde, het gevolg zou zijn. Zo zagen de discipelen onze Heere Jezus na, toen Hij opvoer om in te gaan in het heilige, niet met handen gemaakt, totdat "een wolk Hem wegnam van hun ogen," zoals hier Mozes. En wij moeten Hem evenzo met het oog van het geloof daarheen volgen, waar Hij in de tegenwoordigheid van God voor ons verschijnt, en dan zullen wij de vrucht genieten van Zijn middelaarschap.
B. Als zij de wolkkolom, het symbool van Gods tegenwoordigheid, zagen om met Mozes samen te komen, zo stond al het volk op, en zij bogen zich, een ieder in de deur van zijn tent vers 10. Hiermede gaven zij te kennen:
a. Hun nederige aanbidding van de Goddelijke Majesteit, die zij voortaan altijd zullen vereren en niet meer de gouden goden.
b. Hun blijde dankbaarheid aan God, dat het Hem behaagde hun dit teken ten goede te doen, en hun hoop te geven op verzoening, want indien het Hem behaagde hen te doden, Hij zou hun zulke dingen niet getoond hebben, zou hun zo'n middelaar niet verwekt hebben, noch hem zo hebben ondersteund.
c. Hun hartelijke instemming met Mozes, als hun voorspraak in alles wat hij voor hen zou beloven, en hun verwachting van een troostrijke en gelukkige uitslag van deze onderhandeling. Aldus moeten wij God aanbidden in onze tenten, met het oog op Christus, als de Middelaar. Hun aanbidden aan de deuren van hun tenten gaf duidelijk te kennen, dat zij zich niet schaamden om in het openbaar hun eerbied te betonen aan God en Mozes, daar zij in het openbaar het kalf hadden aangebeden.
4. In Mozes heeft God zich met Israël verzoend, en Hij betoonde zich zeer bereid om vrede met hen te hebben.
a. God ontmoette Mozes op de plaats van de onderhandeling, vers 9. De wolkkolom, die weggegaan was van het leger, toen het door afgoderij verontreinigd was, keerde nu terug tot deze tent op enige afstand van het leger, dus trapsgewijze terugkomende. Indien ons hart uitgaat tot God om Hem te ontmoeten, dan zal Hij genadig afkomen om ons te ontmoeten.
b. God sprak met Mozes, vers 9 sprak tot hem aangezicht aan aangezicht, gelijk een man met zijn vriend spreekt, vers 11, hetgeen aanduidt dat God zich aan Mozes openbaarde, niet slechts met grotere helderheid en blijkbaarheid van Goddelijk licht, dan tot iemand anders van de profeten, maar ook met sterker uitdrukkingen van bijzondere liefde en genade. Hij sprak, niet als een vorst tot een onderdaan, maar als een man tot zijn vriend, die hij liefheeft, en wie hij in zoetigheid heimelijk raadpleegt. Het was een grote aanmoediging voor Israël om te zien dat hun voorspraak zo'n grote gunstgenoot was, en opdat zij er door bemoedigd zouden worden, keerde Mozes weer tot het leger, om aan het volk te zeggen welke hoop hij had om de zaak tot een goed einde te brengen, en dat zij niet moeten wanhopen indien hij lang zou wegblijven. Maar omdat hij voornemens was spoedig tot de tent der samenkomst terug te keren, liet hij er Jozua, want het voegde niet, dat de plaats ledig zou zijn, zolang de wolkkolom in de deur stond vers 9, Indien God iets uit deze wolk had te zeggen, terwijl Mozes afwezig was, was Jozua daar, gereed en bereid om het te horen.